In de afgelopen maanden heb ik in Waalwijk, Boxmeer, Geertruidenberg, Waalre en Tilburg de onderstaande overweging uitgesproken naar aanleiding van het drama in Noorwegen. Vanwege de vele reacties publiceer ik het opnieuw op mijn blog. Reacties zijn van harte welkom.
Tekst: Spreuken 18: 1 en 2 en Jakobus 3: 1-18
Podcast/geluidsfragment (bij 7 augustus)
Kun je werkelijk alles zeggen?
Kun je werkelijk alles zeggen, zonder dat dat consequenties heeft?
Kun je werkelijk alles zeggen, en de verantwoordelijkheid voor wat andere mensen met je woorden doen volledig bij hen laten?
U begrijpt, de aanleiding voor die vraag ligt in de verschrikkelijke gebeurtenissen in Noorwegen. Hoezeer de man zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen daden en alleen handelde, zijn ideologie van een kruistocht tegen de Islam staat niet op zichzelf.
Het gaat mij er vanmorgen niet om iets te zeggen over deze ideologie en politieke stromingen die daarop zijn gebaseerd. Bij elke extremistische daad rijst deze vraag, of de daad werkelijk helemaal op zichzelf staat, of dat de dader is gevoed door woorden van anderen. Daarmee is hij nog steeds volledig verantwoordelijk voor zijn eigen daden. Maar zijn daad staat dan niet helemaal los van de sfeer of een klimaat in de wereld om hem heen.
Dat is moeilijk te verkroppen. We zetten het liefst een extremist buiten de deur en willen er niets mee te maken hebben. Maar we moeten eerlijk zijn en kijken in onszelf hoe zo’n daad heeft kunnen gebeuren in onze Europese samenleving. Het gaat hierbij om een belangrijk christelijk beginsel. In de beantwoording van de vraag hoe het kwaad in de wereld kon bestaan, heeft de vroeg christelijke kerk stelling genomen tegen de gnostiek. Deze beweging beschouwde de onvolmaakte wereld waarin wij leven als de schepping van een lagere godheid, terwijl de hogere God van liefde, die van het Nieuwe Testament, ons daar als het ware bovenuit moest tillen. Met andere woorden: als gelovige bevindt zich het kwaad dan buiten je. De vroege kerk nam daar stelling tegen: nee, het kwaad zit in onszelf. Dat is moeilijk te verkroppen, en daarom hebben wij ook verlossing nodig, maar het zit er. Hoeveel we ook goed proberen te doen, er mislukken dingen en de wereld blijft onvolmaakt. Maar het is deze wereld waarin, en niet waaruit, we verlost worden. Dus, terugkerend naar ons onderwerp, je kunt je er niet zo makkelijk vanaf maken door te zeggen dat dit extremisme buiten onze samenleving staat. We kunnen niet zeggen: het kwaad geschiedde buiten ons, nee, het gebeurde ín onze samenleving. En dat betekent dat ook al hebben we er helemaal niets mee, we moeten er wel iets mee.
En wat we ermee moeten cirkelt rondom de vraag: kun je werkelijk alles zeggen? Die vraag laat zich in het huidige debat moeilijk stellen. Het is bijna taboe. Als je vraagt of woorden geen consequenties hebben, dan laad je bijna de verdenking op je dat je zou zeggen dat anderen medeverantwoordelijk zijn voor zo’n verschrikkelijk daad. Maar daar gaat het niet om. Waar het om gaat is dat we zien dát woorden consequenties hebben. Mensen doen wat met woorden die anderen zeggen. En woorden die mensen zeggen doen andere mensen wat. De vraag is of de vrijheid van meningsuiting hetzelfde is als de vrijheid om alles te kunnen zeggen. Je mag alles vinden, dat staat buiten kijf. Maar is het verantwoordelijk om alles maar te zeggen?
Waar het mij vanmorgen om gaat is dat je weliswaar alles mag zeggen, maar dat je wel verantwoordelijkheid moet dragen voor wat je zegt. En dus mag je weliswaar alles zeggen, maar je kunt niet alles zeggen. Daarom zegt Jakobus ook dat leraren een strenger oordeel staat te wachten. Omdat wat ze zeggen consequenties heeft. En daar moeten ze zich goed bewust van zijn. Je kunt niet zomaar je eigen mening verkondigen, als die niet is gestoeld op inzicht in waar je over praat. Spreuken heeft gelijk als de dichter zegt: ‘Een zelfzuchtig iemand volgt alleen zijn eigen wil, hij gaat de strijd met alle wijsheid aan. Een dwaas is niet geïnteresseerd in inzicht, hij wil alleen zijn eigen mening kwijt.’
Soms heb ik het gevoel dat de vrijheid van meningsuiting gedegradeerd wordt tot een vuilnisemmer. Waarin iedereen maar zijn eigen mening kwijt moet kunnen. Los van wijsheid en van inzicht. Om de een of andere reden zijn we de vrijheid van meningsuiting gaan opvatten als iets dat volledig op zichzelf bestaat en waarvoor alles en iedereen moet wijken. Maar daar is de vrijheid van meningsuiting niet voor bedoeld. Het is niet de vrijheid van de speeltuin waarin alles mag, maar de volwassen vrijheid met een volwassen verantwoordelijkheid, waarin niet alles kan. We leven niet op onszelf, noch kunnen we zomaar van alles roepen over anderen.
Maar we doen het wel. En mensen zijn verontwaardigd als ze beknot worden in hun vrijheid. Maar het is opvallend dat mensen evenzeer verontwaardigd zijn als ze zelf onderwerp of lijdend voorwerp zijn van diezelfde vrijheid van meningsuiting. De toon in het maatschappelijk debat verhardt. We willen zelf alles kunnen zeggen, maar willen niet dat alles gezegd kan worden.
Nu zou dat niet eens zo erg zijn, als we er met elkaar over zouden kunnen praten. Maar juist dat lijkt in toenemende mate onmogelijk te zijn. De vrijheid die mensen nemen om hun eigen mening te kunnen zeggen, gaat niet gepaard met het nemen van verantwoordelijkheid voor het maatschappelijk debat. Een goed debat is een symfonie van een stem en een tegenstem, maar nu klinkt alles door elkaar. En de dirigent krijgt de schuld als het wordt stilgelegd. Wat is er toch aan de hand? ? Ik denk dat het antwoord hierin zit, dat ongemerkt er een sterke ideologisering plaatsvindt van de verschillende standpunten. Een ideologie is een compleet plaatje van de werkelijkheid. Over hoe we in de geschiedenis gekomen zijn tot nu en de problematiek van nu, hoe de verschillende groepen in de samenleving zich tot elkaar verhouden, en wat de gevaren en uitdagingen zijn voor de toekomst. Het mooie van een ideologie is dat je een compleet verhaal hebt. Het nadeel is dat dat hele verhaal niet meer op onderdelen is de bediscussiëren. Dit is het verhaal, punt uit. Ik merk in toenemende mate dat mensen niet meer in staat zijn kritisch naar hun eigen verhaal en uitgangspunten te kijken. En dat ze niet gehinderd door enige bredere kennis, aan hun eigen verhaal vasthouden als de complete werkelijkheid. Ze denken de wijsheid in pacht te hebben.
En daar waarschuwt Jakobus tegen. ‘Wie van u kan wijs en verstandig genoemd worden? Laat hij het daadwerkelijk bewijzen door een onberispelijk leven en door wijze zachtmoedigheid.’ Jakobus is de schrijver in de bijbel van ‘geen woorden maar daden’. Draai hem overigens niet om. Zeg niet dat hij bedoeld dat als je je maar fatsoenlijk gedraagt, je alles mag zeggen. Nee, in beide is wijsheid geboden. Dezelfde wijsheid die Spreuken stelt tegenover het zomaar verkondigen van je eigen mening zonder inzicht. En wijsheid komt niet van beneden, maar van boven. En als wij denken dat we zelf de wijsheid in pacht hebben, dan heeft de Waarheid het nakijken. Wie van ons kan wijs en verstandig genoemd worden? Laten we ons voor alles concentreren op een onberispelijk leven en wijze zachtmoedigheid. Niet geleid worden door jaloezie en egoïsme, maar vredelievend zijn, mild en meegaand.
Moeten we dan niet zeggen waar het op staat en kritisch naar de wereld kijken? Natuurlijk wel. Ook dat is verantwoordelijk zijn. Maar nooit vanuit onze eigen wijsheid, maar in openheid naar de Waarheid, alles onderzoekend en het goede behoudend. Niet gestoeld op meningen, maar op feiten. Want anders komt er helemaal geen vrede, maar iets anders dat zich nu al aan lijkt te dienen: een ideologische strijd. Een strijd tussen partijen die elkaar geen ruimte meer laten, die geen boodschap meer hebben aan elkaar, maar elkaar wel alles zeggen, waardoor de samenleving verhardt, geslotener wordt, en waardoor we de Waarheid verliezen. Dat staat er op het spel, en daarmee niet minder Jezus Christus zelf, die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Voor ons, voor elkaar en voor de toekomst.
dinsdag 1 november 2011
Tweede preek over 1 Thessalonicenzen: 'Liefde is onbaatzuchtig'
Tekst: Jesaja 45: 1-7, 1 Thessalonicenzen 2: 1-8 en Mattheüs 22: 15-22
Podcast/geluidsfragment
Wat baat het ons dat we geloven? Wat baat het ons dat we ons voor ons geloof inzetten? Dat we onze kinderen daarover vertellen? Dat we onze kerk aantrekkelijk proberen te houden of te maken? Wat baat het ons dat we geloven?
Het is niet zo’n voor hand liggende vraag om te stellen over het geloof. Maar toch is hij voorstelbaar in een wereld die van alle inspanningen en investeringen kosten- en batenanalyses maakt. Daarin is het onvoorstelbaar dat je een investering zou doen die meer kost dan hij oplevert. Dat je je zou inspannen om werkelijk niets ervoor terug te krijgen, zelfs niet een vermelding op je CV. Dan laad je al gauw de verdenking op je een verborgen agenda te hebben. Geloof laat zich echter niet langs de meetlat leggen van kosten en baten, al moeten ook wij ons verantwoorden over onze inspanningen ten opzichte van de ledenaantallen en financiële positie van onze kerk.
Paulus legt daarover een getuigenis af in het stuk van de eerste Thessalonicenzenbrief dat wij vandaag lezen. Het bezoek aan Thessalonica is niet tevergeefs geweest, stelt Paulus, maar het heeft hem en zijn reisgenoten wel veel gekost. Hij herinnert aan mishandelingen en beledigingen die ze eerder in Filippi ondergingen. Ze zijn niet de makkelijke weg gegaan. Maar ook in hun verkondiging van hun boodschap zijn ze niet de makkelijkste weg gegaan. Ik wilde haast zeggen: in het verkopen van hun boodschap. Want dat is een woord dat past bij de taal van de kosten- en batenanalyse. Paulus verkoopt niet, hij verkondigt. Omdat het hem niet gaat om de baten, ook niet in relatie tot de kosten, maar om de goede boodschap zelf. Hij zegt nooit mensen naar de mond te hebben gepraat. Ook waren zijn woorden nooit een dekmantel voor hebzucht. Nee, sterker nog, hij wil alle schijn vermijden dat het hem om een beloning te doen is. En daarom zegt hij dat ‘we als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden’, maar dat ze dat niet gedaan hebben. Bedoeld is hier letterlijk dat ze geen geld wilden ontvangen voor hun diensten, noch dat ze in hun onderhoud werden voorzien. Nee, sterker nog, hij toont zich financieel helemaal onafhankelijk, door zelf te werken voor zijn onderhoud. In vers 9 staat: ‘U herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen om niemand van u tot last te zijn.’ Van Paulus gaat het verhaal dat hij tentenmaker was, maar meer specifiek was hij leerlooier van geitenleer, dat in die streek gebruikt werd, waarvan sandalen, zakken en ook tentdoeken van kon worden gemaakt.
Het hele betoog van Paulus is er dus op gericht te laten zien dat hij zonder winstoogmerk zich inzette voor de verkondiging van de goede boodschap. Misschien om zich te verdedigen tegen mensen die geloven dat ze een verborgen agenda hadden, of zelfs tegen mensen die het er moeilijk mee hadden dat Paulus en de zijnen zo lang zijn weggebleven en niet terugkwamen naar Thessalonica. Dat de situatie in Thessalonica hen verder onverschillig zou hebben gelaten. Dat ze zouden denken dat er voor hen niets meer te halen zou zijn.
Niets is minder waar. Paulus zegt in vers 3: ‘Onze oproep berust niet op een dwaling, op oneerlijkheid of bedrog. Wij spreken alleen omdat God ons daartoe waardig heeft gekeurd en ons het evangelie heeft toevertrouwd – niet om mensen te behagen, maar God, die de mensen doorgrondt.’ Het ging hen dus om God. En daar haalden ze ook hun vertrouwen vandaan en hun moed. God is hun drijvende kracht. En, zegt hij later, hun getuige. Het ging hen om God, en het ging hen om de mensen, en niets ertussenin, zijzelf al helemaal niet. ‘In die gezindheid, vol liefde voor u, waren we niet alleen bereid u te laten delen in Gods evangelie, maar ook in ons eigen leven.’ Onverschilligheid? Helemaal niet! Of er voor hen niets meer te halen viel? Dat is nooit een overweging geweest! Ze lieten de mensen zelfs delen in hun eigen leven, en wilden in hun verkondiging niet tussen God en mens instaan.
Wat baat het om te geloven? Diezelfde vraag kwam ook op Jezus af. De verleiding was groot in Jezus’ tijd om de prestigestrijd aan te gaan met de Romeinse bezetter. En dat was in de tijd dat Mattheüs zijn evangelie schreef alleen nog maar erger. De tempel was toen verwoest en de Romeinse bezetter was overal aanwezig. Zal Jezus zwichten voor de verleiding op te staan tegen de keizer en zo zijn geloof te gelde proberen te maken? De inleiding op de vraag van de Farizeeën en Herodianen is al heel geraffineerd: net zoals Paulus zichzelf en de zijnen omschrijft als oprecht en dat hij niemand naar de mond praat, benadrukken de vragenstellers hier dat ze geloven dat Jezus niemand naar de ogen kijkt. Dan zouden ze toch eigenlijk moeten weten wat Jezus gaat antwoorden als ze vragen: is het toegestaan om belasting te betalen aan de keizer? Het antwoord dat Jezus geeft is: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’
Wat doet Jezus hier? Wend hij zich helemaal van de staat af en brengt hij een scheiding aan tussen geloof en staat? Nee, in het geheel niet! De belastingmunt die hij te zien krijgt raakt hem in de kern van zijn geloof en verkondiging. Daar staat op in die tijd ‘Keizer Tiberius, goddelijke zoon van de verheven god Augustus, hogepriester.’ Jezus houdt zich verre van het geld omdat het hem niets dan ellende zou opleveren: als hij had gezegd dat je geen belasting zou moeten betalen dan hadden de Herodianen hem beschuldigd van opruiing tegen de bezetter en de Farizeeën hadden hem beschuldigd dat hij de spreuk op de munt over de goddelijkheid van de keizer had onderschreven. Nee, Jezus doet iets waarmee hij echt zijn oprechtheid laat zien en dat hij mensen niet naar de mond praat. Het gaat hem niet om hemzelf, maar om God. Geef aan God wat God toebehoort. Die zagen ze niet aankomen. Van verbazing vallen ze stil. En eigenlijk is het jammer dat Jezus niet verder om uitleg wordt gevraagd.
Als we tot slot Jesaja lezen, dan snappen we wat Jezus bedoelde. Hier zegt God tegen de gezalfde heidense koning Cyrus: “Ik ben de Heer, er is geen ander, buiten mij is er geen god. Ik heb je omgord met wapens, ofschoon je me niet kende. Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten mij.” Wil je zuiver in je taak voor God staan, dan moet daar niets tussen staan. Want er is niets buiten God. Geen macht, geen aanzien, geen geld. Geloof baat niet in die zin. Het is gewoon het geloof dat in zichzelf al zo’n enorme kracht heeft dat het al het andere overbodig maakt. Liefde hoeft niet beloond te worden, en zeker niet de liefde van God, aan wie alles toebehoort. Liefde gebeurt en is onbaatzuchtig, ook onvoorwaardelijk. En alleen zo, zonder baten en voorwaarden, komt de ware liefde, en de ware goede boodschap aan het licht.
Podcast/geluidsfragment
Wat baat het ons dat we geloven? Wat baat het ons dat we ons voor ons geloof inzetten? Dat we onze kinderen daarover vertellen? Dat we onze kerk aantrekkelijk proberen te houden of te maken? Wat baat het ons dat we geloven?
Het is niet zo’n voor hand liggende vraag om te stellen over het geloof. Maar toch is hij voorstelbaar in een wereld die van alle inspanningen en investeringen kosten- en batenanalyses maakt. Daarin is het onvoorstelbaar dat je een investering zou doen die meer kost dan hij oplevert. Dat je je zou inspannen om werkelijk niets ervoor terug te krijgen, zelfs niet een vermelding op je CV. Dan laad je al gauw de verdenking op je een verborgen agenda te hebben. Geloof laat zich echter niet langs de meetlat leggen van kosten en baten, al moeten ook wij ons verantwoorden over onze inspanningen ten opzichte van de ledenaantallen en financiële positie van onze kerk.
Paulus legt daarover een getuigenis af in het stuk van de eerste Thessalonicenzenbrief dat wij vandaag lezen. Het bezoek aan Thessalonica is niet tevergeefs geweest, stelt Paulus, maar het heeft hem en zijn reisgenoten wel veel gekost. Hij herinnert aan mishandelingen en beledigingen die ze eerder in Filippi ondergingen. Ze zijn niet de makkelijke weg gegaan. Maar ook in hun verkondiging van hun boodschap zijn ze niet de makkelijkste weg gegaan. Ik wilde haast zeggen: in het verkopen van hun boodschap. Want dat is een woord dat past bij de taal van de kosten- en batenanalyse. Paulus verkoopt niet, hij verkondigt. Omdat het hem niet gaat om de baten, ook niet in relatie tot de kosten, maar om de goede boodschap zelf. Hij zegt nooit mensen naar de mond te hebben gepraat. Ook waren zijn woorden nooit een dekmantel voor hebzucht. Nee, sterker nog, hij wil alle schijn vermijden dat het hem om een beloning te doen is. En daarom zegt hij dat ‘we als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden’, maar dat ze dat niet gedaan hebben. Bedoeld is hier letterlijk dat ze geen geld wilden ontvangen voor hun diensten, noch dat ze in hun onderhoud werden voorzien. Nee, sterker nog, hij toont zich financieel helemaal onafhankelijk, door zelf te werken voor zijn onderhoud. In vers 9 staat: ‘U herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen om niemand van u tot last te zijn.’ Van Paulus gaat het verhaal dat hij tentenmaker was, maar meer specifiek was hij leerlooier van geitenleer, dat in die streek gebruikt werd, waarvan sandalen, zakken en ook tentdoeken van kon worden gemaakt.
Het hele betoog van Paulus is er dus op gericht te laten zien dat hij zonder winstoogmerk zich inzette voor de verkondiging van de goede boodschap. Misschien om zich te verdedigen tegen mensen die geloven dat ze een verborgen agenda hadden, of zelfs tegen mensen die het er moeilijk mee hadden dat Paulus en de zijnen zo lang zijn weggebleven en niet terugkwamen naar Thessalonica. Dat de situatie in Thessalonica hen verder onverschillig zou hebben gelaten. Dat ze zouden denken dat er voor hen niets meer te halen zou zijn.
Niets is minder waar. Paulus zegt in vers 3: ‘Onze oproep berust niet op een dwaling, op oneerlijkheid of bedrog. Wij spreken alleen omdat God ons daartoe waardig heeft gekeurd en ons het evangelie heeft toevertrouwd – niet om mensen te behagen, maar God, die de mensen doorgrondt.’ Het ging hen dus om God. En daar haalden ze ook hun vertrouwen vandaan en hun moed. God is hun drijvende kracht. En, zegt hij later, hun getuige. Het ging hen om God, en het ging hen om de mensen, en niets ertussenin, zijzelf al helemaal niet. ‘In die gezindheid, vol liefde voor u, waren we niet alleen bereid u te laten delen in Gods evangelie, maar ook in ons eigen leven.’ Onverschilligheid? Helemaal niet! Of er voor hen niets meer te halen viel? Dat is nooit een overweging geweest! Ze lieten de mensen zelfs delen in hun eigen leven, en wilden in hun verkondiging niet tussen God en mens instaan.
Wat baat het om te geloven? Diezelfde vraag kwam ook op Jezus af. De verleiding was groot in Jezus’ tijd om de prestigestrijd aan te gaan met de Romeinse bezetter. En dat was in de tijd dat Mattheüs zijn evangelie schreef alleen nog maar erger. De tempel was toen verwoest en de Romeinse bezetter was overal aanwezig. Zal Jezus zwichten voor de verleiding op te staan tegen de keizer en zo zijn geloof te gelde proberen te maken? De inleiding op de vraag van de Farizeeën en Herodianen is al heel geraffineerd: net zoals Paulus zichzelf en de zijnen omschrijft als oprecht en dat hij niemand naar de mond praat, benadrukken de vragenstellers hier dat ze geloven dat Jezus niemand naar de ogen kijkt. Dan zouden ze toch eigenlijk moeten weten wat Jezus gaat antwoorden als ze vragen: is het toegestaan om belasting te betalen aan de keizer? Het antwoord dat Jezus geeft is: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’
Wat doet Jezus hier? Wend hij zich helemaal van de staat af en brengt hij een scheiding aan tussen geloof en staat? Nee, in het geheel niet! De belastingmunt die hij te zien krijgt raakt hem in de kern van zijn geloof en verkondiging. Daar staat op in die tijd ‘Keizer Tiberius, goddelijke zoon van de verheven god Augustus, hogepriester.’ Jezus houdt zich verre van het geld omdat het hem niets dan ellende zou opleveren: als hij had gezegd dat je geen belasting zou moeten betalen dan hadden de Herodianen hem beschuldigd van opruiing tegen de bezetter en de Farizeeën hadden hem beschuldigd dat hij de spreuk op de munt over de goddelijkheid van de keizer had onderschreven. Nee, Jezus doet iets waarmee hij echt zijn oprechtheid laat zien en dat hij mensen niet naar de mond praat. Het gaat hem niet om hemzelf, maar om God. Geef aan God wat God toebehoort. Die zagen ze niet aankomen. Van verbazing vallen ze stil. En eigenlijk is het jammer dat Jezus niet verder om uitleg wordt gevraagd.
Als we tot slot Jesaja lezen, dan snappen we wat Jezus bedoelde. Hier zegt God tegen de gezalfde heidense koning Cyrus: “Ik ben de Heer, er is geen ander, buiten mij is er geen god. Ik heb je omgord met wapens, ofschoon je me niet kende. Zo zal iedereen, van oost tot west, weten dat er niets is buiten mij.” Wil je zuiver in je taak voor God staan, dan moet daar niets tussen staan. Want er is niets buiten God. Geen macht, geen aanzien, geen geld. Geloof baat niet in die zin. Het is gewoon het geloof dat in zichzelf al zo’n enorme kracht heeft dat het al het andere overbodig maakt. Liefde hoeft niet beloond te worden, en zeker niet de liefde van God, aan wie alles toebehoort. Liefde gebeurt en is onbaatzuchtig, ook onvoorwaardelijk. En alleen zo, zonder baten en voorwaarden, komt de ware liefde, en de ware goede boodschap aan het licht.
Eerste preek 1 Thessalonicenzen (2 oktober): Bemoedigende dankbaarheid
Tekst: Jesaja 25: 1-9, 1 Thessalonicenzen 1: 1-10 en Mattheüs 22: 1-14
Podcast/geluidsfragment
Het bijbelleesrooster voor onze erediensten neemt ons tot het einde van het kerkelijk jaar mee in de eerste brief aan de Thessalonicenzen. Een brief, waar niet vaak uit gepreekt wordt, en niet zonder reden. Het is niet een heel sprekende brief. Hij is bovendien een beetje vaag en lijkt ons in onze tijd niet zoveel te zeggen te hebben. De vermaningen zijn erg algemeen en de problemen die hij aansnijdt lijken niet de problemen te zijn waar wij het meest mee worstelen. Toch is het een interessante brief, ook om te lezen in deze tijd van het kerkelijk jaar. Misschien zelfs wel meer dan in andere tijden in het verleden.
Laten we bij deze brief eerst even kijken naar de afzender en de poststempel. De afzender maakt zich bekend in de eerste regel. Paulus is de schrijver van de brief. En hij schrijft in meervoud. En dat is ook een echt meervoud. Daaronder vallen ook Silvanus en Timoteüs; ja, diegene aan wie die twee andere brieven aan gericht zijn. Maar die zijn van later datum. Want deze eerste brief aan de Thessalonicenzen is de oudste brief, en daarmee het oudste bijbelboek van het Nieuwe Testament. De poststempel zal om en nabij het jaar 50 hebben aangegeven. Alle evangeliën, Handelingen en Openbaringen, en alle andere brieven zijn van later datum.
Dat op zich maakt de brief al interessant. Het christendom is heel jong nog. Het heeft zich nog geen plek verworven en staat nog heel onzeker in de startblokken. Het geloof is nog zo’n onvanzelfsprekend verschijnsel dat het heel moeilijk is om het geloof in praktijk te brengen. Want de omgeving is heel vijandig. Voor hun aankomst in Thessalonica indertijd zijn Paulus en de zijnen mishandeld in Filippi. De boodschap die Paulus en de zijnen brachten werd als ondermijnend ervaren. Zowel door Grieken als door Joden. En christenen waren geen allochtonen die van buiten kwamen – dat waren ook Grieken en Joden. En deze tot christen bekeerden Grieken en Joden keerden zich dus tegen de waarden van hun eigen groep. En in de Griekse samenleving werden ze daarom ook als gevaarlijk betiteld. Wanneer een groep niet de waarden onderschrijft van een samenleving, dan voelt de samenleving zich gauw onveilig. Zeker als dat ook nog eens de macht van de machthebbers aantast. Christenen waren in zekere zin ongrijpbaar. Omdat ze zich met hun geloof in de ene God losmaken van het veelgodendom. Met hun gehoorzaamheid aan God maken ze zich los van hun absolute gehoorzaamheid aan de keizer. Met hun menslievendheid hadden ze niet de hardheid die de norm was. Ze keken in hun geloof, hoop en liefde, buiten de samenleving en de geijkte paden. Ze zeiden met hun geloof eigenlijk tegen hun samenlevingsgenoten: het is niet te vinden in waar jullie je allemaal aan vasthouden. Niet in het geloof in de goden waarmee je controle wilt houden over het leven, noch in de heerschappij van het Romeinse Rijk. Een interessante tijd dus, die misschien wel meer overeenkomsten heeft met de onze. Niet in de angst voor vervolging, wel wanneer je merkt dat het geloof verder reikt dan wat we in onze samenleving kunnen verwerven. En dat het geloof verder reikt dan politieke keuzen, omdat het geloof zich niet in het hier en nu laat vastleggen. Dat maakt geloof ook vaak ongrijpbaar, omdat het niet past in het plaatje links-rechts of conservatief-progressief of rijk-arm of uitbundig-sober of wat je ook maar tegenover elkaar zou kunnen zetten. En dat is voor mensen die met gelovigen te maken krijgen soms om gek van te worden. Hoezeer geloofsrichtingen ook cultuurrichtingen kunnen worden en wel voorspelbaar kunnen worden, het geloof is dat in zijn diepste wezen niet. Altijd onverwacht, altijd een omkering van wat mensen verwachten. Gelovigen stellen hun zekerheid niet in deze wereld, maar in God. En dat maakt ons in zekere zin een beetje wereldvreemd – en dat is een geuzennaam.
In deze setting krijgen we de brief te lezen. En die heeft een opvallende toon; die van dankbaarheid. En dat is wel opvallend. De hele brief blijft die toon vasthouden. En dat, terwijl we zo gewend zijn uit de brieven dat er behoorlijk fel van leer getrokken wordt tegen bepaalde tendensen en meningen. Maar hier niet. Zo dadelijk wil ik iets over die dankbaarheid zeggen, maar eerst over de reden daarvan. Behalve datgene waar de apostel dankbaar voor is, heeft hij nog een andere motivatie. Dat is namelijk dat hij de mensen in Thessalonica wil bemoedigen. Behalve de vijandigheid speelt in deze jonge christelijke gemeenschap nog iets anders. Men leeft in een snelle toekomstverwachting. Jezus zal snel terugkomen. En een deel van hun motivatie om als goede gelovigen te leven is dat het er nu op aankomt. Maar dat betekent ook dat men erg onzeker wordt als Jezus’ terugkomst uitblijft en geloofsgenoten wel sterven. Het alom aanwezige heidense geloof dat sterfgevallen een oordeel van de goden betekenen over de nabestaanden, zit er nog diep in. Is hun geloof wel goed genoeg? Geloven we te midden van onze samenleving en onze niet-gelovige kennissen, collega’s, vrienden en familieleden wel genoeg? Nemen we ons geloof zelf wel voldoende serieus? Goede zelfkritische vragen, maar ze kunnen ook verlammend werken. En wat Paulus nu zegt in zijn dankbaarheid is: we mogen dankbaar zijn dat we zo met elkaar kunnen geloven. Hou vol! Ook als je het gevoel hebt dat het geloof alleen maar minder wordt. Maar dan niet in negatieve zin, maar in positieve zin. In dat volhardende geloof zit een enorme kracht die boven ons uit stijgt. Paulus verwijst naar Macedonië en Achaje, en ver daarbuiten. Hou vol, het geloof blijft inspireren; het heeft een enorme kracht in zich.
En daar is Paulus dankbaar voor. En die dankbaarheid richt zich niet alleen tot de gelovigen in Thessalonica. Die richt zich gek genoeg ook op hemzelf en zijn partners. Een zin als ‘U weet hoeveel wij voor u betekend hebben toen we in uw midden waren’ klinkt op zichzelf als een vraag om zelfbevestiging, maar Paulus bedoelt iets anders. Voor deze zin staat: ‘onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest.’ De bemoediging die in de dankbaarheid doorklinkt slaat dus op de beleving van Paulus dat niet alleen zijn verhaal en dat van zijn partners goed is aangeslagen, maar dat het een soort beweging op gang heeft gebracht, omdat de Geest van God er de spirit aan heeft gegeven. Zo zijn ze alle drie actief: de Thessalonicenzen, Paulus en de zijnen, én God. Het komt de gelovigen niet aanwaaien. Ze moeten er zelf ook wat voor doen. Maar in een andere zin komt het hen wel aanwaaien. De Geest vuurt de apostel en de zijnen aan met een verhaal dat aanslaat onder de gelovigen en kracht geeft. En dat alles omdat God het begonnen is. Wat dat staat nog voor het vers dat we zojuist lazen: ‘God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat hij u heeft uitgekozen.’
Waar halen we de moed vandaan om te blijven geloven? Die moed halen we hieruit dat God iets met ons begonnen is. Hij geeft ons inspiratie door zijn Geest. En hij doet dat in het praten met elkaar over het geloof, het horen en lezen over het geloof en de bijbel, in het omzien naar elkaar. En als wij actief blijven in het geloof, op talloze manieren, dan zal dat vuur blijven branden. Niet door ons, maar wel voor ons. Het hangt niet van ons af, maar het staat of valt wel met of wij aangevuurd willen worden. Zo niet, dan is het een verloren zaak. Zo wel, dan kan de kracht enorme dingen teweeg brengen, waar we dankbaar voor mogen zijn. Voor elkaar, voor onszelf, en voor God.
Zo is de dankbaarheid van Paulus geen borstklopperij, en ook geen schouderklopperij, maar een bemoedigend arm op de gemeente heen. God ziet naar zijn gemeente om. Hij heeft ons lief. Zo houden wij het uit met alles wat het geloof weerspreekt. En kunnen we in hoopvolle verwachting blijven leven en geloven.
Podcast/geluidsfragment
Het bijbelleesrooster voor onze erediensten neemt ons tot het einde van het kerkelijk jaar mee in de eerste brief aan de Thessalonicenzen. Een brief, waar niet vaak uit gepreekt wordt, en niet zonder reden. Het is niet een heel sprekende brief. Hij is bovendien een beetje vaag en lijkt ons in onze tijd niet zoveel te zeggen te hebben. De vermaningen zijn erg algemeen en de problemen die hij aansnijdt lijken niet de problemen te zijn waar wij het meest mee worstelen. Toch is het een interessante brief, ook om te lezen in deze tijd van het kerkelijk jaar. Misschien zelfs wel meer dan in andere tijden in het verleden.
Laten we bij deze brief eerst even kijken naar de afzender en de poststempel. De afzender maakt zich bekend in de eerste regel. Paulus is de schrijver van de brief. En hij schrijft in meervoud. En dat is ook een echt meervoud. Daaronder vallen ook Silvanus en Timoteüs; ja, diegene aan wie die twee andere brieven aan gericht zijn. Maar die zijn van later datum. Want deze eerste brief aan de Thessalonicenzen is de oudste brief, en daarmee het oudste bijbelboek van het Nieuwe Testament. De poststempel zal om en nabij het jaar 50 hebben aangegeven. Alle evangeliën, Handelingen en Openbaringen, en alle andere brieven zijn van later datum.
Dat op zich maakt de brief al interessant. Het christendom is heel jong nog. Het heeft zich nog geen plek verworven en staat nog heel onzeker in de startblokken. Het geloof is nog zo’n onvanzelfsprekend verschijnsel dat het heel moeilijk is om het geloof in praktijk te brengen. Want de omgeving is heel vijandig. Voor hun aankomst in Thessalonica indertijd zijn Paulus en de zijnen mishandeld in Filippi. De boodschap die Paulus en de zijnen brachten werd als ondermijnend ervaren. Zowel door Grieken als door Joden. En christenen waren geen allochtonen die van buiten kwamen – dat waren ook Grieken en Joden. En deze tot christen bekeerden Grieken en Joden keerden zich dus tegen de waarden van hun eigen groep. En in de Griekse samenleving werden ze daarom ook als gevaarlijk betiteld. Wanneer een groep niet de waarden onderschrijft van een samenleving, dan voelt de samenleving zich gauw onveilig. Zeker als dat ook nog eens de macht van de machthebbers aantast. Christenen waren in zekere zin ongrijpbaar. Omdat ze zich met hun geloof in de ene God losmaken van het veelgodendom. Met hun gehoorzaamheid aan God maken ze zich los van hun absolute gehoorzaamheid aan de keizer. Met hun menslievendheid hadden ze niet de hardheid die de norm was. Ze keken in hun geloof, hoop en liefde, buiten de samenleving en de geijkte paden. Ze zeiden met hun geloof eigenlijk tegen hun samenlevingsgenoten: het is niet te vinden in waar jullie je allemaal aan vasthouden. Niet in het geloof in de goden waarmee je controle wilt houden over het leven, noch in de heerschappij van het Romeinse Rijk. Een interessante tijd dus, die misschien wel meer overeenkomsten heeft met de onze. Niet in de angst voor vervolging, wel wanneer je merkt dat het geloof verder reikt dan wat we in onze samenleving kunnen verwerven. En dat het geloof verder reikt dan politieke keuzen, omdat het geloof zich niet in het hier en nu laat vastleggen. Dat maakt geloof ook vaak ongrijpbaar, omdat het niet past in het plaatje links-rechts of conservatief-progressief of rijk-arm of uitbundig-sober of wat je ook maar tegenover elkaar zou kunnen zetten. En dat is voor mensen die met gelovigen te maken krijgen soms om gek van te worden. Hoezeer geloofsrichtingen ook cultuurrichtingen kunnen worden en wel voorspelbaar kunnen worden, het geloof is dat in zijn diepste wezen niet. Altijd onverwacht, altijd een omkering van wat mensen verwachten. Gelovigen stellen hun zekerheid niet in deze wereld, maar in God. En dat maakt ons in zekere zin een beetje wereldvreemd – en dat is een geuzennaam.
In deze setting krijgen we de brief te lezen. En die heeft een opvallende toon; die van dankbaarheid. En dat is wel opvallend. De hele brief blijft die toon vasthouden. En dat, terwijl we zo gewend zijn uit de brieven dat er behoorlijk fel van leer getrokken wordt tegen bepaalde tendensen en meningen. Maar hier niet. Zo dadelijk wil ik iets over die dankbaarheid zeggen, maar eerst over de reden daarvan. Behalve datgene waar de apostel dankbaar voor is, heeft hij nog een andere motivatie. Dat is namelijk dat hij de mensen in Thessalonica wil bemoedigen. Behalve de vijandigheid speelt in deze jonge christelijke gemeenschap nog iets anders. Men leeft in een snelle toekomstverwachting. Jezus zal snel terugkomen. En een deel van hun motivatie om als goede gelovigen te leven is dat het er nu op aankomt. Maar dat betekent ook dat men erg onzeker wordt als Jezus’ terugkomst uitblijft en geloofsgenoten wel sterven. Het alom aanwezige heidense geloof dat sterfgevallen een oordeel van de goden betekenen over de nabestaanden, zit er nog diep in. Is hun geloof wel goed genoeg? Geloven we te midden van onze samenleving en onze niet-gelovige kennissen, collega’s, vrienden en familieleden wel genoeg? Nemen we ons geloof zelf wel voldoende serieus? Goede zelfkritische vragen, maar ze kunnen ook verlammend werken. En wat Paulus nu zegt in zijn dankbaarheid is: we mogen dankbaar zijn dat we zo met elkaar kunnen geloven. Hou vol! Ook als je het gevoel hebt dat het geloof alleen maar minder wordt. Maar dan niet in negatieve zin, maar in positieve zin. In dat volhardende geloof zit een enorme kracht die boven ons uit stijgt. Paulus verwijst naar Macedonië en Achaje, en ver daarbuiten. Hou vol, het geloof blijft inspireren; het heeft een enorme kracht in zich.
En daar is Paulus dankbaar voor. En die dankbaarheid richt zich niet alleen tot de gelovigen in Thessalonica. Die richt zich gek genoeg ook op hemzelf en zijn partners. Een zin als ‘U weet hoeveel wij voor u betekend hebben toen we in uw midden waren’ klinkt op zichzelf als een vraag om zelfbevestiging, maar Paulus bedoelt iets anders. Voor deze zin staat: ‘onze verkondiging aan u overtuigde immers niet alleen door onze woorden, maar ook door de overweldigende kracht van de heilige Geest.’ De bemoediging die in de dankbaarheid doorklinkt slaat dus op de beleving van Paulus dat niet alleen zijn verhaal en dat van zijn partners goed is aangeslagen, maar dat het een soort beweging op gang heeft gebracht, omdat de Geest van God er de spirit aan heeft gegeven. Zo zijn ze alle drie actief: de Thessalonicenzen, Paulus en de zijnen, én God. Het komt de gelovigen niet aanwaaien. Ze moeten er zelf ook wat voor doen. Maar in een andere zin komt het hen wel aanwaaien. De Geest vuurt de apostel en de zijnen aan met een verhaal dat aanslaat onder de gelovigen en kracht geeft. En dat alles omdat God het begonnen is. Wat dat staat nog voor het vers dat we zojuist lazen: ‘God heeft u lief, broeders en zusters. Wij weten dat hij u heeft uitgekozen.’
Waar halen we de moed vandaan om te blijven geloven? Die moed halen we hieruit dat God iets met ons begonnen is. Hij geeft ons inspiratie door zijn Geest. En hij doet dat in het praten met elkaar over het geloof, het horen en lezen over het geloof en de bijbel, in het omzien naar elkaar. En als wij actief blijven in het geloof, op talloze manieren, dan zal dat vuur blijven branden. Niet door ons, maar wel voor ons. Het hangt niet van ons af, maar het staat of valt wel met of wij aangevuurd willen worden. Zo niet, dan is het een verloren zaak. Zo wel, dan kan de kracht enorme dingen teweeg brengen, waar we dankbaar voor mogen zijn. Voor elkaar, voor onszelf, en voor God.
Zo is de dankbaarheid van Paulus geen borstklopperij, en ook geen schouderklopperij, maar een bemoedigend arm op de gemeente heen. God ziet naar zijn gemeente om. Hij heeft ons lief. Zo houden wij het uit met alles wat het geloof weerspreekt. En kunnen we in hoopvolle verwachting blijven leven en geloven.
vrijdag 30 september 2011
donderdag 22 september 2011
dinsdag 20 september 2011
Preek startzondag 18 september 2011: Heb lief
Tekst: Psalm 36 en Romeinen 12: 9-21
Podcast/geluidsfragment
Wat zullen we zeggen over de liefde? De verleiding en misschien ook het verlangen is groot om een groots en meeslepend verhaal af te steken over de romantische liefde, waarin net als in Hooglied de dimensie van de liefde van God en mens doorklinkt. Maar een dergelijk hoogverheven verhaal zou een gelijkgestemde reactie aan de uitgang kunnen geven: ik wou dat ik dat had. Of: ik wou dat ik dat kon.
Want liefde lijkt zo vaak onbereikbaar. Zelfs als je de vanzelfsprekendheid voelt van de liefde van iemand naast je of zelfs van een paar mensen meer om je heen; hoe onvanzelfsprekend en onbereikbaar kan de liefde vaak lijken? Hoe frustrerend kan het voelen dat het maar niet lukt om normaal om te gaan met die ene collega? Hoe liefdeloos zien we mensen met elkaar omgaan? Hoe makkelijk zien we mensen, zeker op internet, elkaar uitmaken voor van alles en nog wat? En hoe makkelijk is het om over anderen te praten zonder dat ze erbij zijn, of zonder dat jij erbij bent? Liefde, het is mooi. Maar wat kun je elkaar gauw pijn doen. Soms lijkt liefde op eieren lopen, zelfs in de dagelijkse omgang. Rekening met elkaar houden wordt zo wel erg behoedzaam door de porseleinkast manoeuvreren waarbij je wel iets om moet stoten. En zelfs wie van elkaar houden kunnen de onmogelijkheid ervaren om elkaar te bereiken omdat ieder voor zich te zeer vast zit in zijn eigen pijn, of om wat voor reden dan ook. En liefde, het kan je ook ineens ontglippen, soms zelfs ogenschijnlijk zonder enige aanleiding. Waar is de liefde gebleven?
Het tekent de pijn tussen twee of enkele mensen, of binnen een hele gemeenschap, als de liefde verdwijnt. Pijn om de mogelijkheid dat het gebeurt, pijn om de onmogelijkheid om het te voorkomen of te herstellen. Pijn om verlatenheid, eenzaamheid, miskenning, onbegrip en de ontgoocheling dat wat in liefde is gezaaid bruut wordt omgeploegd. Die pijn mag er zijn. Die pijn bepaalt ons bij ieders menselijke basisbehoefte om lief te worden gehad, omdat het niet goed is dat de mens alleen is.
Het is pas erg als er voor die pijn iets anders in de plaats gaat komen. Woede, kwaadheid, wraak. O, woede is zelfs nog begrijpelijk, het raast ook even lekker uit. Maar woede richt zich naar buiten, terwijl je binnenin alleen blijft met je pijn. Woede is vaak omgekeerde angst. Angst om pijn te worden gedaan, angst voor teleurstellingen, angst voor een reactie, angst voor de werkelijkheid misschien zelfs wel. Maar door de angst om te keren in woede duw je anderen juist weg, waardoor je juist alleen blijft, en onbegrepen en ongeliefd blijft. Zo herstelt een gemeenschap zich tussen twee of meerdere mensen niet.
Het stuk brief van Paulus aan de Romeinen lijkt een vermaning te zijn. En hoewel het dat in zijn vorm ook is, is het vooral een bemoediging. ‘Laat uw liefde oprecht zijn.’ Wanneer je het stuk teveel als een vermaning leest, dan kun je het gevoel krijgen dat je je negatieve gevoelens maar moet inslikken. En dan moet je ook nog blij zijn, en standvastig, zegenen en eensgezind zijn. Als dat de bedoeling zou zijn, kunnen we erop wachten dat frustraties naar boven komen en dat dan pas echt de beer los is. Waar Paulus denk ik wel voor wil waken is egoïsme. Daar bedoel ik dit mee: Paulus ontkent niet dat gevoelens van boosheid, of zelfs van vergelding en wraak, terecht zijn. Waar het misgaat is het moment waarop mensen in die gevoelens zichzelf centraal gaan stellen. Als Paulus zegt: ‘Wees verheugd over de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk’ dan wil hij ons uit onze eigen centrale positie halen en ons terugbrengen in de gemeenschap van mensen. Natuurlijk snap hij, en snapt God, dat er soms weinig reden is om blij te zijn, en voelt de hoop soms vervlogen, voelt het onmogelijk om zomaar over tegenspoed heen te stappen, en klinkt het ongepast vroom om maar te moeten blijven bidden. Maar Paulus wil van ons geen heiligen maken. Maar we vinden liefde alleen als we buiten onszelf treden en blijven vasthouden aan de hoop, zelfs als het tegen beter weten in is. Die hoop hoeft geen ontkenning te zijn van je eigen behoeften, maar mag je wel de kracht geven om die behoeften om te draaien naar iets goeds.
‘Zegen uw vervolgers’. Hoe wereldvreemd klinkt dat? Misschien laat het zich zo goed vertalen: laat het niet aan jezelf liggen. Het kwaad straft zichzelf wel. Is dat niet te gemakkelijk gezegd? Wel als je zelf in je wraakgevoelens blijft hangen. Maar van die gevoelens heb je zelf het meeste last. Dat is ook het frustrerende van haatgevoelens. Je zit er zelf het meeste mee, en het wordt steeds weer aangewakkerd als de ander, tegen wie je haat is gericht, er zich niets van aantrekt. Of: beter gezegd, je pijn niet erkent.
Daarom wil Paulus ons wegleiden van egoïsme. Want als je jezelf in het middelpunt zet, vang je zelf ook alle klappen op.
Doe het niet, zegt Paulus. ‘Stel, voor zover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven.’ Een waardevolle zin aan het begin van de Vredesweek. Maar meer nog een bemoediging. Stel alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven; ja, voor zover het in uw macht ligt. Hoor je? Dit gaat niet om onhaalbare idealen. Het gaat Paulus niet alleen om de anderen, maar ook om ons. En nogmaals, dat betekent niet dat we onze gevoelens moeten inslikken, maar dat betekent dat we ze moeten onderzoeken, en moeten proberen om te buigen naar iets goeds. Kan dat? Ja, dat kan. ‘Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk.’ Dat gebed hoeft geen gebed te zijn over hoe goed u het allemaal gedaan hebt, maar daar kunt u uw gevoelens kwijt. En u kunt in gebed vragen dat God u helpt uw gevoelens om te buigen. En er is nog iets anders: waar kwaad vergolden moet worden, zal God het vergelden. Wie boter op zijn hoofd heeft zullen gloeiende kolen erbij geladen worden als je goed voor hem bent. Dat is het ombuigen waar ik het over had. Het gaat dan niet om genoegdoening van onze eigen wraakgevoelens, maar om het geloof dat de liefde zelf onderscheid maakt tussen goed en kwaad en recht en onrecht. En dat de liefde ons de erkenning geeft dat we mogen bestaan. Want uit liefde zijn we geboren, en uit liefde alleen kunnen we leven. Dat is een opdracht aan elkaar, maar ook aan onszelf. Dit zeg ik u: heb lief. De eerste Johannesbrief zegt: ‘Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.
Podcast/geluidsfragment
Wat zullen we zeggen over de liefde? De verleiding en misschien ook het verlangen is groot om een groots en meeslepend verhaal af te steken over de romantische liefde, waarin net als in Hooglied de dimensie van de liefde van God en mens doorklinkt. Maar een dergelijk hoogverheven verhaal zou een gelijkgestemde reactie aan de uitgang kunnen geven: ik wou dat ik dat had. Of: ik wou dat ik dat kon.
Want liefde lijkt zo vaak onbereikbaar. Zelfs als je de vanzelfsprekendheid voelt van de liefde van iemand naast je of zelfs van een paar mensen meer om je heen; hoe onvanzelfsprekend en onbereikbaar kan de liefde vaak lijken? Hoe frustrerend kan het voelen dat het maar niet lukt om normaal om te gaan met die ene collega? Hoe liefdeloos zien we mensen met elkaar omgaan? Hoe makkelijk zien we mensen, zeker op internet, elkaar uitmaken voor van alles en nog wat? En hoe makkelijk is het om over anderen te praten zonder dat ze erbij zijn, of zonder dat jij erbij bent? Liefde, het is mooi. Maar wat kun je elkaar gauw pijn doen. Soms lijkt liefde op eieren lopen, zelfs in de dagelijkse omgang. Rekening met elkaar houden wordt zo wel erg behoedzaam door de porseleinkast manoeuvreren waarbij je wel iets om moet stoten. En zelfs wie van elkaar houden kunnen de onmogelijkheid ervaren om elkaar te bereiken omdat ieder voor zich te zeer vast zit in zijn eigen pijn, of om wat voor reden dan ook. En liefde, het kan je ook ineens ontglippen, soms zelfs ogenschijnlijk zonder enige aanleiding. Waar is de liefde gebleven?
Het tekent de pijn tussen twee of enkele mensen, of binnen een hele gemeenschap, als de liefde verdwijnt. Pijn om de mogelijkheid dat het gebeurt, pijn om de onmogelijkheid om het te voorkomen of te herstellen. Pijn om verlatenheid, eenzaamheid, miskenning, onbegrip en de ontgoocheling dat wat in liefde is gezaaid bruut wordt omgeploegd. Die pijn mag er zijn. Die pijn bepaalt ons bij ieders menselijke basisbehoefte om lief te worden gehad, omdat het niet goed is dat de mens alleen is.
Het is pas erg als er voor die pijn iets anders in de plaats gaat komen. Woede, kwaadheid, wraak. O, woede is zelfs nog begrijpelijk, het raast ook even lekker uit. Maar woede richt zich naar buiten, terwijl je binnenin alleen blijft met je pijn. Woede is vaak omgekeerde angst. Angst om pijn te worden gedaan, angst voor teleurstellingen, angst voor een reactie, angst voor de werkelijkheid misschien zelfs wel. Maar door de angst om te keren in woede duw je anderen juist weg, waardoor je juist alleen blijft, en onbegrepen en ongeliefd blijft. Zo herstelt een gemeenschap zich tussen twee of meerdere mensen niet.
Het stuk brief van Paulus aan de Romeinen lijkt een vermaning te zijn. En hoewel het dat in zijn vorm ook is, is het vooral een bemoediging. ‘Laat uw liefde oprecht zijn.’ Wanneer je het stuk teveel als een vermaning leest, dan kun je het gevoel krijgen dat je je negatieve gevoelens maar moet inslikken. En dan moet je ook nog blij zijn, en standvastig, zegenen en eensgezind zijn. Als dat de bedoeling zou zijn, kunnen we erop wachten dat frustraties naar boven komen en dat dan pas echt de beer los is. Waar Paulus denk ik wel voor wil waken is egoïsme. Daar bedoel ik dit mee: Paulus ontkent niet dat gevoelens van boosheid, of zelfs van vergelding en wraak, terecht zijn. Waar het misgaat is het moment waarop mensen in die gevoelens zichzelf centraal gaan stellen. Als Paulus zegt: ‘Wees verheugd over de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk’ dan wil hij ons uit onze eigen centrale positie halen en ons terugbrengen in de gemeenschap van mensen. Natuurlijk snap hij, en snapt God, dat er soms weinig reden is om blij te zijn, en voelt de hoop soms vervlogen, voelt het onmogelijk om zomaar over tegenspoed heen te stappen, en klinkt het ongepast vroom om maar te moeten blijven bidden. Maar Paulus wil van ons geen heiligen maken. Maar we vinden liefde alleen als we buiten onszelf treden en blijven vasthouden aan de hoop, zelfs als het tegen beter weten in is. Die hoop hoeft geen ontkenning te zijn van je eigen behoeften, maar mag je wel de kracht geven om die behoeften om te draaien naar iets goeds.
‘Zegen uw vervolgers’. Hoe wereldvreemd klinkt dat? Misschien laat het zich zo goed vertalen: laat het niet aan jezelf liggen. Het kwaad straft zichzelf wel. Is dat niet te gemakkelijk gezegd? Wel als je zelf in je wraakgevoelens blijft hangen. Maar van die gevoelens heb je zelf het meeste last. Dat is ook het frustrerende van haatgevoelens. Je zit er zelf het meeste mee, en het wordt steeds weer aangewakkerd als de ander, tegen wie je haat is gericht, er zich niets van aantrekt. Of: beter gezegd, je pijn niet erkent.
Daarom wil Paulus ons wegleiden van egoïsme. Want als je jezelf in het middelpunt zet, vang je zelf ook alle klappen op.
Doe het niet, zegt Paulus. ‘Stel, voor zover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven.’ Een waardevolle zin aan het begin van de Vredesweek. Maar meer nog een bemoediging. Stel alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven; ja, voor zover het in uw macht ligt. Hoor je? Dit gaat niet om onhaalbare idealen. Het gaat Paulus niet alleen om de anderen, maar ook om ons. En nogmaals, dat betekent niet dat we onze gevoelens moeten inslikken, maar dat betekent dat we ze moeten onderzoeken, en moeten proberen om te buigen naar iets goeds. Kan dat? Ja, dat kan. ‘Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk.’ Dat gebed hoeft geen gebed te zijn over hoe goed u het allemaal gedaan hebt, maar daar kunt u uw gevoelens kwijt. En u kunt in gebed vragen dat God u helpt uw gevoelens om te buigen. En er is nog iets anders: waar kwaad vergolden moet worden, zal God het vergelden. Wie boter op zijn hoofd heeft zullen gloeiende kolen erbij geladen worden als je goed voor hem bent. Dat is het ombuigen waar ik het over had. Het gaat dan niet om genoegdoening van onze eigen wraakgevoelens, maar om het geloof dat de liefde zelf onderscheid maakt tussen goed en kwaad en recht en onrecht. En dat de liefde ons de erkenning geeft dat we mogen bestaan. Want uit liefde zijn we geboren, en uit liefde alleen kunnen we leven. Dat is een opdracht aan elkaar, maar ook aan onszelf. Dit zeg ik u: heb lief. De eerste Johannesbrief zegt: ‘Wij hebben Gods liefde, die in ons is, leren kennen en vertrouwen daarop. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem.
maandag 5 september 2011
Preek 4 september 2011: Samen, om te leven
Tekst: Ezechiël 33: 7-11 en Mattheüs 18: 1-14
Podcast/geluidsfragment
Vandaag vieren we weer Avondmaal. Twee maanden geleden hadden we reden genoeg om dat niet te doen. Vandaag hebben we reden genoeg om dat weer wel te doen. En eigenlijk is de reden dezelfde. Zowel toen als vandaag gaat het erom dat het belangrijk is stil te staan bij de gemeenschap als we die vieren tijdens het Avondmaal. Het Avondmaal is niet iets individueels, ook al staan we individueel in de rij. Het Avondmaal speelt zich af binnen de gemeenschap zoals we hier zitten. We vieren het met elkaar. Het Avondmaal speelt zich af binnen de gemeenschap, en het is dus ook die gemeenschap die op het spel staat. En als iets de gemeenschap verdeelt straalt dat onherroepelijk af op de viering van het Avondmaal en is de vraag gerechtvaardigd: weet je wel wat je aan het doen bent?
Het stellen van die vraag is op zich voldoende om het Avondmaal vandaag juist wel weer te kunnen vieren. Want het gaat er niet om dat je perfect moet zijn als gemeenschap; en dat zijn wij ook niet. Het gaat erom dat je weet wat je doet. Als Paulus zegt dat je waardig moet zijn om aan het Avondmaal te gaan, dan gaat het daarom. Niet om een dreigement waarin je het mes op de keel wordt gezet, maar om bewustwording dat je niet zomaar het recht hebt om Avondmaal te vieren.
Zo ga je ook niet om met de gastheer en gastvrouw als je ergens uitgenodigd wordt voor een maaltijd. Je neemt die maaltijd niet voor lief, maar realiseert je dat je gast bent. En een gast weet dat hij niet moet doen alsof hij thuis is, hoezeer de gastheer en gastvrouw daarop kunnen aandringen. Nee, je kunt je wel thuis voelen, maar je blijft gast. En dat vraagt een bepaalde houding. Een houding waarin je laat zien dat de gemeenschap, en dus ook de maaltijd, niet van jou is, maar dat je je bewust ervan bent dat je uitgenodigd bent. En wanneer er iets tussen de verschillende gasten speelt, dan is het zaak dat de gasten daar op een waardige manier richting elkaar mee omgaan. Het moet niet de maaltijd beïnvloeden. Niet voor de andere gasten, en niet voor de gastheer- of vrouw. Dan zet je jezelf op de voorgrond en eigen je je de maaltijd toe. Je bepaalt immers de sfeer van de maaltijd. Daarom past een zekere bescheidenheid.
Natuurlijk is het niet de bedoeling dat alles wat er tussen gasten speelt onder het tapijt moet worden geveegd. Dan voeren we met zijn allen een toneelstukje op. En het Avondmaal is geen toneelstukje. Hoezeer het Avondmaal ook een gedachtenismaal is, waarbij we terugdenken aan het Laatste Avondmaal van Jezus, het is geen toneelstukje van iets dat vroeger is gebeurd. Het Avondmaal speelt zich nu af. En net als elke maaltijd waarbij je wordt uitgenodigd met andere gasten speelt het zich af op een bepaalde tijd en plaats. En die tijd en plaats beïnvloedt de maaltijd natuurlijk wel degelijk. En dat is ook goed. Er gebeuren dingen in het samenspel van mensen, net zozeer als er in het leven van individuele mensen ook dingen gebeuren, en die bepalen hoe je aan het Avondmaal gaat. Hierdoor zitten we altijd anders aan de maaltijd met elkaar. Dat hoeven we niet onder stoelen of banken te steken. Zoals je je vandaag voelt, met zorgen en vreugden, met verdriet en geluk, maar ook met onderlinge moeite, teleurstelling en zelfs boosheid; zo ga je aan een maaltijd en ook aan het Avondmaal. En dat is goed. Zo is het leven; en in dat leven worden we genodigd tot het Avondmaal.
Wat wel blijft staan is dat de Maaltijd van de Heer ons wel stilzet bij hoe we ons voelen. En dat die gevoelens er weliswaar mogen zijn, maar dat ze niet op zichzelf kunnen bestaan als je aan de Maaltijd meedoet, omdat je ook niet op jezelf bestaat. Je leeft met elkaar. Sommigen kun je kiezen, maar de meesten krijg je erbij. En met die mensen zul je de Maaltijd van de Heer moeten vieren, samen. Als je de Maaltijd wil vieren, dan samen. En anders niet. Dat kan moeilijk zijn, en dat begrijpt de Gastheer, maar dat mag dan niet om de voorgrond treden, want dan beledig je de Gastheer.
Zo mogen we er allemaal met onze individuele levens er zijn en aangaan aan het Avondmaal. Met wat ons bezighoudt worden wij uitgenodigd om samen Avondmaal te vieren. En daarom vieren we de Maaltijd van de Heer vandaag weer wel. Omdat we erbij stil hebben gestaan dat we gasten zijn met alles wat ons bezig houdt. En dat die Maaltijd daarom niet vanzelfsprekend is. Christus nodigt ons, en wij zijn de gasten. En als je gast kunt zijn, ben je van harte uitgenodigd.
Met dit eerste deel van de preek zijn we er nog niet. Want met een half oor zou je de indruk kunnen krijgen dat je als individu ondergeschikt bent aan de gemeenschap. En dat is maar de helft van het verhaal. De andere helft lezen we in de lezingen van vandaag. Verschillende woorden klinken op zichzelf best hard, maar in zijn verband zijn ze liefdevol. Waar het in beide lezingen om gaat is dat God niet individuele mensen wil afschrijven omwille van de gemeenschap. Wij hoeven op onszelf niet te slikken of te stikken omwille van de gemeenschap. God hecht net zoveel waarde aan de gemeenschap als aan ons allemaal als individu. Hij schrijft niemand van ons af. Ook jou niet, ook niet als je in de knoop zit met mensen om je heen. Maar Hij wil ook niet dat wíj mensen afschrijven.
Toch klinken de lezingen in eerste instantie best hard. Alsof individuele leden de wacht moeten worden aangezegd of anders verwijderd moeten worden. Laat dan allereerst gezegd zijn dat beide lezingen zo hun verleden hebben in hoe we ze zijn gaan beluisteren. De lezing van Ezechiël klinkt in eerste instantie heel beklemmend. ‘Als ik (zegt God) tegen een slecht mens zal zeggen dat hij sterft, en jij zegt hem niet dat hij een andere weg moet inslaan, dan zal hij sterven door zijn eigen schuld, maar jou zal ik voor zijn dood ter verantwoording roepen.’ Poeh. Het schijnt een tekst te zijn die in orthodoxe kringen hun predikanten wordt voorgehouden, reden waarom de spreekwoordelijke ‘hel en verdoemenis’ altijd van de kansel klinken. Wie dat van hieruit oprecht doet, zal de angst voelen dat hij tekort zal schieten in het aanspreken van de schapen de hem zijn toevertrouwd. Een vreselijke last lijkt me dat. De vraag is of God dat zo bedoelt.
Ook de Evangelie-lezing klinkt hard in eerste instantie als Jezus zegt: ‘Wee de wereld met haar valstrikken’ en Hij het beter acht een voet of hand af te hakken of een oog uit te rukken, wanneer die je afbrengen van de goede weg. Het is een tekst die ons in verlegenheid brengt in discussies over de gewelddadige kanten van de Islam, waarin in bepaalde kringen deze praktijken bestaan. De vraag is echter of Jezus dat zo bedoelt.
Veel eerder dan dreigementen met dood of verminking is dit bedoeld: God wil alles op alles zetten om mensen te behouden voor het leven, en vraagt ons dat ook te doen. Dat is voor hem een actieve strijd op leven en dood. En God verdraagt het niet als wij het laten gebeuren dat mensen van het leven af komen te staan, of een oordeel over zich afroepen. God zegt bij monde van Ezechiël: ‘Zo waar ik leef – spreekt God, de Heer – de dood van een slecht mens geeft me geen vreugde, ik wil dat hij een andere weg inslaat en in leven blijft.’ God spoort ons aan om nimmer in een Jona-achtige houding te vervallen, waarin we hopen dat anderen in hun eigen sop gaarkoken of hun verdiende loon krijgen. Zo zit God niet in elkaar, en zo moeten wij niet in elkaar zitten. Het kwade dat door ons mensen gaat moet actief bestreden worden. En we moeten het nooit personificeren in anderen alsof zij de personificatie zijn van het kwaad. Nee, het kwaad zit in ons allemaal, en het is ons aller taak in onszelf, en in anderen, dat kwaad weg te snijden. Dat kan pijnlijk zijn, en je een spreekwoordelijk oog, hand of voet kosten, maar het is de enige weg naar het leven.
Daarom neemt Jezus ook geen genoegen met 99 schaapjes op het droge, maar zoekt hij die ene. In wereldlijk perspectief zijn gemeenschappen vaak geneigd de rijen te sluiten en individuen buiten te sluiten, maar in een kerk kan dat nimmer het geval zijn. Net zoals wijzelf God nodig hebben om te kunnen leven, zo hebben anderen dat ook. Daarom is in de lezing van Ezechiël het lot van anderen verbonden met dat van onszelf. We zitten in hetzelfde schuitje, of in dit gebouw, in hetzelfde Schip.
In dat perspectief van hetzelfde schuitje is het ook bedoeld dat anderen moeten worden aangesproken, zoals Ezechiël zegt, en na de Evangelielezing Jezus ook. Je bent nooit, individueel of als gemeenschap, eigenaar van het goede of bepaalde principes. Uiteindelijk zijn we allemaal afhankelijk van de genade van God. Wij hebben niet het recht om te oordelen, maar wel de plicht om te zoeken naar het goede. In iedereen en voor iedereen. Want we zitten allemaal in hetzelfde Schip. Met Christus aan het roer. En niemand anders. Hij wil dat wij in leven blijven. Daarvoor zijn er, maken we op uit vers 10, zelfs engelen bij God voor ons, boodschappers van de hemel, omdat Hij te allen tijde wil voorkomen dat wij zijn liefdevolle boodschap niet zouden horen. Opdat wij leven en zo kunnen aangaan aan Zijn Maaltijd.
Podcast/geluidsfragment
Vandaag vieren we weer Avondmaal. Twee maanden geleden hadden we reden genoeg om dat niet te doen. Vandaag hebben we reden genoeg om dat weer wel te doen. En eigenlijk is de reden dezelfde. Zowel toen als vandaag gaat het erom dat het belangrijk is stil te staan bij de gemeenschap als we die vieren tijdens het Avondmaal. Het Avondmaal is niet iets individueels, ook al staan we individueel in de rij. Het Avondmaal speelt zich af binnen de gemeenschap zoals we hier zitten. We vieren het met elkaar. Het Avondmaal speelt zich af binnen de gemeenschap, en het is dus ook die gemeenschap die op het spel staat. En als iets de gemeenschap verdeelt straalt dat onherroepelijk af op de viering van het Avondmaal en is de vraag gerechtvaardigd: weet je wel wat je aan het doen bent?
Het stellen van die vraag is op zich voldoende om het Avondmaal vandaag juist wel weer te kunnen vieren. Want het gaat er niet om dat je perfect moet zijn als gemeenschap; en dat zijn wij ook niet. Het gaat erom dat je weet wat je doet. Als Paulus zegt dat je waardig moet zijn om aan het Avondmaal te gaan, dan gaat het daarom. Niet om een dreigement waarin je het mes op de keel wordt gezet, maar om bewustwording dat je niet zomaar het recht hebt om Avondmaal te vieren.
Zo ga je ook niet om met de gastheer en gastvrouw als je ergens uitgenodigd wordt voor een maaltijd. Je neemt die maaltijd niet voor lief, maar realiseert je dat je gast bent. En een gast weet dat hij niet moet doen alsof hij thuis is, hoezeer de gastheer en gastvrouw daarop kunnen aandringen. Nee, je kunt je wel thuis voelen, maar je blijft gast. En dat vraagt een bepaalde houding. Een houding waarin je laat zien dat de gemeenschap, en dus ook de maaltijd, niet van jou is, maar dat je je bewust ervan bent dat je uitgenodigd bent. En wanneer er iets tussen de verschillende gasten speelt, dan is het zaak dat de gasten daar op een waardige manier richting elkaar mee omgaan. Het moet niet de maaltijd beïnvloeden. Niet voor de andere gasten, en niet voor de gastheer- of vrouw. Dan zet je jezelf op de voorgrond en eigen je je de maaltijd toe. Je bepaalt immers de sfeer van de maaltijd. Daarom past een zekere bescheidenheid.
Natuurlijk is het niet de bedoeling dat alles wat er tussen gasten speelt onder het tapijt moet worden geveegd. Dan voeren we met zijn allen een toneelstukje op. En het Avondmaal is geen toneelstukje. Hoezeer het Avondmaal ook een gedachtenismaal is, waarbij we terugdenken aan het Laatste Avondmaal van Jezus, het is geen toneelstukje van iets dat vroeger is gebeurd. Het Avondmaal speelt zich nu af. En net als elke maaltijd waarbij je wordt uitgenodigd met andere gasten speelt het zich af op een bepaalde tijd en plaats. En die tijd en plaats beïnvloedt de maaltijd natuurlijk wel degelijk. En dat is ook goed. Er gebeuren dingen in het samenspel van mensen, net zozeer als er in het leven van individuele mensen ook dingen gebeuren, en die bepalen hoe je aan het Avondmaal gaat. Hierdoor zitten we altijd anders aan de maaltijd met elkaar. Dat hoeven we niet onder stoelen of banken te steken. Zoals je je vandaag voelt, met zorgen en vreugden, met verdriet en geluk, maar ook met onderlinge moeite, teleurstelling en zelfs boosheid; zo ga je aan een maaltijd en ook aan het Avondmaal. En dat is goed. Zo is het leven; en in dat leven worden we genodigd tot het Avondmaal.
Wat wel blijft staan is dat de Maaltijd van de Heer ons wel stilzet bij hoe we ons voelen. En dat die gevoelens er weliswaar mogen zijn, maar dat ze niet op zichzelf kunnen bestaan als je aan de Maaltijd meedoet, omdat je ook niet op jezelf bestaat. Je leeft met elkaar. Sommigen kun je kiezen, maar de meesten krijg je erbij. En met die mensen zul je de Maaltijd van de Heer moeten vieren, samen. Als je de Maaltijd wil vieren, dan samen. En anders niet. Dat kan moeilijk zijn, en dat begrijpt de Gastheer, maar dat mag dan niet om de voorgrond treden, want dan beledig je de Gastheer.
Zo mogen we er allemaal met onze individuele levens er zijn en aangaan aan het Avondmaal. Met wat ons bezighoudt worden wij uitgenodigd om samen Avondmaal te vieren. En daarom vieren we de Maaltijd van de Heer vandaag weer wel. Omdat we erbij stil hebben gestaan dat we gasten zijn met alles wat ons bezig houdt. En dat die Maaltijd daarom niet vanzelfsprekend is. Christus nodigt ons, en wij zijn de gasten. En als je gast kunt zijn, ben je van harte uitgenodigd.
Met dit eerste deel van de preek zijn we er nog niet. Want met een half oor zou je de indruk kunnen krijgen dat je als individu ondergeschikt bent aan de gemeenschap. En dat is maar de helft van het verhaal. De andere helft lezen we in de lezingen van vandaag. Verschillende woorden klinken op zichzelf best hard, maar in zijn verband zijn ze liefdevol. Waar het in beide lezingen om gaat is dat God niet individuele mensen wil afschrijven omwille van de gemeenschap. Wij hoeven op onszelf niet te slikken of te stikken omwille van de gemeenschap. God hecht net zoveel waarde aan de gemeenschap als aan ons allemaal als individu. Hij schrijft niemand van ons af. Ook jou niet, ook niet als je in de knoop zit met mensen om je heen. Maar Hij wil ook niet dat wíj mensen afschrijven.
Toch klinken de lezingen in eerste instantie best hard. Alsof individuele leden de wacht moeten worden aangezegd of anders verwijderd moeten worden. Laat dan allereerst gezegd zijn dat beide lezingen zo hun verleden hebben in hoe we ze zijn gaan beluisteren. De lezing van Ezechiël klinkt in eerste instantie heel beklemmend. ‘Als ik (zegt God) tegen een slecht mens zal zeggen dat hij sterft, en jij zegt hem niet dat hij een andere weg moet inslaan, dan zal hij sterven door zijn eigen schuld, maar jou zal ik voor zijn dood ter verantwoording roepen.’ Poeh. Het schijnt een tekst te zijn die in orthodoxe kringen hun predikanten wordt voorgehouden, reden waarom de spreekwoordelijke ‘hel en verdoemenis’ altijd van de kansel klinken. Wie dat van hieruit oprecht doet, zal de angst voelen dat hij tekort zal schieten in het aanspreken van de schapen de hem zijn toevertrouwd. Een vreselijke last lijkt me dat. De vraag is of God dat zo bedoelt.
Ook de Evangelie-lezing klinkt hard in eerste instantie als Jezus zegt: ‘Wee de wereld met haar valstrikken’ en Hij het beter acht een voet of hand af te hakken of een oog uit te rukken, wanneer die je afbrengen van de goede weg. Het is een tekst die ons in verlegenheid brengt in discussies over de gewelddadige kanten van de Islam, waarin in bepaalde kringen deze praktijken bestaan. De vraag is echter of Jezus dat zo bedoelt.
Veel eerder dan dreigementen met dood of verminking is dit bedoeld: God wil alles op alles zetten om mensen te behouden voor het leven, en vraagt ons dat ook te doen. Dat is voor hem een actieve strijd op leven en dood. En God verdraagt het niet als wij het laten gebeuren dat mensen van het leven af komen te staan, of een oordeel over zich afroepen. God zegt bij monde van Ezechiël: ‘Zo waar ik leef – spreekt God, de Heer – de dood van een slecht mens geeft me geen vreugde, ik wil dat hij een andere weg inslaat en in leven blijft.’ God spoort ons aan om nimmer in een Jona-achtige houding te vervallen, waarin we hopen dat anderen in hun eigen sop gaarkoken of hun verdiende loon krijgen. Zo zit God niet in elkaar, en zo moeten wij niet in elkaar zitten. Het kwade dat door ons mensen gaat moet actief bestreden worden. En we moeten het nooit personificeren in anderen alsof zij de personificatie zijn van het kwaad. Nee, het kwaad zit in ons allemaal, en het is ons aller taak in onszelf, en in anderen, dat kwaad weg te snijden. Dat kan pijnlijk zijn, en je een spreekwoordelijk oog, hand of voet kosten, maar het is de enige weg naar het leven.
Daarom neemt Jezus ook geen genoegen met 99 schaapjes op het droge, maar zoekt hij die ene. In wereldlijk perspectief zijn gemeenschappen vaak geneigd de rijen te sluiten en individuen buiten te sluiten, maar in een kerk kan dat nimmer het geval zijn. Net zoals wijzelf God nodig hebben om te kunnen leven, zo hebben anderen dat ook. Daarom is in de lezing van Ezechiël het lot van anderen verbonden met dat van onszelf. We zitten in hetzelfde schuitje, of in dit gebouw, in hetzelfde Schip.
In dat perspectief van hetzelfde schuitje is het ook bedoeld dat anderen moeten worden aangesproken, zoals Ezechiël zegt, en na de Evangelielezing Jezus ook. Je bent nooit, individueel of als gemeenschap, eigenaar van het goede of bepaalde principes. Uiteindelijk zijn we allemaal afhankelijk van de genade van God. Wij hebben niet het recht om te oordelen, maar wel de plicht om te zoeken naar het goede. In iedereen en voor iedereen. Want we zitten allemaal in hetzelfde Schip. Met Christus aan het roer. En niemand anders. Hij wil dat wij in leven blijven. Daarvoor zijn er, maken we op uit vers 10, zelfs engelen bij God voor ons, boodschappers van de hemel, omdat Hij te allen tijde wil voorkomen dat wij zijn liefdevolle boodschap niet zouden horen. Opdat wij leven en zo kunnen aangaan aan Zijn Maaltijd.
Abonneren op:
Posts (Atom)
