Posts tonen met het label preek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label preek. Alle posts tonen

zondag 13 juli 2014

Hoe afhankelijk ben jij van alles wat moet? (preek 6 juli 2014)


Beluister de preek op Kerkomroep (tot zes maanden na publicatie)

Het is inmiddels volop zomer. Velen zijn al met vakantie gegaan. En als straks de scholen ook vakantie hebben dan is het echt zomervakantie. Allerlei alledaagse dingen gaan even voor kortere of langere tijd op een lager pitje. Soms moeten dingen nog snel af, maar daarna rennen we eens even wat minder hard. En of het dan die ene dag op het strand, of een paar weken weg is; het staat dan in het teken van even niets moeten...

Kennelijk moeten we nogal veel. Ja, ga maar na: naast werk en school hebben we allerlei verplichtingen. En als je gepensioneerd bent of de kinderen uit huis zijn vragen velen zich af en toe af hoe ze dat werk en die opvoeding er nog bij deden. We moeten veel. Niet iedereen heeft de luxe om even niets te moeten. Sommige dingen gaan gewoon door. Denk maar aan mensen die voor een naaste zorgen. En niet voor elke ouder is de zomervakantie een even grote ontspanning, met zes of zeven weken je kinderen thuis. En toch is dat wel ons ideaal: even niets moeten.

Juiste balans?
Vandaag vraag ik me af of dat de juiste balans geeft? Door naast de langere tijd waarin we van alles moeten, een kortere tijd te zetten waarin we even niets moeten. En waarom vraag ik me dat af? Omdat ik denk dat wanneer het in de bijbel over onze bevrijding gaat, dat toch gaat over ons hele leven. En niet alleen over onze momenten dat we even niets moeten. En: dat die bevrijding niet inhoudt dat we even niets moeten, maar dat we er niet door geleefd worden. Waardoor ons hele leven bevrijd is. Dan vinden we werkelijk rust. Zonder dat het vakantie hoeft te zijn.

Waar ga je voor? Macht of eigenwaarde?
Laten we eens even kijken hoe de bijbelverhalen van vandaag daarover spreken.

donderdag 30 januari 2014

Believe it! - preek bij de missionaire jongerendienst met band Mashmerize op zondag 26 januari 2014


Luister de dienst na op Kerkomroep

Als je opgroeit, dan wil je maar één ding: groeien, groot worden, volwassen worden, man worden, vrouw worden. Je eigen leven leiden. En dan is het soms erg vervelend als thuis van je verwacht wordt dat je gezellig bent, leuk mee doet, mee helpt, of dat je aan je huiswerk gaat, de tv uitzet, je telefoon neerlegt. 'Mam, láát me nou!'  Maar mam laat je niet, en dan is het of strijd of gehoorzamen. Opgroeien valt niet mee. Want eigenlijk gaat het helemaal niet over je ouders, of over thuis, maar over wat je eigenlijk wil met je leven. Wie je eigenlijk bent. En hoe je moet omgaan met al die veranderingen in je leven, en in je lijf. Wat moet je daarmee? Aan de ene kant wil je graag volwassen worden. En aan de andere kant merk je dat je nog van vanalles afhankelijk bent. Niet alleen van je ouders, maar ook van wat anderen van je vinden, waar je bij wil horen, in je klas, je vriendengroep. Het is nog niet zo makkelijk om op eigen benen te staan. En soms, of misschien voel je het zelfs vaak, is dat ook behoorlijk verwarrend. Je wilt aan de ene kant jezelf zijn, maar je staat nog niet sterk genoeg in je schoenen om op eigen benen te staan.

Over zo'n jongere gaat het vandaag in de bijbel. Nou ja, jongere. Ze wordt in het verhaal op drie manieren genoemd. Eerst heet ze de dochter, van Jaïrus. Dan heet ze het kind. En dan het meisje. Haar naam weten we niet, al wordt ze soms Talitha of Tabitha genoemd, omdat Jezus in zijn eigen taal tegen haar zegt: Talitha koem. 'Meisje, sta op' betekent dat. Maar het gaat dus niet over Talitha in het verhaal, maar over de dochter van Jaïrus. Het gaat er niet om in het begin van het verhaal wie zij is, maar ván wie zij is. Wiens dochter zij is. Ze zal zich misschien ook wel eens ongemakkelijk hebben gevoeld als er mensen naar Jaïrus kwamen die dan naar haar wezen en zeiden: 'Goh, is dat nou je dochter? Wat wordt ze groot!' En dan ook nog een aai over haar bol, dat ze denkt: 'Hè, blijf van me af!'

maandag 7 november 2011

Paulus zoekt een duurzame relatie (preek 6 november 2011)

Tekst: Jesaja 48: 17-21; 1 Thessalonicenzen 3: 1-13 en Mattheüs 25: 14-30

Podcast/geluidsfragment

Het is al even geleden dat we gelezen hebben uit de eerste Thessalonicenzenbrief. Het is het oudste document dat in het Nieuwe Testament staat. En de brief is geschreven door Paulus. Het is dus ook zijn eerste brief in de bijbel.

Uit deze brief lezen we niet vaak, omdat hij niet zo heel sprekend is, en niet zoveel concreets te zeggen heeft. En toch is het boeiend eens een keer wat langer bij deze brief stil te staan. Want je merkt in de brief dat het allemaal nog zo nieuw. Het is allemaal nog erg onontgonnen terrein dat er gemeenten gesticht worden, dat ze daarna in stand moeten worden gehouden, en dat er contact met ze moet worden onderhouden. Hoe doe je dat? En wat kun je verwachten? En bovendien: er is zoveel tegenwerking dat het nog maar de vraag is of alle inspanningen blijvend resultaat zullen hebben. Er zijn vervolgingen, er zijn mishandelingen, er is tegenwerking, er is ongeloof, er is wantrouwen. En wat doet dat met je geloof als het nog zo in de kinderschoenen staat?

Je merkt gaandeweg de brief dat Paulus eigenlijk nog heel onervaren is. En dat merk je niet zozeer aan zijn daden; daar horen we eigenlijk niet zoveel over. Maar we merken het wel aan zijn emoties. Eerder in de brief spat de dankbaarheid ervan af. En die dankbaarheid vliegt alle kanten op. Hij is God dankbaar, hij is de gemeente dankbaar, hij is ook dankbaar voor wat hij en de zijnen hebben mogen doen. En je merkt dat hij al schrijvende nog een beetje aan het zoeken is. Wie kan hij waarvoor dankbaar zijn? Wat doet de gemeente, wat doet hij, en wat doet God? Hoe verhouden die drie zich tot elkaar? Dat zijn heel voorstelbare vragen als je met geloofsogen ook naar je eigen leven kijkt. Wat doe jij, wat doen anderen voor je, en wat doet God? Aan wie heb je te danken wat je bereikt hebt; aan jezelf, aan anderen, aan God? En dat is niet of/of. Dat is en/en. Maar hoe dan en in welke verhouding? Je mag trots zijn op jezelf, maar ook weer niet alles aan jezelf toeschrijven, en hoe zou je het bovendien hebben kunnen bereiken als niet God had meegewerkt? Voel je de spanning? Nou is er wel een christelijke nooduitgang: namelijk te zeggen dat de Geest van God alles heeft bewerkt in ons, maar daarmee is nog niet alle spanning weg, want werk je dan echt niet met een dubbele agenda?

We hebben de laatste keer dat we uit deze brief lazen ook gezien hoezeer Paulus bezig is om zijn eigen positie zo vorm te geven dat duidelijk wordt dat hij zijn werk niet doet voor eigen gewin. Hij neemt zelfs een baan om niet financieel afhankelijk te zijn. En hij probeert de schijn te vermijden dat hij een verborgen agenda heeft. Hoezeer anderen dat ook beweren. En tegelijkertijd probeert hij wel zijn gezag te vestigen als een getuige van Christus en zijn apostel. En hij gebruikt dan beelden voor zijn positie ten opzichte van de nieuwe gemeente van een voedster en een vader.

Vandaag zien we een andere onstuimige emotie van Paulus, namelijk die van de liefde. Na een voedster en een vader toont hij zich welhaast hier een minnaar, zoals hij praat over zijn gevoel voor de gemeente. Want hij is onzeker. Hij en zijn gemeente zijn op afstand van elkaar. En houdt de liefde dan wel stand? Is het ‘uit het oog, uit het hart’? Waar Paulus eerst praat over het geloof van de gemeente, praat hij daar later over samen met hun liefde, om daarna alleen nog maar over de liefde te praten. En het geloof krijgt zo een beetje de klank van trouw, wat het natuurlijk ook in zich heeft. Blijven zij hun geloof trouw, en daarmee ook de verkondiger van dat geloof? Of zou hun houding veranderd zijn? Zouden ze anders over Paulus zijn gaan denken? Zouden ze toch onder invloed van allerlei roddels toch zijn gaan geloven dat Paulus een dubbele agenda had? Het klinkt bijna als jaloersheid. Paulus weet dondersgoed dat het niet om hem gaat, maar om God, maar tegelijk vereenzelvigt hij zich zo met zijn boodschap, de boodschap van Jezus, en vereenzelvigt hij zich ook zo met de gemeente, dat hij het niet zou kunnen verkroppen als anderen tussen hen in komen staan. Maar het is niet alleen dat er een ander zou kunnen zijn. Paulus vreest ook dat als hij op afstand is, de gelovigen zullen voelen hoe moeilijk de weg is, die hij hen gewezen heeft. Misschien hadden zij het zich allemaal veel makkelijker voorgesteld. Alle tegenstand en tegenspoed zou hen ervan kunnen overtuigen dat het eigenlijk niets dan ellende is dat de weg van het geloof hen heeft gebracht. En dan zou het heel verleidelijk zijn om zonder Paulus wat rustiger vaarwater op te zoeken.

O, Paulus kan het niet langer uithouden, schrijft hij, en daarom stuurt hij Timoteüs, omdat hij zelf niet in staat is te komen. En wat is hij verheugd als hij hoort, zegt hij, ‘hoe u er even vurig naar verlangt ons te zien als wij u.’ Gerustgesteld is Paulus. Mocht hij niet wat meer vertrouwen hebben? Daar zal hij in het prille begin van die relatie nog weinig houvast voor hebben gehad. Ja, in het geloof in God had hij het kunnen vinden, ja natuurlijk. Maar hij zit er met heel zijn mens-zijn in, en voelt hoe graag God ook deze mensen vasthoudt. En hoe onzeker het allemaal nog is. Maar hij zoekt niet zozeer naar zekerheid voor zichzelf. Hij zoekt naar een duurzame relatie. Die zekerheid heeft hij nog niet. Of, moet ik zeggen, is hij nu gerustgesteld dat de gemeente wel degelijk in is voor een duurzame relatie. Als de gemeente aan allerlei verleidingen bloot zou hebben gestaan, zich door allerlei impulsen zou laten leiden, dan zou er een duurzame relatie er niet inzitten.

En als er geen duurzame relatie in zit, zou het voor Paulus voelen dat al zijn inspanningen tevergeefs zijn geweest. Daarom gebruikt hij zulke grote woorden als in vers 5: ‘Ik wilde weten of uw geloof standhield, want ik was bang dat de verleider u had verleid en onze inspanningen voor niets waren geweest.’ Als dat zo zou zijn geweest was Paulus niet te troosten geweest door te zeggen dat hij en zijn geliefde gemeente toch een mooie tijd met elkaar hebben gehad, maar dat het niet zo mocht zijn; nee, voor Paulus is dan alle inspanningen voor niets geweest. Paulus zoekt een duurzame relatie; en als hij die niet zou hebben gevonden bij de gemeente omdat hun liefde verslapt was, dan zouden zijn inspanningen voor niets zijn geweest.

In dat licht is het goed ook eens te kijken naar de knecht met die één talent in bruikleen kreeg. Waar Paulus zich in de brief bedient van verschillende beelden voor zijn verhouding tot de gemeente, is Jezus vrij uniform: ook in deze gelijkenis gaat het over een heer, en in dit geval zijn knechten. Stel je in het licht van die liefdesrelatie die we zojuist beschreven eens voor hoe de reactie van de laatste knecht overkomt. ‘Heer, ik wist van u dat u streng bent, dat u maait waar u niet hebt gezaaid en oogst waar u niet hebt geplant, en uit angst besloot ik uw talent te begraven: alstublieft, hier hebt u het terug.’ Interessant is deze opmerking vanuit wat we aan het begin zeiden over de rolverdeling, als ik het zo mag noemen: wat is je eigen rol, wat die van anderen, en wat die van God in wat je bereikt? En deze knecht is zo op zichzelf gericht, en wil zo zelfstandig zijn, dat hij zelfs naast zich neerlegt wat hij krijgt aangereikt. En hij zegt in feite: ‘Denk niet dat u ergens recht op hebt, omdat u mij dat talent gegeven hebt. Denk niet dat ik me op enigerlei wijze uitlever aan u.’ En de heer uit de gelijkenis is getergd en gekwetst in zijn liefde. Hij zegt met zoveel woorden: ‘Had dan minimaal het talent voor jezelf gebruikt en er je voordeel mee gedaan. Dan had je me tenminste nog dankbaar kunnen zijn met de rente die je erover kreeg.’ Een gekwetste liefde…

U begrijpt, hoezeer Paulus ook als een minnaar kan klinken in zijn brief; het is slechts een van de beelden waarmee hij zijn gevoel tot de gemeente wil laten spreken. Maar het is een overtuigend beeld. Het gaat hem niet om hemzelf, maar wel om een gelijkgezindheid. Hij wil zeker weten of de gemeente hetzelfde voelt. Want hij voelt dat hij dan gesterkt wordt in zijn geloof. Hij voelt dat hij opleeft. Geloof beleef je niet alleen op jezelf; je voelt hoezeer het opleeft als je het met mensen kunt delen. Anders blijft het zo op zichzelf staan. Geloof heeft het in zich dat het beantwoord wil worden. Net zoals liefde beantwoord wil worden. En zo niet, dan blijft het geloof alleen en koel achter, en wordt het niet aangevuurd. Daarom is het goed dat we hier nu ook samenzijn. Om in dat samenzijn te ervaren dat ons geloof beantwoord wordt.

En in die gelijkgezindheid komt de gemeente samen rondom de tafel. Die delen we met elkaar. In al onze verscheidenheid. Om gevoed te worden en elkaar te voeden. Dat is niet zomaar een toevallige samenkomst van mensen. De Maaltijd werd in de vroege kerk niet voor niets een agapè-maaltijd genoemd, een liefdesmaaltijd. Niet bij kaarslicht, hoewel, er brandt er één, maar omdat het een maaltijd is die georganiseerd wordt rondom een gelijkgezind gevoel bij Jezus te willen horen. De voornaamste liefde die hier bedoeld is is niet de liefde tot elkaar, maar de liefde voor God. En vanuit die liefde worden we als vanzelf aangespoord om die liefde naar elkaar vorm te geven. ‘Moge de Heer’, sluit Paulus af, ‘uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken, zodat uw liefde even overvloedig wordt als onze liefde voor u. Moge de Heer u door die liefde kracht geven, zodat u zuiver en heilig voor onze God en Vader zult staan wanneer onze Heer Jezus komt met al zijn engelen.’

dinsdag 31 augustus 2010

Het draait niet om jou - preek over Lucas 14: 7-14

Voor de lezing, klink hier.

In de doorgaande lezing gaan we door op het thema van vorige week zondag. Toen ging het over de vele mensen die zich in Lucas 13 dichtbij Jezus wanen, maar waarvan Jezus zegt dat zij de smalle poort niet door zullen komen. We hebben toen vastgesteld dat het er niet zozeer om gaat dat Jezus botweg mensen uitkiest en anderen in de steek laat, maar dat het erom gaat of mensen, of wij, met de juiste intentie dichtbij het vuur proberen te zitten. Dat het niet om het er dichtbij zitten gaat, maar om het geloof in wat Jezus te vertellen heeft. Hoe simpel en eenvoudig je geloof misschien ook is. De warmte van het geloof komt anders gezegd van Jezus en niet van onze drukte waarmee we in de weer zijn. Het draait om Jezus.

Met dat thema gaan we verder in een aantal voorbeelden die weer gaan over een gastenlijst. Vorige week hebben we uitgebreid stilgestaan hoe moeilijk het soms kan zijn om voor een groot feest een gastenlijst te maken. En Jezus pakt dat thema op in het vervolg van Lucas, als hijzelf wordt uitgenodigd. In de eerste helft van ons verhaal gaat het erover dat je niet de beste plaatsen vooraan moet kiezen als je ergens uitgenodigd wordt. En Jezus schetst de beschamende vertoning van wat er zou gebeuren als een belangrijker iemand zou komen waarvoor jij dan wordt gevraagd plaats te maken. Tot zover lijkt dit een lesje bescheidenheid. Dat is op zich ook niet verkeerd, maar je zou daaruit de conclusie kunnen trekken dat je beter maar zo ver mogelijk achteraan kunt zitten. En dat doen we in de kerk al genoeg als ik kijk hoe de banken zich vullen. Met de conclusie dat je altijd maar beter achteraan kunt gaan zitten sla je de plank mis. Jezus stelt geen algemene regel. Jezus reageert op wat hij ziet gebeuren op het feest waar hij wordt uitgenodigd. Dat lezen we in vers 7: Hij vertelde de genodigden een gelijkenis, want hij had gezien hoe ze de ereplaatsen voor zichzelf kozen. Jezus reageert dus op wat hij ziet. Evenzo goed had hij mensen aan kunnen spreken op een feest waar iedereen achteraan blijft zitten. Want het gaat Hem niet zozeer om het voor of achteraan zitten, maar om de intentie. Het draait om degene bij wie je te gast bent, en niet om jou. Het gaat er dus niet om dat jij jezelf profileert op een feest als belangrijk, en evenmin om valse bescheidenheid. De moraal van het stuk van vandaag is niet simpel dat de eerste de laatste zal zijn en andersom. Nee, die laatsten kunnen evengoed achteraan gezet worden. Het gaat erom dat het niet om ons draait, overal waar we te gast zijn.

Voor Lucas heeft dat een dubbele laag. Lucas schrijft allereerst een heel sociaal evangelie. Het gaat daarin vaak om menselijke verhoudingen; hoe we met elkaar omgaan. De lezing uit Deuteronomium over hoe we om moeten gaan met vreemdelingen, weduwen en wezen is uit zijn hart gegrepen. En in dit sociale evangelie gaat het vaak over maaltijden en te gast bij elkaar zijn. Dus Lucas schrijft allereerst gewoon over omgangsvormen. Tegelijkertijd is dat een spiegel voor onze omgang met God. Niet voor niets schetst hij hier een bruiloft. De bruiloft is immers het beeld van het moment dat God ons bij zich uitnodigt en alles hier op aarde afgelopen is. Het is een soort beslissingsmoment, waarin het niet meer gaat om onze status, onze kennis of onze prestaties, maar we beoordeeld worden en uitgenodigd worden op onze intenties. Dat betekent: wie we willen zijn voor anderen en voor God. En in dat beeld is des te helderder: het draait niet om ons.

In de tweede helft van ons verhaal wordt dat eens te meer duidelijk. Wanneer wijzelf mensen voor een maaltijd uitnodigen, raadt Jezus ons aan nu eens niet de voor de hand liggende mensen uit te nodigen, maar armen, kreupelen, verlamden en blinden. Het gaat Jezus hier nogmaals niet om algemene regels, en dat je nooit bekenden zou moeten uitnodigen en altijd mensen die je niet kent. Waar het om gaat is dat ook als je gastheer bent het niet om jou zou moeten draaien, maar om de mensen die je uitnodigt. Dus dat je niet mensen uitnodigt, om door hen zo belangrijk te worden gevonden dat zij jou ook weer uitnodigen. Dat jij dus mensen uitnodigt om er iets voor terug te krijgen. En dan gaat het Jezus er niet om dat je geen feest mag houden met mensen waarmee je het leuk hebt, maar het gaat om de diepte van die ontmoetingen. Denk er maar eens aan hoe leeg weer die gastenlijst kan zijn, als je je daarbij ook nog moet bedenken wie je uit moet nodigen omdat jijzelf ook bent uitgenodigd door die ander. Dat gaat dan toch helemaal nergens over? Nee, natuurlijk, ik snap ook wel dat je er niet aan ontkomt soms, maar voel dan ook aan wat Jezus hier bedoelt. Als je mensen uitnodigt omwille van hen; omdat je zegt: ik vind het leuk om dit met jóu te vieren – dan krijg je toch hele andere ontmoetingen? En een heel ander feest? Dan gaat het niet meer om het netwerk dat je aan het onderhouden bent, maar om die mensen die een leuke tijd met jou hebben? En dat is in zichzelf toch voldoende lonend? Dan hoef je toch niet ook nog eens een keer door hen per se te worden uitgenodigd?

Dat bedoelt Jezus met: Dan zult u gelukkig zijn. Natuurlijk heeft dat ook een hemelse dimensie. Maar hemel en aarde gaan zeker bij Lucas in de ethiek, in de omgangsvormen, samen. Die hemel, dat moment waarop we bij God uitgenodigd worden, is een moment dat alles nieuw maakt. Dat alles ontdoet van alle franje en leegte, en alles opnieuw laat beginnen bij de kern.

En hoe kom je die kern, dat nieuwe op het spoor? Niet door je vooraan te dringen dichtbij het vuur. Dan verbrand je je. Dan zit je er te dicht op. Dan zou het zoveel beter zijn om eens afstand te nemen, bescheidener te zijn. Eens niet op de voorste rij te zitten. Wat zou je dan voor nieuws zien?! Dan zou je alle mensen zien die er ook zijn, en waar het eigenlijk om draait. En dat betekent voor ons in de kerk bijvoorbeeld: hoe laten we mensen in de kerk aan het woord komen die nooit aan het woord komen? Er zijn zoveel mensen die zo graag iets zouden willen vertellen over hun verlangens, hun zorgen, hun pijn, hun vreugde. Maar die we simpelweg niet horen, omdat we bezig zijn met onszelf en de mensen die we kennen. En dat is logisch, want dat is al complex genoeg. Er is zoveel te regelen en er zijn al zoveel zorgen bij de mensen die dichtbij het vuur zitten. Maar als je afstand neemt dan zie je dat de schare breder is, en dan vallen die zorgen van een kleine kern misschien nog wel mee. Dan zie je het grote geheel weer, en wat vernieuwend kan dat zijn!

Het is niet makkelijk om de mensen aan het woord te laten die anders nooit aan het woord komen. Allereerst, logischerwijs, omdat we ze niet horen, maar ook omdat je niet weet wat je moet zoeken. En juist daarom moet je bij de deur gaan staan, en er misschien wel buiten om de kerk open te zetten, om te zeggen: het gaat in Jezus’ naam niet om ons maar om jullie. En als we bang zijn niets in handen te hebben dan kruipen we ineen op ons plekje vooraan. Juist door afstand te nemen en achteraan plaats te nemen krijgen we de creativiteit om het vuur te laten gloeien in onze geloofsgemeenschap.

Hoe laat je de mensen aan het woord die anders nooit aan het woord komen? Het is ook de vraag die vandaag de dag in de politiek speelt. Tussen alle mannetjesmakerij en machtpolitiek van wie op het pluche wil zitten en met wie en met wie niet, en tussen al het geschreeuw van prominenten en van nieuwe partijen, gaat het in wezen om de vraag: hoe laten we de gewone man aan het woord die het gevoel heeft nooit aan het woord te komen? Los van standpunten in al zijn extremiteiten gaat het in de kern om die vraag: en die vraag zou leidend moeten zijn in de politiek van vandaag: hoe geef je mensen een stem die het gevoel hebben dat ze niet worden gehoord? En dat moet je niet zelf schreeuwen, dan moet je luisteren!

En dan zult u gelukkig zijn. Hoe kom je nog meer tot de kern van het nieuwe? Door mensen te ontmoeten die je niet kent en omwille van hen. Het bepaalt ons erbij hoe vaak wij bij het koffiedrinken in een kringetje met bekenden staan; of hoezeer wij eraan gehecht zijn dat bepaalde mensen naast ons zitten. Onbekend maakt onbemind. Maar het nieuwe, en de kern waar het om gaat, komt van mensen die iets nieuws te vertellen hebben. Waarvan je niet van tevoren weet wat je aan ze hebt, en ja, misschien helemaal niets. Maar het nieuwe komt je pas toe als je je kringetje openbreekt en de plaats naast je openstelt, of je straks even voorstelt aan degene naast je als je die niet kent. O, het is allemaal zo begrijpelijk dat het zo gaat, maar we laten zoveel liggen. En het leven is zoveel rijker. Wees niet bang. God komt je tegemoet in het nieuwe, en in de nieuwe ander. In een nieuwe ontmoeting kan het vuur weer gaan branden, komen we God op het spoor, en weten we weer waar het om gaat: niet om al onze drukte, maar om een simpele man uit Nazareth.

Jezus is op weg, lezen we vlak voor ons verhaal. Op weg naar Jeruzalem. In dat teken staat het allemaal. En tussen het verhaal van vorige week en vandaag staat een verhaal waarin enige farizeeërs hem tippen vooral weg te gaan, omdat Herodes hem zou willen doden. Ze willen hem wegduwen, maar Jezus blijft op koers naar Jeruzalem. Want in die voornaamste stad komt hem de voornaamste plaats toe. Iedereen wil hem daarvan weghouden, en ook in het verhaal van vandaag houden ze hem in de gaten. Maar hij zet door. De steen die door bouwlieden weggeworpen wordt zou tot hoeksteen worden. Op de plaats waar hij vernederd werd, werd hij verhoogd. De dood, waar ze hem injoegen, werd zijn overwinning. Want het nieuwe komt als al het oude heeft afgedaan. Daarom: wees niet bang. God zal alles nieuw maken, ook jou, nu of later als we zeggen: Gezegend hij die komt in de naam van de Heer.