zondag 20 september 2015

Wat is beter: weten of twijfel? (preek 20 september 2015)

Stel, dat we kinderen eens echt in het midden zouden zetten, zoals Jezus doet: hoe zouden we dat vinden? Laten we eerst eens beginnen bij een gemiddelde situatie thuis. Ik vind het opvallend om te zien hoe weinig kinderen spelen. En hoezeer ze in de hand worden gehouden. En rustig worden gehouden, met allerlei zoethoudertjes. Ik moet denken aan die moeder die klaagde dat ze geen eigen leven meer had. Waarop de begeleider van haar kind op school uitlegde: u hebt geen leven, u bént leven.

Kinderen moeten veelal mee in de drukke levens van hun ouders. En al zal dat niet altijd zo zijn, toch vaak ook weer wel. We zijn als volwassenen met zoveel belangrijke dingen bezig. En dan moeten we alles ook nog draaiende houden. Stel dat we daarentegen kinderen eens echt in het midden zouden zetten, zoals Jezus doet: hoe zouden we dat vinden?

De leerlingen van Jezus zijn ook met hele belangrijke zaken bezig. Vinden ze. Ze hadden met elkaar getwist wie van hen de belangrijkste was. En dat gaat verder dan de vraag wie de meeste macht heeft. Het gaat over wie de grootste is, de voortreffelijkste. Het is dus meer dan een stoelendans. Ze veronderstellen dat ze allemaal groots en voortreffelijk zijn en dáárom belangrijk. Geen spatje twijfel hoor je bij de leerlingen. En dat is toch minimaal merkwaardig tegen de achtergrond van wat hieraan voorafgaat.

Wat doe je met iets dat je liever niet wil horen?
Want Jezus heeft zojuist voor de tweede keer zijn lijden aangekondigd. 'De mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen hem doden, maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan.' Wat je hier ook van vindt, deze aankondiging zou je minimaal wat onzeker moeten maken. Het is een aankondiging van Jezus' ondergang, van lijden en pijn. Iets wat we niet willen horen. Als volgeling van Jezus zou zelfs enige twijfel voorstelbaar zijn.

Maar de leerlingen begrepen deze uitspraak niet, maar durfden hem geen vragen te stellen. Bang misschien dat ze weer op hun kop zouden krijgen, net als Petrus eerder, toen hij Jezus terecht wees.

Wanneer hou je op met vragen stellen? 
Dan is het toch vreemd, dat ze vervolgens met elkaar ruziën over wie de grootste en de voortreffelijkste is. Ze tonen geen enkele twijfel. Alsof ze denken dat het allemaal niet zo vaart zal lopen. Dat iedereen wel achter hen aankomt. Bovendien, ze staan toch aan de goede kant. Het treft me hoe weinig twijfel er heerst onder de leerlingen. Terwijl ze aan de andere kant Jezus geen vragen durven stellen. Welke waarheid vrezen zij onder ogen te zien? Het is de valkuil van iedere leerling: dat je geen vragen meer stelt. Omdat je bang bent voor het antwoord. Want antwoorden kunnen je aan het twijfelen brengen. Doe ik het wel goed? Zie ik het wel goed? Is het niet misschien toch anders? Zou het beter kunnen? Zou ik het beter kunnen doen? Vraagt de situatie meer van me dan ik wil? Of gaat het allemaal anders dan gedacht?

Wat gebeurt er als je geen vragen meer stelt?
Als je geen twijfel meer hebt, ga je geloven in je eigen antwoorden. Over hoe de wereld in elkaar steekt, en wat ieders plek is. En de jouwe staat dan op een voetstuk. Om het overzicht te kunnen houden. En dus veranderen gesprekken in elkaar de loef afsteken, beter weten. En vooral het eigen standpunt verdedigen, zonder te luisteren. Hoeveel eigen waarheden worden op verjaardagen niet uitgewisseld zonder dat er echt een gesprek is? Wanneer heb je voor het laatst een vraag aan iemand gesteld, en het antwoord afgewacht? Mensen geloven nogal erg in zichzelf. En dan zijn vrome geloofsgesprekken vaak nog de ergste van allemaal. Als kerken en kerkelijke gelovigen weten we het vaak allemaal erg goed te zeggen. Of: wat vroeger waar was, is niet meer zo, maar een gesprek over hoe je dan wel kunt geloven vermijden we. Om de waarheid niet onder ogen te zien: en dat is dat het allemaal ook wel eens anders zou kunnen zijn. Of, minder verontrustend gezegd, dat onze waarheid minimaal niet compleet is. En dat er meer over te zeggen is. Wat ons best even vragen mag doen stellen en mag laten twijfelen.

Waarom is twijfelen niet erg?
Twijfel is niet erg. Twijfel is de basishouding van een leerling. Omdat het je vragen laat stellen. Maar begrijp me goed. Na de tijd dat we zogenaamd alles zeker wisten, kwam er een tijd waarin twijfel heel belangrijk werd gevonden, en bijna een cult-status kreeg. Dat we niets zeker kunnen weten. En dat je vooral als gelovige niets voor waar mag aannemen, omdat je er toch niets over kunt zeggen. Daar ben ik niet van. Daarom aarzel ik ook bij het woord twijfel. Twijfel haalt niet alles onderuit, maar richt ons op wat het belangrijkste is: God. Het maakt ons duidelijk dat we zijn genade nodig hebben. Dat we niet in ons eentje alles kunnen weten en overzien. En dat dat ook niet hoeft. Maar gelukkig is daar Gods genade. En mogen we gewoon vragen stellen. Aan Jezus, en aan elkaar. Hoe zie jij dat nou? Hoe doe jij dat nou?

Maar de leerlingen van Jezus zijn met zichzelf bezig. En Jezus doorziet dat en zegt: 'Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal zijn en ieders dienaar.' Zegt onze bijbelvertaling. Maar het is precies andersom: upside down. En het zit hem in één werkwoord: wie de belangrijkste wil zijn, zal (in de toekomende tijd) de minste van allemaal zijn en ieders dienaar; dat wil zeggen ieders slaaf. Hij is namelijk een slaaf van zichzelf, van zijn eigen gelijk en waarheden.

Blik naar buiten!
Jezus gooit de blik echter naar búiten. Hij pakt een kind en zet het in hun midden. En zegt: 'Wie in mijn naam één zo'n kind bij zich opneemt, neemt mij op.' Het gaat er bij dit kind niet om dat het kind onschuldig is. Als de bijbel het beeld van een kind gebruikt, dan gaat om zijn weerloosheid. Zijn kwetsbaarheid. Om precies dat waar de leerlingen geen weet meer van lijken te hebben: dat ze Gods genade nodig hebben. Dat ze het niet alleen kunnen, én hoeven doen. Dat je niet alles hoeft te weten. En dat je moet blijven vragen, omdat je anders opgesloten raakt in je eigen beperkte gelijk. En daardoor Jezus, en God, misloopt.


Blijf vragen stellen
Omdat er genoeg is om over te twijfelen. Omdat je eigen waarheid altijd incompleet is. En er dús vragen bij te blijven stellen zijn. Het leven is onzeker. That's a fact of life. Maar gelukkig is daar God. En Jezus die ons voorgaat in het meest onzekere dat denkbaar is, de dood. En Jezus roept op: blijf vragen stellen. En leer dat van kinderen. Zij kunnen dat. Vragen stellen. Zet hen in het midden. Laat hen vragen stellen. En stel vragen terug. Dan wordt het Evangelie ook voor hen weer relevant.

zondag 6 september 2015

Wat kan je met Jezus' lijden en het lijden van Aylen? (preek 6 september 2015)

In de afgelopen week werd op ieders netvlies een foto gebrand, die op kranten, tv en sociale media veelvuldig werd getoond. Die foto van dat jongetje van drie jaar, dat aanspoelde op het Turkse strand. Uren daarvoor was hij met zijn ouders juist daar vandaan vertrokken. Op zoek naar een toekomst, een nieuw leven, in Europa. Met de fotograaf zijn we allemaal om dat jongetje heengelopen. We konden hem van verschillende kanten zien liggen. Of we bleven op een afstandje staan. Stokstijf. Of met de blik wat afgewend. Wil en kan ik dit wel zien?

Wie zeggen de mensen dat hij is? Gelukkig kreeg het jongetje een naam. Anders dan de vele andere boot- en landvluchtelingen die anoniem blijven. Hij heette Aylan. Mensen zien in hem hun eigen kind, zoals iemand dat noemde. Mensen noemen hem de zoon van een doodongelukkige vader, die niet alleen Aylan, maar ook zijn oudere broertje en hun moeder verloor. En mensen noemen hem een gelukszoeker, een zoon van onverantwoorde ouders die met zulke kleine kinderen zo'n gevaarlijke reis maken.

Kunnen wij om zijn lijden heen?
Wie zeggen de mensen dat hij is? Kunnen wij om zijn lijden heen? Kunnen wij hem begrijpen als we zijn lijden niet zien? Kunnen we hem begrijpen als we onze tranen inslikken bij het zien van zo'n gaaf lijfje? Kunnen we hem begrijpen als we niet breken met ons wereldbeeld, waarin we alles goed voor elkaar hebben en de ellende buitenhouden? Kunnen we hem begrijpen als we voorbijgaan aan de wanhoop van een jong gezin, en hoop, door al hun lijden heen? Kunnen we om zijn lijden heen? Kunnen wij hem begrijpen als we zijn lijden niet zien? En kunnen wij hem begrijpen als we niet ook zelf ons kruis op ons nemen?

Of wij zien wie ze zijn bepaalt hoe we met vluchtelingen omgaan
Onze houding ten opzichte van vluchtelingen staat of valt ermee of wij verstaan wie dit jongetje is. Wanneer wij slechts proberen te verzachten en alles en iedereen maar proberen te helpen, dan sussen we ons eigen geweten met goedbedoelde vrijwilligheid. En ligt er morgen weer een dood kind, waarover we ons kunnen ontfermen. Dan zullen we het verliezen in dat we nooit genoeg zullen kunnen doen. Wanneer we verharden, zal het ons steeds meer gaan tegenstaan, zal het ons nog meer overspoelen en zullen we het op die manier verliezen en eraan onderdoor gaan. Onze houding ten opzichte van vluchtelingen staat of valt met het verstaan van wie dit jongetje is. Door het lijden te zien van deze zoon van mensen, dit mensenkind.

Jezus, zoon van mensen - wie zeg jij dat hij is?
Zoon van mensen. Zo noemt Jezus zichzelf als hij zelf antwoord geeft op zijn vraag wie de mensen zeggen dat hij is. Die vraag, wie de mensen zeggen dat hij is, vormt het scharnierpunt in het Evangelie zoals Markus dat vertelt. Alle wonderen, confrontaties en andere verhalen lopen hierop uit. Wie is Jezus nou? Vaak heeft hij mensen belemmerd om iets door te vertellen van wat hij deed of zei. En bij zijn genezingen nam hij mensen apart. Hij leek het podium te schuwen als het erop aankwam. Alsof hij wil dat mensen eerst goed nadenken. Wie zeg jij dat ik ben?

De leerlingen antwoorden wie de mensen zeggen dat Jezus is: Johannes de Doper, Elia, één van de profeten. Goed dat ze zo antwoorden. Ze antwoorden gelukkig niet wát hij is: een held, een ster, of hoe je dat ook zou willen noemen, in de taal van toen: een koning? Nee, ze verstaan Jezus gelukkig in een geestelijk licht: als een voortzetting van de profetie. Handelaar in woorden van God. In woord en daad.

Messias?
En dan wordt het spannend. Wie zeggen jullie dat ik ben? En Petrus neemt het woord en zegt: U bent de Messias. Niet eens 'een' messias, nee, dé Messias. Dat is niet echt een antwoord op de vraag wíe Jezus is, want Messias, gezalfde, Christus, was toen nog geen eigennaam. Het is wel Jezus merknaam geworden naderhand, maar het was eerst een soortnaam. Een gezalfde. En daarbij werd in eerste instantie aan een koning gedacht, die werden gezalfd, en niet aan een profeet.

Wij zijn geneigd om met de kennis van nu te zeggen: Petrus sloeg toch de spijker op z'n kop? Ja, nu wij Jezus de Messias, Christus, noemen zou je wel zeggen dat dat één op één klopt. Hij gaf het goede antwoord, tien punten! Maar met de kennis van nu vervaagt de situatie van toen. Dat is vaak zo met kennis van nu. Het is meestal gelijk achteraf. Wat kón Petrus toen weten? En wat had hij voor ogen toen hij dat zei? Is het woord Messias niet veel breder gebleken, dan Petrus kon vermoeden? En had Petrus niet vooral het koninklijke op het oog, waarbij je je af kunt vragen of hij eigenlijk wel aandurfde wie Jezus nog meer was? Was het benoemen van Jezus als de Messias niet een hele veilige keuze van Petrus, een veilig etiket op Jezus als onze koninklijke redder, waarbij hij veilig is en niets meer hoeft te doen?

Waarom moet de Messias lijden? 
Was dat de reden dat Jezus zijn leerlingen scherp verbood om iets over dat Messiasschap te zeggen tegen anderen? Omdat ze niet wisten waar ze het over hadden? Of misschien juist omdat hij hen wilde beschermen? Er staat immers nergens dat hij hen bestrafte. Dat komt straks pas. Het zou goed kunnen dat Jezus het gevoel had dat hij hen nog onvoldoende had toegerust en nog onvoldoende had uitgelegd wie hij was om over hem te kunnen spreken. En dus begint hij het hen uit te leggen.

En hij noemt zich niet de Messias, maar de Mensenzoon. Hij gaat daarmee niet boven ons staan, maar komt tussen ons in staan. Een kind van de mensen. Maar als hij dat wil zijn, dan komt hij erg dichtbij. Net zoals die foto van Aylan heel dichtbij komt. We houden mensen die ervoor zorgen dat wij iets moeten graag op een afstand. Maar Jezus komt niet alleen dichterbij, hij komt midden tussen ons in staan. Hij noemt zich Mensenzoon. Hij komt onder ons staan. En dus moeten we iets met hem. Net zoals we iets met die foto moeten, of we nu willen of niet.

Waarom kost het me iets om Jezus te volgen?
Jezus komt zo dichtbij dat we iets met hem moeten. Maar de mensen die alles zo mooi onder controle hebben, moeten hem niet. Want hij gooit roet in hun eten. De oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden lopen tegen hem te hoop. En zij vertegenwoordigen juist wat een Messias zou moeten zijn: koning, priester en profeet. De oudsten vertegenwoordigen het koninklijke, de hogepriesters het priesterlijke en de schriftgeleerden het profetische. Jezus laat hen zien dat hun ambt hen niet iets oplevert, maar dat het hen iets kost. Daar zijn al die zinnen over jezelf verloochenen en je kruis opnemen en achter Jezus aankomen om bedoeld. Niet om het simpele 'ieder huisje heeft zijn kruisje', maar om iets anders: dat het volgen van Jezus je iets kost, voordat het je wat oplevert.

Waarom zou je Jezus dan volgen? Omdat een andere weg sowieso niets oplevert. Of we verzachten alles en komen nooit aan het lijden toe dat zich zo opdringt, maar dat we niet willen zien. Waardoor we gaan zorgen met zoveel mogelijk goedbedoelde inzet dat we er niets van zien. Je zou er nog overspannen van raken. Of we verharden, en dan breken we sowieso zo door al het geweld van het lijden.

Nogmaals: moest Jezus zo lijden?
Jezus gaat tekeer tegen Petrus precies hierom. Petrus neemt het op voor alle mensen die het lijden niet willen zien en het wel goed vinden zo. Jezus noemt hem Satan, wat niet meer betekent dan 'Tegenstander'. Hij noemt hem geen duivel, maar tegenstander. Jezus' missie is zinloos als hij niet dwars door het lijden heen gaat. Kon het niet anders, wat vrolijker? Er wordt dan altijd naar God gewezen: moest Jezus nu zo lijden? Van God? Maar een oude wijsheid van Gandhi vertelt dat wie met één vinger naar een ander wijst, met vier vingers naar zichzelf wijst. Moest Jezus nu zo lijden? Kijk maar in de krant. En zie de foto van Aylen. Kennelijk wel dus.

Om voor ons de weg vrij te maken naar het leven, moest Jezus met ons meegaan in óns lijden. Hij kan niet anders. Maar willen wij hem daarin kunnen volgen, dan moeten wij onze ogen niet sluiten. En moeten we zien dat die weg naar het leven ons iets kost. En dat er geen oplossingen zijn voor het lijden die ons niets kosten. Ook voor de problematiek van de vluchtelingen niet. Dat kunnen we niet leuk vinden, en dat is het ook niet. En het zet van alles op zijn kop. Maar we zullen er wat voor moeten inleveren.

Wat als het er echt op aan komt?
Nu reageren zoveel mensen dat ze gastgezin willen zijn en zich in willen zetten. En dat is fantastisch. En hoe triest ook: dat is een besef dat ook ontstaan is door die foto van Aylen. Maar ik wacht op het moment dat ze werkelijk voor onze deuren staan. Of in de oude Oranjeschool hierachter opgevangen worden. Bijvoorbeeld. Hoe ver gaan we dan? En hoever laten wij hun lijden toe in ons leven? Dat we er niet zijn met dekens en kleding die we over hebben. Maar dat we werkelijk ons leven moeten delen, ook met hen. Hoe lang ze hier ook kunnen en mogen zijn. Hebben wij een boodschap aan hen? En betalen we daarvoor de prijs die het vraagt?

Dan zullen we de stemming ineens niet meer mee hebben. Dan wordt het lastig. Dan staan we tussen de zachtliners en hardliners in. En roepen ze: en wat willen jullie nou? En dan is er alleen maar die foto en kun je zeggen: heb je werkelijk gezien, echt gezíen, wie dat is?

Doe je mee? 

Wie zeggen de mensen dat ik ben? Wie zeg jij dat hij is, Jezus? En wil je van je woorden je daden maken? Dat betekent het lijden zien, in het geloof dat het daar niet bij blijft. Dat Jezus is opgestaan. Maar dat dat wel wat kost. Omdat er elke dag weer mensen lijden. Maar dat dat zien de enige weg is naar nieuw leven, die Jezus ons is voorgegaan, en die Aylen is achteraangegaan. Net als vele andere naamloos gestorven, verdronken, vervolgde en omgekomen mensen. Willen wij hen volgen naar nieuw leven, dan kan dat alleen maar door hun lijden heen. Doe je mee?

vrijdag 4 september 2015

Kan het je wat schelen dat ze vergaan?

(Twee weken geleden geschreven voor het kerkblad, dat deze week uitkwam - hoe de wereld kan veranderen door de aanblik van een aangespoeld kind - snappen we het nu wel?)

 

Je zult maar op je welverdiende vakantie gaan naar, laten we zeggen, een eiland in de Middellandse Zee. En dan vind je op dat eiland het ene na het andere tentenkamp aan van aangespoelde vluchtelingen. Het zou mijn idee van vakantie ook niet zijn. Maar het is wel realiteit.

 

Op bijvoorbeeld Griekse eilanden als Kos en Lesbos komen dagelijks vluchtelingen in bootjes aan vanuit Turkije. De migranten komen voornamelijk uit Syrië en Afghanistan. Oorlogsgebieden waar ze geen toekomst hebben. Ze zoeken een veilig heenkomen en toekomst in Europa.

 

Wij zoeken op vakantie vaak zo'n verre bestemming op om even uit de alledaagse drukte en sleur te komen en van de rust te genieten. Dan wordt die vakantie nogal verstoord als we voortdurend geconfronteerd worden met de ellende in de wereld. Op hetzelfde strand waar je even rustig op een terrasje wilt zitten, komen nu elke dag nieuwe migranten aan. In dezelfde steden waar wij willen rondslenteren, zwerven migranten rond in afwachting van het moment dat ze verder kunnen reizen.

 

Die voorstelbare irritatie lijkt bijna het enige gevoel te zijn dat we hebben bij het zien van de bootvluchtelingen. Het zijn er duizenden, honderdduizenden inmiddels. Maar ze komen ver van ons veilige bed aan in Zuid-Europa. En daar 'moeten ze de grenzen maar sluiten', klinkt het veelvuldig. We schrikken van scheepsrampen voor de kusten van Italië en Libië. Maar alle opvarenden blijven anoniem, alsof het ons eigenlijk niets kan schelen.

 

Een van de meest aangrijpende zinnen in het verhaal van de storm op het meer is voor mij juist die vraag aan Jezus: 'Er stak een hevige storm op en de golven beukten tegen de boot, zodat die vol water kwam te staan. Maar hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze maakten hem wakker en zeiden: 'Meester, kan het u niet schelen dat we vergaan?'... (Marcus 4:38)

 

Op zaterdag 15 augustus hebben kerken gehoor gegeven aan de oproep van Aramese christenen uit Syrië en Irak om de noodklok te luiden voor de vervolgingen daar. Die noodklok mag ook een oproep aan ons zijn. Als we ons echt druk maken om de vervolgingen en het oorlogsgeweld, dan moeten we ons ook iets aantrekken van mensen die wanhopig een veilig heenkomen en een toekomst zoeken in Europa. Los van of ze kunnen blijven of niet.

 

We kunnen ons ergeren of roepen dat de grenzen dichtmoeten. Maar ze komen toch wel. En vind je het gek? Het is net als met de zee waar de migranten vanaf kwamen: tegen de stroom in roeien werkt niet. Hoe eng en onzeker ook, we moeten ons mee laten drijven op de stroom van een woelige wereld. En zo goed en menselijk mogelijke oplossingen zoeken, voor iedereen. Anders zou Jezus ook aan ons terecht vragen: 'Waarom hebben jullie zo weinig moed? Geloven jullie nog steeds niet?'

 


Foto's: Stichting Hulpactie Bootvluchtelingen

zondag 30 augustus 2015

Hoe blind zijn wíj? (preek 30 augustus 2015)

Tekst: Zacharia 8: 4-8, 20-23 en Marcus 8: 22-26

Hoe blind zijn we zelf voor wat we wel gehoord hebben, maar niet zien? Hoe gaan we om met vluchtelingen, die we nu ineens op ons af zien komen, maar waarvan we allang gehoord hadden?

Hoe vaak gebeurt het niet dat je iets mist? Dat je iets niet gezien hebt? Dat iemand je vertelde hoe hij opzag tegen bijvoorbeeld een aanstaande operatie, maar dat je niet even gebeld of geappt hebt om sterkte te wensen op de dag van de operatie, of niet meteen daarna hebt gebeld? Van de week schoot er 's nachts ineens een naam van een zieke collega door mijn hoofd. En misschien heb denk jij nu ook wel aan iemand. Geen nood, notitie maken, straks doen en dan is het ook goed.

Als je iets mist of iets niet gezien hebt, dan is het moeilijke ervan dat het niet zo is dat je het niet wist of niet had moeten weten. Ja, je hebt gehoord dat het met hem of haar niet goed gaat, en als je dat niet gehoord hebt, dan had je het misschien op een andere manier moeten weten of merken. We hoeven tenslotte niet alles aan elkaar aan te geven, toch? Liefde tussen mensen is niet alleen maar iets voelen voor elkaar, maar ook aanvoelen. En aanvoelen is niet altijd onze sterkste kant. Vooral van mannen. Zeggen vrouwen.

Hoe kun je horende blind zijn?
Om die reden is het ook erg pijnlijk voor degene die niet gezien wordt, dat gemist wordt wat hem of haar overkomt en zo erg bezig houdt. Kijk, iemand die het niet wist of kon weten, ja, die praat je alsnog bij. Maar iemand die het wist, of die het had moeten zien, omdat die er met zijn neus bovenop staat, gaat pijnlijk de mist is als die het mist. Dat doet pijn. Dan ben je horende blind.

Nee, ik maak hier geen taalfout, ook al spreken we normaal over ziende blind en horende doof. In het evangelie van Markus zit er een onderscheid tussen de dove en de blinde. Wie de loop van het verhaal volgt leest even terug aan het eind van hoofdstuk 7 dat er een doofstomme wordt genezen door Jezus. Dat lijkt op ongeveer dezelfde manier te gaan als bij de genezing van de blinde later. Jezus neemt hem apart, raakt met speeksel aan, en gebiedt om hier niet mee in de openbaarheid te treden. Dat de doofstomme meteen is genezen, en de blinde wat langer nodig heeft, is iets waar ik zo op terugkom. Maar verder lijken de verhalen erg op elkaar.

Hoe verschillen de doofstomme en de blinde van elkaar?
Eén onderscheid is echter heel belangrijk. Bij de genezing van de doofstomme bevindt Jezus zich in het gebied van anders-gelovigen. Hij is op de terugweg naar het meer van Galilea, en is op reis van Tyrus via Sidon dwars door het gebied van Dekapolis, de tien steden. Dat is belangrijk om de rol van dit fragment in het verhaal van Markus te begrijpen. Want Jezus bevindt zich dus in het gebied van mensen die nog niet van God hebben gehoord. En dus kunnen ze er ook niet over spreken. Dit wonder van de genezing van de doofstomme is een missionair teken van liefde van God. Aan wie nog niet over Hem gehoord heeft. Oren worden geopend, zodat ze kunnen spreken over de liefde van God. En soms vindt dat verhaal van God meer gehoor bij mensen de er nog nooit van gehoord hebben...

Onder zijn eigen mensen heeft Jezus het een stuk zwaarder. Ja, de farizeeën willen ook wel een teken, zeggen ze in 8:11. Ja jongens, daar gaat het toch niet om? En Jezus haalt uit: 'Waarom verlangt uw soort mensen een teken? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden.' Nou, mooi is dat. Wel voor de heidenen, en niet voor ons? Wel voor de buitenkerkelijken, en niet voor ons? De vraag is alleen of Jezus nu zozeer die tekenen wil onthouden aan zijn eigen mensen, of dat ze het gewoon niet zien, niet willen zien, waar het tekenen van zijn?

Ondertussen zitten de leerlingen de hele tijd alleen maar te zeuren dat ze onvoldoende brood hebben. Dat begint al aan het begin van hoofdstuk 8 wanneer Jezus uiteindelijk wederom brood vermenigvuldigt, waarvan nota bene 7 manden over waren. Maar de leerlingen zijn daar niet zo zuinig mee, en vergeten gewoon voldoende brood mee te nemen. En na de confrontatie met de farizeeërs kunnen zij zich er alleen maar druk om maken dat ze onvoldoende brood bij zich hebben. Dus Jezus verzucht: 'Waarom praten jullie over dat je geen brood hebt? Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie zo hardleers?' En als hij dan met ze herhaalt hoeveel manden brood er over waren bij de twee tekenen van de broden, de eerste keer twaalf en de tweede keer zeven, vraagt hij vertwijfeld: 'Begrijpen jullie het dan nog niet?'

Je begrijpt pas als je het ziet
Jezus bevindt zich te midden van zijn eigen mensen die veel over God gehoord hebben. Maar om de een of andere redenen zien ze het niet. Ze zien de wonderen wel, maar ze zien niet wat ze vertellen over God. Ze zien de wonderen wel, maar ze zien God niet. Natuurlijk kun je God niet zien. Maar je kunt wel zien wat de woorden over God betekenen. Over wat je bijvoorbeeld moet doen. En wanneer het erop aankomt dat je wat doet. Hoe vaak laten we iets niet na waarvan we weten dat we dat moeten doen? Gewoon uit luiheid of onachtzaamheid. Het nu niet belangrijk vinden. Terwijl het voor een ander wel belangrijk is. Of omdat het anders mis gaat. Met veiligheid, of tussen mensen.

We hadden al lang over de vluchtelingen gehoord, maar we zagen niet dat we iets moesten doen
Zo weten we al jaren dat er een enorme vluchtelingenstroom onze kant op gaat komen. Dat is echt niet iets van de kranten en journaals van deze weken. We kunnen wel op onze achterste benen gaan staan, maar als we gezien hadden wat we hadden gehoord, dan wisten we dat er al jaren miljoenen mensen ontheemd leven in het Midden-Oosten en Afrika. Dat ze steeds minder te eten krijgen, omdat het geld van hulporganisaties op is, en hun vooruitzichten steeds uitzichtlozer zijn. En dat ze al jaren de Middellandse Zee over proberen te steken, te beginnen bij Lampedusa. Waar we hulpgeroep hoorden, maar niet zagen wat we moesten doen.

En kom niet bij me aan dat Europa nu ineens overspoeld wordt door vluchtelingen. Want het is niet 'ineens'. En noem ze al helemaal geen gelukszoekers. Als we deze mensen gezien hadden, nadat we over hun ellende hadden gehoord, dan hadden we gezien wat we moesten doen. Nu lopen we achter de feiten aan, en worden mensen met een oorlogstrauma slachtoffer van onze besluiteloosheid en vinden ze op hun weg traangasgranaten en prikkeldraad met scheermesjes. Hoe verzin je het?

Nu versmalt de problematiek zich tot de vraag of ze hier wel kunnen blijven? Dat willen ze zelf niet eens. Natuurlijk willen ze naar huis. Maar toen we hun ellende thuis hoorden, hebben we niets gedaan. Natuurlijk konden wij ook niet alles oplossen. Maar we hebben er niet op geanticipeerd. We hebben niets voorbereid. Het was eerst het probleem van de landen in de regio. Toen het probleem van Zuid-Europa. En nu van ons. Gefeliciteerd. We hebben het mooi voor elkaar.

Om moedeloos van te worden
Zo moedeloos moet Jezus zijn geweest toen hij de blinde zag. Zijn eigen mensen, Gods mensen, hebben zoveel over hem gehoord, en Jezus heeft over God verteld. En mensen bemoedigd. Moed ingesproken, de weg gewezen. Over hoe je kunt leven. Maar ze zien niet wat ze nu moeten doen. Ze zien niet waar het op aan komt. Geloof is iets dat ze hebben. Ze hebben een geloof. Maar ze leven er niet uit.

En Jezus neemt de man apart. Want het gaat niet om het schouwspel, het ritueel, de kerkdienst, de toespraak of wat dan ook, dat de aandacht kan trekken. Het gaat om die blindheid. Daar wil Jezus alle aandacht op leggen. En al ónze aandacht, als enige getuigen van het vertelde verhaal. Ja het is een wonder, deze genezing, maar even geen 'oh' en 'ah'; het is een teken van Gods liefde. En alle aandacht moet ernaar uitgaan waar het een teken van is. Het gaat niet om het wonder, maar om de betekenis.

Je begrijpt pas wat God zegt als je ziet wat hij bedoelt
En wat ziet de blinde? Jezus vraagt het hem. 'Ziet u iets?' Niet als controle, maar om ons te laten zien dat er een proces gaande is. 'En hij begon weer te zien en zei: 'Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.'' Wat hier gebeurt verwijst naar de schepping. Op de derde dag schiep God de bomen. Bomen lijken op mensen, in hun contouren en in hun karaktertrekken. Maar we zijn er nog niet. De mens wordt op de zesde dag geschapen. En zo legt Jezus hem weer de handen op de ogen. En toen zag hij alles heel helder. Nou, en wie ziet hij als hij genezen is? Jezus, de nieuwe Adam, de nieuwe mens. Alles ziet deze man voortaan 'door Jezus Christus, onze Heer'. Jezus geeft hem een nieuwe bril. Zijn blik op de wereld. Door de ogen van God. Je verstaat pas wat God zegt als je ziet wat Hij bedoelt.

Jezus zien 
En dan zie je Jezus. Er is een verhaal in het evangelie naar Mattheüs dat Jezus mensen prijst dat ze hem te eten gaven, drinken, hem als vreemdeling opnamen, hem kleedden, hem bezochten toen hij ziek was en toen hij gevangen zat. En de mensen vragen hem wanneer ze hem dan hongerig, dorstig, als vreemdeling, naakt, ziek en gevangen hebben gezien. En dan zegt Jezus: 'Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.'

Door Gods bril kijken
Als we werkelijk zien wat God bedoelt in alles wat Hij tot ons zegt, dat zien we Jezus in de hongerige, de dorstige, de naakte, de zieke, de gevangene, én de vreemdeling. Die ís niet Jezus, dat snap ik ook wel, maar in hem of haar zien we wat Jezus bedoelt dat ons te doen staat als wij zien wat hij zegt.

Dan zie je de toekomst!
Soms lijkt het alsof je maar beter doofstom kan zijn. Dan hoor je niet wat God zegt, en kun je tenminste ook niks missen. Maar dan zie je ook niet met de bril van God de kansen, de toekomst, de mens in anderen, allemaal mensen die mogen leven in het Koninkrijk van God. Als ze het willen zien.

maandag 20 juli 2015

Wat heb jij, vermoeide, te bieden? (preek 19 juli 2015)


Aan het begin van de zomervakantie voelt het weldadig aan dat Jezus zegt: 'Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.' We zien de grazige weiden van de camping of het weldadige terras bij het vakantiehuisje voor ons. Met je voeten in het gras of in het water. Even rust, even geen stress, even ontspannen. Er moet zoveel. We hebben onze zorgen. Onze deadlines. Onze zo goed mogelijk georganiseerde chaos. De waan van de dag. De rust is welkom. Ook voor de leerlingen. 'Want het was een voortdurend komen en gaan van mensen, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te eten.' Hoe herkenbaar, als je op een dag nog geen moment gezeten hebt, of van overleg naar overleg rent, of je meer druk moet maken om de kinderen dat ze eten, en alles bij zich hebben, maar nauwelijks aan jezelf toekomt.

Ja het staat er zo leuk, maar er komt niets van terecht. 'Ze voeren met de boot naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn. Maar hun vertrek werd opgemerkt en velen hoorden ervan, en uit alle steden haastten de mensen zich over land naar die plaats en kwamen er nog eerder aan dan Jezus en de apostelen.' Hoe de apostelen eraan toe zijn horen we niet, maar je voelt toch wel dat ze aan hun tax raken van wat ze aan kunnen. Of in ieder geval aan denken te kunnen. Ze klinken ook enigszins ongeduldig als Jezus de menigte maar blijft onderwijzen, terwijl etenstijd nadert - en zij ook wel eens wat zouden willen eten. Maar bovendien: ze zien een bult werk op zich afkomen als ze die hele menigte moeten voorzien van eten. Het is wel even goed hoor! Laat ze maar voor zichzelf zorgen! Maar Jezus legt de bal bij hen. En niet eens bij wat ze zouden kunnen doen, namelijk eten kopen. Nee, bij hen zelf alleen: wat hebben jullie te bieden?

Je gaat op vakantie en wat neem je mee?
Het laat zien dat dit bijzondere verhaal, zoals de evangelist Markus het vertelt, niet draait om Jezus, en zelfs niet om het wonder van de broden, maar om de leerlingen. Hèn wil Jezus iets leren, en daarmee ook ons. Het zijn de leerlingen die het verhaal hier ondergaan. Ze maken ook een transformatie door. Is het je al opgevallen dat in het begin van het verhaal Markus hen 'apostelen' noemt, en later 'leerlingen'? Dat is niet zonder reden. Het is logisch dat Markus hen apostelen noemt in het begin. Want dat waren ze ook: uitgezonden. Zoals je post verzendt, zo werden de apostelen de wereld ingestuurd, even hiervoor, vanaf vers 7. Twee aan twee stuurt hij hen weg. En het lijstje 'ik ga op vakantie en ik neem mee...' is verbazingwekkend klein: niets. Geen brood, geen reistas en geen geld, alleen een stok. Vooruit, sandalen, maar geen extra kleren. Je zou er zenuwachtig van worden als je zo op reis moet, of je kind zo op reis zou sturen. Dan komt het dus echt op jezelf aan, en op wat je krijgt. En daar zijn we niet zo goed in. We zijn liever voorbereid en vertrouwen zelfs niet op onze eigen creativiteit of de mogelijkheden elders, maar zijn liever verzekerd van het vertrouwde en rijden als volgepakte SRV-wagens vol met proviand, inclusief ons eigen wasmiddel, voor de veel te vele kleren die we bij ons hebben, naar onze bestemming. De apostelen echter gaan met niets dan henzelf op weg 'en maakten het goede nieuws bekend om de mensen tot inkeer te brengen, en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen.'

Dat brengt nog al wat reuring teweeg. Zelfs koning Herodes hoorde van hem, 'want zijn naam was overal bekend geworden. Sommigen zeiden: 'Johannes de Doper is opgewekt uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke gaven.' Maar anderen zeiden: 'Het is Elia,' en weer anderen zeiden: 'Hij is een profeet zoals die er vroeger waren.' Toen Herodes dit allemaal hoorde zei hij: 'Het is Johannes, die ik heb onthoofd, die weer is opgestaan.'' Een wonderlijk verhaal middenin het reisverslag van de apostelen. We hebben ons tijdens de bijbelstudie afgevraagd wat het hier doet. Voor Markus doen met zijn korte verhalen, weidt hij erg uit over de achtergrond van de dood van Johannes de Doper. Zie dat maar als extra informatie. Het leidt ons daardoor bijna af van de hoofdzaak. Want in hoofdzaak gaat het om de beweging die onder mensen op gang komt naar aanleiding van het werk van Jezus en de apostelen. Wie is Jezus? En wat kan hij voor ons betekenen?

Wat heb jij te bieden?
Mensen verwachten veel van Jezus. Wij op ieder onze eigen wijze ook. Hij is tenslotte de dragende kracht achter de beweging. En we leren toch dat we het van hem mogen verwachten en ons voor hem open moeten stellen, want: 'de Heer is mijn herder, ik kom niets tekort.'  Ja, in de traditie zoals die in het leesrooster doorklinkt, gaat het vandaag over de herder die God is, en de slechte herders die er ook zijn, en die ook wij kunnen zijn voor anderen. Maar volgens mij gaat het Evangelieverhaal hier helemaal niet over. Ja, het is belangrijk dat we erachter komen wat Jezus voor ons kan betekenen. Want dat is heel veel! En waar mensen in Jezus geloven kunnen wonderen gebeuren! Maar de clou hier is juist wat de rol van de apostelen erin kan zijn, en dus ook wat onze rol erin kan zijn. Wat heb jij te bieden? Wat kun jij betekenen?

De apostelen hebben nog iets te leren. Ze zijn er op uitgetrokken met een boodschap en een opdracht. En als ze die post hebben afgeleverd keren ze terug. Maar hoe zelfstandig zijn deze postbezorgers? Zijn ze slechts in dienst, of zijn ze ook ondernemers? Zelfstandigen met of zonder personeel? De apostelen blijken heel veel gegeven te hebben. En Jezus zegt hen, letterlijk, 'Kom mee, jullie zelf alleen, naar een plek in de woestijn, en rúst wat!' Daarin zegt hij twee opvallende dingen: hij spreekt de apostelen aan met 'jullie zelf alleen'. Echt op jezelf dus. En in de woestijn. Geen afleiding. Even helemaal bij jezelf bepaald worden. Het is niet echt een bedrijfsuitje voor teambuilding of zo. Het is voor allemaal een individuele sessie, helemaal gericht op ieder van hen persoonlijk.

Ze lijken te worden gestoord door een menigte die hen volgt. Maar Jezus gaat daar niet tegenin, maar gaat erin mee. Het lijkt alsof hij hen dit wil laten zien. Die menigte, als schapen zonder herder, gaat hij onderwijzen. Terwijl de apostelen nauwelijks tijd hadden om te eten, gaat hij de menigte onderwijzen. En zij, zij heten nu ook leerlingen. Ze zijn geen apostelen meer, geen uitgezondenen, werken niet meer bij de klant, maar ze zitten weer even op de bank, in de schoolbanken zelfs. Wat gebeurt hier? Zuerst die Moral, dann das fressen. Eerst een woord, dan het brood.

Niet naar huis sturen, maar kijken wat je te bieden hebt. Dat is genoeg
Wat gebeurt hier? Jezus ziet dat ze leken op schapen zonder herders. Dat doet denken aan het moment dat Mozes van God te horen krijgt dat hij het beloofde land niet in zal gaan, omdat het volk zich in de woestijn heeft misdragen. En Mozes vraagt dan dat God een nieuwe leider mag aanstellen over het volk 'die het kan leiden en de troepen kan aanvoeren, zodat het volk van de Heer niet wordt als een kudde schapen zonder herder.' Dat wordt Jozua. En de Hebreeuwse naam Jozua is in het Grieks Jezus. Deze nieuwe Jozua leidt hen in het beloofde land. Maar hoe doet hij dat? Door hen te onderwijzen. De leerlingen zijn blijven hangen bij de waan van de dag en hun knorrende magen. Ook belangrijk, maar niet de basis. Als het aan hen ligt gaat iedereen zijns weegs om het zijne te kopen en te eten. Maar Jezus wil verder. Hij wil de woestijn laten bloeien. Dat dorre in ons, dat vermoeide, oppeppen.

Wat hebben jullie te bieden? Vijf broden en twee vissen. Wat jullie te bieden hebben is genoeg. Op het groene gras in de woestijn is er voor iedereen genoeg. Sterker nog: als al het brood dat over is wordt opgehaald, zijn er twaalf manden over. Voor elk van de leerlingen één. Vermenigvuldigen doe je door te delen. Jazeker, maar je vermenigvuldigt door te delen op de voedingsbodem van het onderwijs van Jezus. Mooi gezegd. Deze mooie geloofsuitspraak moet wel concreter worden.

Ruimte krijgen door bij het belangrijkste te beginnen
We zijn vaak druk met van alles dat we vinden dat moet, en liefst meteen. De drukte van deadlines, maar ook de drukte van honger, verlangens, emoties. Vanwege zorgen, ook acute noden die we zien, van dingen die nu moeten gebeuren. Maar ook van verdriet dat zich opdringt door wat er gebeurt. Het kan zo maar al het andere verdringen. Hoe houd je die drukte in de hand? Dat lijkt haast ondoenlijk. En velen zijn er zo richting de zomer moe van. Er is zoveel dat ons bezighoudt. Het lijkt een tegenspraak, daar bij de menigte rondom Jezus, dat hij eerst gaat onderwijzen, maar het schept wel ruimte. En ik denk dat ruimte datgene is waar we in alle drukte zo naar verlangen. En dan lijkt het een tegenspraak om eerst te werken aan je relatie met God. Maar dat is wel je basis. Want voor God mag alles bestaan, mag jij bestaan, mag jouw leven en drukte bestaan. Dat geeft al ruimte. En bovendien mag het bestaan samen met God. Alsof het even op adem komen is, voordat alle drukte begint. Ik doe het meest op de dagen dat ik begonnen ben met iets dat niet in mijn agenda stond, of in mijn mailbox: een moment met God. In stilte, met een stukje, een bijbeltekst, wat dan ook. Als ik met mijn mailbox begin weet ik zeker dat ik nergens anders aan toekom. En het is niet voor niets dat in kloostertradities, zoals de Benedictijnse, waar ook hard gewerkt wordt naast het bidden, begonnen wordt met gebed en studie. Omdat er daarna ruimte ontstaat. Om prioriteiten te stellen. Te zien wat echt belangrijk is om te doen. En dat dan één voor één. Zodat we niet meteen verzuipen in de waan van de dag, de drukte in ons hoofd en de zorgen in ons hart.


Prioriteiten geven ruimte om te vermenigvuldigen door te delen
In vakanties daalt het stof wat neer. En niet zelden zeggen mensen naderhand: ik ga het anders doen, want ik voel nu wat ik echt belangrijk vindt. Dit verhaal gaat ook over wat echt belangrijk is. En wat we prioriteit mogen geven. Eerst je relatie met God. Niet uit luxe, maar om ruimte te krijgen. Voor het volgende: de mensen om je heen, en brood op de plank. En al het andere komt daarna wel. Sterker nog: meer dan ooit tevoren. Want wie leeft vanuit wat Jezus ons wil leren, vermenigvuldigt als hij deelt.

dinsdag 2 juni 2015

De uitdaging van de Charlie Charlie Challenge; hoe kun je ermee omgaan?

In de afgelopen dagen hoorde ik veel berichten over de Charlie Charlie Challenge. Een populair spelletje onder kinderen en tieners waarbij de 'geest' Charlie wordt uitgedaagd om antwoord te geven op vragen. Vragen genoeg bij ouders en leerkrachten, maar niet aan Charlie. Hoe kun je hiermee omgaan?

Het idee van het spelletje is heel simpel, en daarom is het spelletje ook heel laagdrempelig. Je maakt op een vel papier vier vakken door twee potloden in een kruis op elkaar te leggen. In die vier vakken schrijf je aan beide kanten 'ja' en 'nee'. Vervolgens zou je de 'geest' Charlie moeten aanroepen met de vraag 'Charlie, ben je er?' Charlie zou zich dan melden door het bovenste potlood naar 'ja' te bewegen. En daar begint de spanning. Allerlei hysterische filmpjes van de schrikreactie gaan viral, en er zijn inmiddels ook allerlei parodieën in omloop. Ze zorgen er mede voor dat het een hype wordt, waarin kinderen en jongeren het vooral spannend en grappig vinden. Maar anderen worden er bang van.

Terecht of onterecht? Geest of geestig?

Of kinderen en jongeren terecht of onterecht er bang van worden, doet er niet zoveel toe. Ze zijn het.

Het valt me tegelijkertijd op dat heel veel andere kinderen en jongeren er gewoon bij blijven nadenken. Reacties die ik kreeg vertelden ook dat ze het maar een suf spelletje vonden. En hoe kan een geest die uit Mexico zou komen nou Charlie heten? Het zou best wel eens gewoon de zwaartekracht kunnen zijn of het zou op een andere manier te verklaren kunnen zijn. Als geesten al bestaan, zeggen ze erachteraan. Los van of het allemaal klopt wat ze zeggen, het laat wel zien dat ze een zelfrelativerend vermogen hebben. Dat is nog geen reden om het ze te laten spelen. Maar velen laten het spelletje daarom al gewoon links liggen. Voor hen lost de 'challenge' zich dus vanzelf op. Het is maar hoeveel aandacht je eraan geeft.

Anderen zijn er bang van. Omdat wat ze ervan horen, of omdat wat er gebeurt onverklaarbaar is. Een geest? Geen idee, maar doe het daarom maar niet. Vaak is het al voldoende op dat te zeggen: 'doe maar niet'. Maar wat als dat niet genoeg is?

Verbieden of praten? En waarover dan?

Verbieden van het spelletje is de makkelijkste optie. Die heeft ook tot voordeel dat je er zo weinig mogelijk aandacht aan schenkt. Want wat je aandacht geeft, groeit. Liever niet dus. En dan is verbieden een optie.

Maar verbieden verbergt ook vaak dat we zelf niet zo goed weten wat we ermee moeten, en er misschien zelf bang van zijn. En dat voelen kinderen en jongeren feilloos aan. Bovendien zijn verboden vruchten aantrekkelijk. En dan doen ze het wel als je er niet bij bent. Wat niet weet wat niet deert? Dat denk ik niet. Zo helpen we onze kinderen niet.

Je eigen aarzeling is de beste ingang. En dat het maar beter is om het niet te doen ook. Dus zeg niet: niet doen! Maar: doe maar niet. Een wereld van verschil. Je neemt ze dan ook serieus. Ja, het is spannend of grappig, maar dit spel claimt dat het een geest oproept. Bestaat Charlie? Geen idee, maar we weten wel dat er meer is tussen hemel en aarde, dat we niet kunnen verklaren. En in de bijbel wordt ook zo'n geesteswereld beschreven, waarbij vooral de boodschap is: laat ze met rust.

Waarom moeten we geesten met rust laten?

Waarom? Precies omdat het onverklaarbaar is wat er gebeuren kan en je daar geen controle over hebt. Het is leuk als iets spannend is, maar je moet ook altijd zeker weten dat je er weer uit kunt en kunt zeggen: 'Stop hou op, ik vind het niet meer leuk.' Ja, dit spelletje kun je ook afsluiten, maar wel met het dreigement dat je het wel goed moet doen! En bovendien heb je geen vat op de antwoorden die er zouden komen.

Dat is precies de reden waarom de Bijbel ons wil afhouden van 'waarzeggerij' en 'tovenarij'. Hoe hokus-spokus en ver van ons bed dit ook mag klinken, gaat het ook in onze minder magische tijd om hele belangrijke dingen. Waarzeggerij gaat over wat we kunnen weten van de toekomst. Tovenarij over macht uitoefenen over wat er gebeurt. Ook in onze tijd is uit te leggen dat we de toekomst inderdaad niet in de hand hebben, en gelukkig maar. Dan kunnen we er zelf aan blijven bouwen. Je toekomst ligt niet vast, je kunt er ook geen controle over krijgen. Je kunt wel 'stop' zeggen als het niet goed gaat, en er iets beters van proberen te maken.

Je zou kunnen zeggen dat onze toekomst daarentegen in de handen van God ligt, en dat geloof ik ook, maar dat klinkt in dit verband net zo hokus-spokus. Als je het wil uitleggen, zou je kunnen zeggen dat God met ons mee de toekomst bouwt. En zijn heilige Geest geeft om dat samen met ons te doen. Toch een geest? Ja, maar deze legt jou zijn wil niet op, maar gaat met jou mee de toekomst in. Om er samen wat van te maken, van dat leven van jou.

Vaak maken we onszelf banger dan nodig. Waarom zou zo'n toekomstvoorspelling uitkomen? Vroeger zongen we met Kinderen voor Kinderen: 'Met één been op de stoep en één been in de goot, en als ik dat niet doe, dan ben ik morgen dood.' Waarom? Geen idee, maar 'ik ga er maar mee door'. Ja, 'ik schaam me er een beetje voor', zingen ze erachter aan. En zo is het ook. Omdat het ergens toch angst inboezemt. Nergens voor nodig! Je hoeft dit niet te doen, net zomin als dit spelletje. Hou je verre van iets dat de macht over jou kan krijgen of iets over jou en je toekomst te zeggen wil hebben. Dus doe het maar niet.

Onschuldig of eng? Wel of geen aandacht?

Ik hoop dat je voelt dat ik ook een dilemma ervaar hoeveel aandacht je eraan geeft. Doen of niet doen? Doe maar niet. Dat is vaak al genoeg. Verbieden? Daarmee neem je de spanning niet weg, maar praten geeft aandacht.  Dat kan ook goed zijn. Als ouders en leerkrachten hebben we gezag bij de kids. Geloof ik dat er een geesteswereld is? Ja. Geloof ik dat de geest Charlie echt bestaat? Geen idee, maar ik probeer het ook niet uit. Waarom? Omdat ik niet wil dat iets de macht over mij krijgt.

Moet je er aandacht aan besteden met de kans dat je door de aandacht het vergroot? Wees maar duidelijk. Doe het maar niet. Als ouders en leerkrachten heb je veel meer gezag dan je soms denkt. En dan waait het wel weer over. En kun je ze, als het zo uitkomt, ook iets waardevols meegeven. Als je iets spannends wil doen, moet dat altijd iets zijn waar je 'Stop, hou op, ik vind het niet meer leuk' tegen kunt zeggen. Want jij gaat over je eigen leven. En God staat met zijn heilige Geest achter je!

Bron illustratie: Pinterest