De schenker en de bakker
Van de put in de gevangenis: je moet veel geluk hebben om eruit te komen.
Als zo vaak in de bijbel is het diepste dieptepunt ook een omslagpunt.
Het is meer dan: het kan nu alleen nog maar beter gaan.
Als alles je is afgevallen, als er niets meer over is,
dan blijft alleen over wat echt telt, en wat er echt toe doet.
En dat is in het geval van Jozef geen uitverkoren positie in de wereld meer,
maar enkel zijn eigen kracht, zijn talent, zijn gave.
Datgene waarmee God hem speciaal gemaakt heeft.
Genesis 39: 20 Zo kwam Jozef in de gevangenis terecht. 21 Maar de HEER stond hem terzijde en bewees hem zijn goedheid door ervoor te zorgen dat Jozef bij de gevangenbewaarder in de gunst kwam. 22 Jozef kreeg de leiding over alle gevangenen en hij hield toezicht op het werk dat ze deden. 23 De gevangenbewaarder had geen omkijken naar wat aan Jozef was toevertrouwd, omdat de HEER hem terzijde stond en alles wat Jozef ter hand nam voorspoedig liet verlopen.
40
1-2 Enige tijd later maakten de opperschenker en de opperbakker van de koning van Egypte zich schuldig aan een vergrijp tegenover hun heer. De farao was woedend op deze twee hovelingen, 2 [1–2] 3 en liet hen in bewaring stellen in de gevangenis van de commandant van de lijfwacht, de gevangenis waarin ook Jozef zat. 4-5 De commandant droeg Jozef op hen te bedienen.
De schenker en de bakker van de koning hadden al geruime tijd in hechtenis gezeten toen ze allebei in dezelfde nacht een droom kregen, ieder een droom met een eigen betekenis. 5 [4–5] 6 Toen Jozef de volgende morgen bij hen kwam, viel het hem op dat ze er slecht uitzagen. 7 ‘Waarom kijkt u vandaag zo somber?’ vroeg hij deze hovelingen van de farao, die samen met hem in de gevangenis van zijn meester zaten. 8 ‘We hebben een droom gehad,’ antwoordden ze, ‘maar er is hier niemand die hem kan uitleggen.’ Jozef zei: ‘De uitleg van dromen is toch een zaak van God? Vertelt u mij die dromen eens.’
De schenker en de bakker vertellen hem hun dromen. Het volgende lied zal daarover vertellen. Dromen die een tegenovergestelde betekenis zullen blijken te hebben. De schenker wordt in ere hersteld, de bakker treft het noodlot. Pikant in dit verhaal is de schenker die wijn schenkt wel overleeft en de bakker niet. Je zou toch denken dat brood belangrijker is dan wijn. Er zijn geleerden die beweren dat dit in de lijn staat van bijvoorbeeld het eerste wonder dat Jezus verricht. Het eerste wonder was de bruiloft te Kana, waar hij water in wijn veranderde. Ook wordt gewezen op Noach, die als eerste daad na de drooglegging om het zo maar eens te zeggen, juist een wijngaard plant en goed van de wijn geniet. De zoon die hem daarom bekritiseert wordt juist veroordeeld. Er zit een gedachte achter dat de wijn symbool staat voor de gave van het Koninkrijk van God, voor datgene wat niet meteen het eerst praktisch noodzakelijke is, geen nut heeft zozeer voor de mensheid. Het gaat uiteindelijk om het beginnen bij het koninkrijk van God. Om het beginnen bij wat God ons heeft gegeven, niet om wat wijzelf ervan maken. Zo is ook voor Jozef belangrijk dat het diep in de gevangenis alleen maar gaat om wat God heeft gegeven. En hij lijkt dat te begrijpen als hij zegt: De uitleg van dromen is toch een zaak van God?
Het bijzondere aan hem zorgt ervoor dat hij leiding krijgt over alle gevangenen, en zo komt hij in de positie dat hij de dromen van de schenker en de bakker te horen krijgt en kan verklaren. De functie van dit alles voor het hele verhaal is dat de vrijspraak van de schenker het begin is van de opgang na de ondergang. Als de Farao onverklaarbare dromen krijgt is het de schenker die zich Jozef herinnert, en zo komt Jozef uit de gevangenis, en uiteindelijk wordt hij zelfs onderkoning. Zo is ook hier de wijn het begin. Het gaat niet om ons eigen koninkrijk maar om het koninkrijk van God. Sja la la Jozef, we heffen het glas, Jozef op jou en je regenboogjas.
Het nummer ‘Kom op nou Jozef’ gaat over die gevangenschap, de dromen van de bakker en de schenker, die hier wat moderner een butler is, en wijst vooruit naar de rehabilitatie van Jozef. Go, go, go ,go!
maandag 8 februari 2010
Josephdienst 1 - Genesis 37
(Na 'Jakob en zoons')
Jakob en zoons – een goed begin van het verhaal in de musical.
Daar gaat het verhaal eigenlijk ook over, over Jakob en zoons.
In Genesis 37 staat meteen aan het begin: 1 Jakob vestigde zich in Kanaän, het land waar ook zijn vader gewoond had. 2 Dit is de geschiedenis van Jakob en zijn nakomelingen.
We worden dus meteen weer meegenomen in de reis waarvan we zongen met de kinderen, want op die reis vestigt Jakob zich in Kanaän.
Er staat immers ook letterlijk: hij woonde in het land van de vreemdelingschap van zijn vader.
Jakob was dus een vreemdeling in zijn eigen land.
Het land heet ook nog Kanaän en nog geen Israël. Zo heet alleen Jakob nog maar.
Het klinkt zo alsof het een tussenstop is.
Kennelijk gaat de reis nog verder.
En dat klopt: die reis zal voor Jakob en zoons uiteindelijk eindigen in Egypte.
Jakob en zoons: het verhaal gaat dus voor de verteller uit de bijbel niet over Jozef.
Het gaat over Jakob en zijn nakomelingen.
Dat zegt heel veel over de bedoeling van het verhaal.
De bedoeling is niet om een kaskrakende film neer te zetten over een ster, Jozef,
maar het verhaal gaat over al die sterren bij elkaar.
Over die belofte aan Abraham.
1 De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.
2 Ik zal je tot een groot volk maken,
ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven,
een bron van zegen zul je zijn. (Gen 12)
Wijzend op de sterren zei God: zoveel als er sterren zijn, zo groot zal jouw familie, jouw volk zijn.
En hier waren al een aantal sterren bij elkaar, Jakob en zijn nakomelingen.
Want meer was het niet.
Jakob is slechts de linking pin tussen dit zooitje ongeregeld aan nakomelingen.
Ze zijn allemaal zoons van Jakob, maar ze zijn nog geen broers.
Jakob wordt hier ook geen Israël genoemd, maar gewoon Jakob.
Niet met de naam die later zijn volk zal dragen, dat voortkomt uit de twaalf stammen waar zijn zonen stamvaders van zullen zijn.
Nee, het is nog gewoon Jakob en zoons.
Meer niet.
Ze zijn geen eenheid, goddank is papa er nog, maar de broers vormen geen eenheid, helemaal nog geen begin van een volk.
Ze hebben moeite om vorm te geven aan die belofte van God.
Ze maken deel uit van de zegen die aan Abraham is beloofd, maar nu?
Alsof je een groep mensen uitverkiest en op een plek bij elkaar zet en zegt: maak er maar wat van.
Die bevoorrechte positie leidt in eerste instantie tot veel onderlinge afgunst en strijd om wie de belangrijkste is.
De broers van Jozef doen dat, en nemen de zegen en het recht in eigen hand.
Zoals Ruben, die met een bijvrouw van zijn vader het bed deelt, en Simeon en Levi die wraak nemen voor de verkrachting van hun zus Dina.
Maar Jozef doet dat ook.
Bij hem wordt die uitverkoren positie versterkt door de voorkeursbehandeling van zijn vader, maar ook door de dromen die hij krijgt.
(Gen 37) 5 Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn broers vertelde, kregen ze een nog grotere hekel aan hem. 6 ‘Moeten jullie nu eens horen wat ik heb gedroomd,’ zei hij. 7 ‘We waren op het land schoven aan het binden, en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en bogen daarvoor.’ 8 Zijn broers zeiden: ‘Dacht je soms koning over ons te worden? Wil je over ons heersen?’ Vanwege dat gepraat over zijn dromen gingen ze hem hoe langer hoe meer haten. 9 Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers vertelde. ‘Ik heb alweer een droom gehad,’ zei hij. ‘Nu bogen de zon, de maan en elf sterren zich voor mij neer.’ 10 Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht: ‘Zeg, wat is dat voor een droom! Moeten ik, je moeder en je broers ons soms voor jou komen neerbuigen?’ 11 De broers konden Jozef wel vermoorden, maar zijn vader bleef nadenken over wat er gebeurd was.
Deze dromen zijn geen waanideeën maar concrete uitingen van wat God met zijn belofte voor ogen heeft.
En het is aan de mens om dat ook te verstaan in dat licht.
Maar ook Jozef betrekt de uitverkoren positie en daarmee ook de dromen vooralsnog vooral op zichzelf.
En dat nemen de andere uitverkorenen hem niet in dank af.
Zij kunnen net zo min met deze zegen omgaan, en willen van Jozef af.
Maar in dat hele verhaal zit een voortgaande vervulling van de belofte en komen de dromen juist uit, en worden de zonen van Jakob broers, het begin van een volk
Dat kun je al opmaken uit het begin:
(Gen 37) 12 Toen Jozefs broers er eens op uit getrokken waren om de kudden van hun vader bij Sichem te laten grazen, 13 zei Israël tegen Jozef: ‘Zoals je weet zijn je broers het vee aan het weiden bij Sichem. Ga jij eens naar hen toe.’ ‘Goed,’ zei Jozef, 14 en Jakob vervolgde: ‘Ga kijken hoe je broers het maken en hoe het met het vee staat, en breng mij dan verslag uit.’ Zo stuurde Jakob hem vanuit de Hebronvallei naar Sichem. 15 Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht. 16 ‘Ik ben op zoek naar mijn broers,’ antwoordde hij.
Er wordt hier gesproken over Jozefs broers, kennelijk gaat het erom dat hij broederschap gaat zoeken.
En het is niet Jakob die hem stuurt, maar Israël – de naamgever van het latere volk.
En Jozef zegt niet zomaar: ok!, maar gaat zijn weg op een pad dat God voor hem heeft uitgestippeld om de broers tot een volk te maken.
Kijk maar:
Hij gaat op weg staat er om zijn broers te zoeken, dus om broederschap te zoeken, want dat is er bij lange na nog niet. Daarom staat er ook dat zijn broeder de kudde van hun vader gingen weiden. Niet hun eigen kudde, want Israël is nog niet van hen, ze zijn nog slechts erfgenamen, nakomelingen. De kudde moet nog hun kudde worden en Jozef wordt erop uitgestuurd om de broederschap te zoeken. Jakob Israël zegt letterlijk: zie naar de vrede van uw broers, zie naar de vrede van de kudde, en breng mij een woord weerom. Jozef moet zoeken naar de vrede, die onmiskenbaar bij de zegen hoort, naar de vrede van zijn broers en van de kudde, van Israël. En hij moet met een woord weerom komen; dat wil zeggen: de wording van het volk Israël moet voltooid zijn en ze moeten in vrede broers zijn en weiden over de kudde van Israël als hun eigen kudde. In tegenstelling tot wat je misschien intuïtief zou denken is het vanaf hier met de arrogantie van Jozef gedaan. We vinden nog maar twee woorden van hem: een antwoord op zijn vader en de verwoording van zijn opdracht. Hij zegt tegen zijn vader niet zomaar ‘goed!’ zoals in onze vertaling staat, maar ‘zie, ik’ oftewel: ‘hier ben ik’. Een profetische aanvaarding van zijn roeping. En verder zegt hij nog enkel tegen iemand die hij tegenkomt: ‘ik zoek mijn broers’. Dat is zijn opdracht. Het woord weerom laat nog even op zich wachten: Jozef spreekt Jakob Israël pas weer in Egypte, als iedereen is verzoend en Jakobs zonen in vrede broers zijn geworden.
Zo gaat Jozef op reis, de belofte achterna:
(Gen 37) 18 Zijn broers zagen hem al van ver, en nog voordat hij hen had bereikt, hadden ze een plan beraamd om hem te doden. 19 ‘Kijk daar eens,’ zeiden ze tegen elkaar, ‘daar komt die meesterdromer aan. 20 Dit is onze kans! Laten we hem vermoorden en hem ergens in een put gooien. We zeggen gewoon dat hij door een roofdier is verslonden. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen uitkomt.’ 21 Toen Ruben dat hoorde, wilde hij proberen Jozef te redden. ‘Nee, laten we hem niet om het leven brengen,’ zei hij. 22 ‘Er mag geen bloed vloeien! Gooi hem in die put hier, in deze verlaten streek, maar breng hem niet om.’ Zo wilde hij Jozef uit hun handen redden en hem ongedeerd naar zijn vader terug laten gaan. 23 Zodra Jozef bij zijn broers was gekomen, trokken ze hem zijn bovenkleed uit, dat mooie veelkleurige gewaad, 24 en gooiden hem in de put; de put was leeg, er stond geen water in. 25 Daarna gingen ze zitten eten.
Opeens zagen ze een karavaan naderen. Het waren Ismaëlieten die uit de richting van Gilead kwamen en op weg waren naar Egypte. De kamelen waren beladen met gom, balsem en cistushars. 26 Toen zei Juda tegen zijn broers: ‘Wat hebben we eraan om onze broer te vermoorden? Dan moeten we ook de sporen weer zien uit te wissen. 27 Laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem om te brengen; hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.’ De anderen stemden hiermee in. 28 Toen er Midjanitische kooplieden uit de karavaan voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sjekel, en die Ismaëlieten namen Jozef mee naar Egypte.
29 Toen Ruben weer bij de put kwam en ontdekte dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. 30 Hij ging naar zijn broers terug. ‘De jongen is weg!’ riep hij. ‘Wat nu, wat moet ik nu!’ 31 Toen slachtten ze een bokje, pakten Jozefs veelkleurige gewaad en dompelden dat in het bloed. 32 Daarna lieten ze het naar hun vader brengen met de boodschap: ‘Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed, is dit niet het kleed van uw zoon?’ 33 Jakob herkende het en riep uit: ‘Het kleed van mijn zoon! Hij moet verslonden zijn door een roofdier! Hij is verscheurd, Jozef is verscheurd!’ 34 Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om en rouwde over zijn zoon, dagenlang. 35 Al zijn zonen en dochters deden hun best om hem te troosten, maar hij wilde niet getroost worden en zei: ‘Ik zal rouw dragen totdat ik naar mijn zoon in het dodenrijk afdaal.’ Zo treurde Jakob om zijn zoon.
36 De Midjanieten brachten Jozef naar Egypte en verkochten hem aan Potifar, een hoveling van de farao en commandant van zijn lijfwacht.
Zo belandt Jozef in Egypte. En niet veel later in de kerker.
Want Jozef draagt niet alleen de zegen van God met zich mee in de dromen die hij heeft,
maar ziet er kennelijk ook goddelijk uit.
Hij heeft iets dat zijn broers jaloers maakte, maar dat ook andere mensen graag willen bezitten.
Jozef heeft iets, het is moeilijk te vatten, ongrijpbaar, zoals een dromer ongrijpbaar is.
Hij is mooi, en tegelijk zo onbereikbaar.
Wie hem begeert, stoot hem af als hij hem niet kan krijgen.
En dat gebeurt Jozef, en hij belandt in de kerker.
Sluit alle deuren maar.
Wat mij betreft qua tekst het mooiste lied van de musical.
Omdat het lied begrijpt welk gevoel dit verhaal vertegenwoordigt.
Van een volk dat zo vaak is afgestoten om haar bijzondere karakter,
en tegelijkertijd de belofte in zich draagt één te zijn met zijn allen in het beloofde land.
Sloop al mijn dromen maar, steel mijn geliefden maar,
kind’ren van Israel zijn nooit alleen!
Het verhaal klinkt hierin door van een vervolgd volk,
met het diepste dieptepunt de Holocaust.
In herinnering aan Auschwitz klinken de woorden ‘Geef mij dan een nummer in plaats van mijn naam’ als een aanklacht tegen de geschiedenis en een uitroep: nooit meer Auschwitz!
Daarom nu: Sluit alle deuren maar.
Jakob en zoons – een goed begin van het verhaal in de musical.
Daar gaat het verhaal eigenlijk ook over, over Jakob en zoons.
In Genesis 37 staat meteen aan het begin: 1 Jakob vestigde zich in Kanaän, het land waar ook zijn vader gewoond had. 2 Dit is de geschiedenis van Jakob en zijn nakomelingen.
We worden dus meteen weer meegenomen in de reis waarvan we zongen met de kinderen, want op die reis vestigt Jakob zich in Kanaän.
Er staat immers ook letterlijk: hij woonde in het land van de vreemdelingschap van zijn vader.
Jakob was dus een vreemdeling in zijn eigen land.
Het land heet ook nog Kanaän en nog geen Israël. Zo heet alleen Jakob nog maar.
Het klinkt zo alsof het een tussenstop is.
Kennelijk gaat de reis nog verder.
En dat klopt: die reis zal voor Jakob en zoons uiteindelijk eindigen in Egypte.
Jakob en zoons: het verhaal gaat dus voor de verteller uit de bijbel niet over Jozef.
Het gaat over Jakob en zijn nakomelingen.
Dat zegt heel veel over de bedoeling van het verhaal.
De bedoeling is niet om een kaskrakende film neer te zetten over een ster, Jozef,
maar het verhaal gaat over al die sterren bij elkaar.
Over die belofte aan Abraham.
1 De HEER zei tegen Abram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.
2 Ik zal je tot een groot volk maken,
ik zal je zegenen, ik zal je aanzien geven,
een bron van zegen zul je zijn. (Gen 12)
Wijzend op de sterren zei God: zoveel als er sterren zijn, zo groot zal jouw familie, jouw volk zijn.
En hier waren al een aantal sterren bij elkaar, Jakob en zijn nakomelingen.
Want meer was het niet.
Jakob is slechts de linking pin tussen dit zooitje ongeregeld aan nakomelingen.
Ze zijn allemaal zoons van Jakob, maar ze zijn nog geen broers.
Jakob wordt hier ook geen Israël genoemd, maar gewoon Jakob.
Niet met de naam die later zijn volk zal dragen, dat voortkomt uit de twaalf stammen waar zijn zonen stamvaders van zullen zijn.
Nee, het is nog gewoon Jakob en zoons.
Meer niet.
Ze zijn geen eenheid, goddank is papa er nog, maar de broers vormen geen eenheid, helemaal nog geen begin van een volk.
Ze hebben moeite om vorm te geven aan die belofte van God.
Ze maken deel uit van de zegen die aan Abraham is beloofd, maar nu?
Alsof je een groep mensen uitverkiest en op een plek bij elkaar zet en zegt: maak er maar wat van.
Die bevoorrechte positie leidt in eerste instantie tot veel onderlinge afgunst en strijd om wie de belangrijkste is.
De broers van Jozef doen dat, en nemen de zegen en het recht in eigen hand.
Zoals Ruben, die met een bijvrouw van zijn vader het bed deelt, en Simeon en Levi die wraak nemen voor de verkrachting van hun zus Dina.
Maar Jozef doet dat ook.
Bij hem wordt die uitverkoren positie versterkt door de voorkeursbehandeling van zijn vader, maar ook door de dromen die hij krijgt.
(Gen 37) 5 Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn broers vertelde, kregen ze een nog grotere hekel aan hem. 6 ‘Moeten jullie nu eens horen wat ik heb gedroomd,’ zei hij. 7 ‘We waren op het land schoven aan het binden, en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en bogen daarvoor.’ 8 Zijn broers zeiden: ‘Dacht je soms koning over ons te worden? Wil je over ons heersen?’ Vanwege dat gepraat over zijn dromen gingen ze hem hoe langer hoe meer haten. 9 Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers vertelde. ‘Ik heb alweer een droom gehad,’ zei hij. ‘Nu bogen de zon, de maan en elf sterren zich voor mij neer.’ 10 Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht: ‘Zeg, wat is dat voor een droom! Moeten ik, je moeder en je broers ons soms voor jou komen neerbuigen?’ 11 De broers konden Jozef wel vermoorden, maar zijn vader bleef nadenken over wat er gebeurd was.
Deze dromen zijn geen waanideeën maar concrete uitingen van wat God met zijn belofte voor ogen heeft.
En het is aan de mens om dat ook te verstaan in dat licht.
Maar ook Jozef betrekt de uitverkoren positie en daarmee ook de dromen vooralsnog vooral op zichzelf.
En dat nemen de andere uitverkorenen hem niet in dank af.
Zij kunnen net zo min met deze zegen omgaan, en willen van Jozef af.
Maar in dat hele verhaal zit een voortgaande vervulling van de belofte en komen de dromen juist uit, en worden de zonen van Jakob broers, het begin van een volk
Dat kun je al opmaken uit het begin:
(Gen 37) 12 Toen Jozefs broers er eens op uit getrokken waren om de kudden van hun vader bij Sichem te laten grazen, 13 zei Israël tegen Jozef: ‘Zoals je weet zijn je broers het vee aan het weiden bij Sichem. Ga jij eens naar hen toe.’ ‘Goed,’ zei Jozef, 14 en Jakob vervolgde: ‘Ga kijken hoe je broers het maken en hoe het met het vee staat, en breng mij dan verslag uit.’ Zo stuurde Jakob hem vanuit de Hebronvallei naar Sichem. 15 Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht. 16 ‘Ik ben op zoek naar mijn broers,’ antwoordde hij.
Er wordt hier gesproken over Jozefs broers, kennelijk gaat het erom dat hij broederschap gaat zoeken.
En het is niet Jakob die hem stuurt, maar Israël – de naamgever van het latere volk.
En Jozef zegt niet zomaar: ok!, maar gaat zijn weg op een pad dat God voor hem heeft uitgestippeld om de broers tot een volk te maken.
Kijk maar:
Hij gaat op weg staat er om zijn broers te zoeken, dus om broederschap te zoeken, want dat is er bij lange na nog niet. Daarom staat er ook dat zijn broeder de kudde van hun vader gingen weiden. Niet hun eigen kudde, want Israël is nog niet van hen, ze zijn nog slechts erfgenamen, nakomelingen. De kudde moet nog hun kudde worden en Jozef wordt erop uitgestuurd om de broederschap te zoeken. Jakob Israël zegt letterlijk: zie naar de vrede van uw broers, zie naar de vrede van de kudde, en breng mij een woord weerom. Jozef moet zoeken naar de vrede, die onmiskenbaar bij de zegen hoort, naar de vrede van zijn broers en van de kudde, van Israël. En hij moet met een woord weerom komen; dat wil zeggen: de wording van het volk Israël moet voltooid zijn en ze moeten in vrede broers zijn en weiden over de kudde van Israël als hun eigen kudde. In tegenstelling tot wat je misschien intuïtief zou denken is het vanaf hier met de arrogantie van Jozef gedaan. We vinden nog maar twee woorden van hem: een antwoord op zijn vader en de verwoording van zijn opdracht. Hij zegt tegen zijn vader niet zomaar ‘goed!’ zoals in onze vertaling staat, maar ‘zie, ik’ oftewel: ‘hier ben ik’. Een profetische aanvaarding van zijn roeping. En verder zegt hij nog enkel tegen iemand die hij tegenkomt: ‘ik zoek mijn broers’. Dat is zijn opdracht. Het woord weerom laat nog even op zich wachten: Jozef spreekt Jakob Israël pas weer in Egypte, als iedereen is verzoend en Jakobs zonen in vrede broers zijn geworden.
Zo gaat Jozef op reis, de belofte achterna:
(Gen 37) 18 Zijn broers zagen hem al van ver, en nog voordat hij hen had bereikt, hadden ze een plan beraamd om hem te doden. 19 ‘Kijk daar eens,’ zeiden ze tegen elkaar, ‘daar komt die meesterdromer aan. 20 Dit is onze kans! Laten we hem vermoorden en hem ergens in een put gooien. We zeggen gewoon dat hij door een roofdier is verslonden. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen uitkomt.’ 21 Toen Ruben dat hoorde, wilde hij proberen Jozef te redden. ‘Nee, laten we hem niet om het leven brengen,’ zei hij. 22 ‘Er mag geen bloed vloeien! Gooi hem in die put hier, in deze verlaten streek, maar breng hem niet om.’ Zo wilde hij Jozef uit hun handen redden en hem ongedeerd naar zijn vader terug laten gaan. 23 Zodra Jozef bij zijn broers was gekomen, trokken ze hem zijn bovenkleed uit, dat mooie veelkleurige gewaad, 24 en gooiden hem in de put; de put was leeg, er stond geen water in. 25 Daarna gingen ze zitten eten.
Opeens zagen ze een karavaan naderen. Het waren Ismaëlieten die uit de richting van Gilead kwamen en op weg waren naar Egypte. De kamelen waren beladen met gom, balsem en cistushars. 26 Toen zei Juda tegen zijn broers: ‘Wat hebben we eraan om onze broer te vermoorden? Dan moeten we ook de sporen weer zien uit te wissen. 27 Laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem om te brengen; hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.’ De anderen stemden hiermee in. 28 Toen er Midjanitische kooplieden uit de karavaan voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sjekel, en die Ismaëlieten namen Jozef mee naar Egypte.
29 Toen Ruben weer bij de put kwam en ontdekte dat Jozef er niet meer in zat, scheurde hij zijn kleren. 30 Hij ging naar zijn broers terug. ‘De jongen is weg!’ riep hij. ‘Wat nu, wat moet ik nu!’ 31 Toen slachtten ze een bokje, pakten Jozefs veelkleurige gewaad en dompelden dat in het bloed. 32 Daarna lieten ze het naar hun vader brengen met de boodschap: ‘Dit hebben we gevonden. Kijk eens goed, is dit niet het kleed van uw zoon?’ 33 Jakob herkende het en riep uit: ‘Het kleed van mijn zoon! Hij moet verslonden zijn door een roofdier! Hij is verscheurd, Jozef is verscheurd!’ 34 Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om en rouwde over zijn zoon, dagenlang. 35 Al zijn zonen en dochters deden hun best om hem te troosten, maar hij wilde niet getroost worden en zei: ‘Ik zal rouw dragen totdat ik naar mijn zoon in het dodenrijk afdaal.’ Zo treurde Jakob om zijn zoon.
36 De Midjanieten brachten Jozef naar Egypte en verkochten hem aan Potifar, een hoveling van de farao en commandant van zijn lijfwacht.
Zo belandt Jozef in Egypte. En niet veel later in de kerker.
Want Jozef draagt niet alleen de zegen van God met zich mee in de dromen die hij heeft,
maar ziet er kennelijk ook goddelijk uit.
Hij heeft iets dat zijn broers jaloers maakte, maar dat ook andere mensen graag willen bezitten.
Jozef heeft iets, het is moeilijk te vatten, ongrijpbaar, zoals een dromer ongrijpbaar is.
Hij is mooi, en tegelijk zo onbereikbaar.
Wie hem begeert, stoot hem af als hij hem niet kan krijgen.
En dat gebeurt Jozef, en hij belandt in de kerker.
Sluit alle deuren maar.
Wat mij betreft qua tekst het mooiste lied van de musical.
Omdat het lied begrijpt welk gevoel dit verhaal vertegenwoordigt.
Van een volk dat zo vaak is afgestoten om haar bijzondere karakter,
en tegelijkertijd de belofte in zich draagt één te zijn met zijn allen in het beloofde land.
Sloop al mijn dromen maar, steel mijn geliefden maar,
kind’ren van Israel zijn nooit alleen!
Het verhaal klinkt hierin door van een vervolgd volk,
met het diepste dieptepunt de Holocaust.
In herinnering aan Auschwitz klinken de woorden ‘Geef mij dan een nummer in plaats van mijn naam’ als een aanklacht tegen de geschiedenis en een uitroep: nooit meer Auschwitz!
Daarom nu: Sluit alle deuren maar.
Josephdienst - inleiding
Afgelopen zondag de Josephdienst in de Gereformeerde Kerk.
Koor Laudate Dominum zong liedjes uit de musical Joseph. Tussendoor lazen we de verhalen uit de bijbel over Jozef, die verdieping gaven aan de liedjes.
Fantastisch om te doen, een volle, maar waardevolle dienst, in een volle kerk. Een zegen! In de volgend blogs volgen mijn teksten. We begonnen het verhaal rondom de liedjes zo:
Wanneer mensen dromen
worden mensen opnieuw geboren
Meegevoerd door de wind van de Geest
zien ze wat geen oog eerder heeft gezien
en geen oor eerder heeft gehoord.
Dat verre uitzicht
brengt de hoop dichterbij
maakt geloof geloofwaardiger
en liefde zinvoller.
We horen vandaag het verhaal van een dromer,
Jozef, de zoon van Jakob,
opgetekend in de laatste hoofdstukken
van het eerste bijbelboek, Genesis.
De musical Joseph and the Amazing Technicolor Dreamcoat
is geïnspireerd op dit verhaal.
Liedjes uit deze musical illustreren dat verhaal.
We beginnen bij het begin.
Koor Laudate Dominum zong liedjes uit de musical Joseph. Tussendoor lazen we de verhalen uit de bijbel over Jozef, die verdieping gaven aan de liedjes.
Fantastisch om te doen, een volle, maar waardevolle dienst, in een volle kerk. Een zegen! In de volgend blogs volgen mijn teksten. We begonnen het verhaal rondom de liedjes zo:
Wanneer mensen dromen
worden mensen opnieuw geboren
Meegevoerd door de wind van de Geest
zien ze wat geen oog eerder heeft gezien
en geen oor eerder heeft gehoord.
Dat verre uitzicht
brengt de hoop dichterbij
maakt geloof geloofwaardiger
en liefde zinvoller.
We horen vandaag het verhaal van een dromer,
Jozef, de zoon van Jakob,
opgetekend in de laatste hoofdstukken
van het eerste bijbelboek, Genesis.
De musical Joseph and the Amazing Technicolor Dreamcoat
is geïnspireerd op dit verhaal.
Liedjes uit deze musical illustreren dat verhaal.
We beginnen bij het begin.
maandag 1 februari 2010
Scheurbijbel - psalm 23

Zojuist op de bijbelse scheurkalender gelezen, een subtiel andere vertaling van psalm 23: De Heer is mijn herder, ik kom niet tekort.
Zie je het?
De Heer is mijn herder, ik kom niet tekort.
Niet 'niets', maar 'niet'.
De Heer is mijn herder, ik kom niet tekort.
Zou de psalmist het niet ook zo bedoeld hebben? Niet met de bedoeling dat je alles krijgt wat je hart begeert, maar dat God je niet tekort laat komen. Je tot je recht laat komen. En dat je daarom misschien niet krijgt wat je wil, maar dat je wel dat krijgt wat je nodig hebt. Zoals in dat gedicht over bidden: ik kreeg niets waarom ik vroeg, maar alles wat ik nodig had.
Hoe één letter een wereld van verschil maakt...
zondag 31 januari 2010
Zondag 31 januari, Exodus 1: Tegen de verdrukking in gaat het verhaal door
In de voorbereiding op de preken van deze weken word ik een beetje door elkaar geklutst, omdat ik volgende week iets wil vertellen over Jakobs zonen en in het bijzonder over Jozef, terwijl ik nu eerst over het eerste hoofdstuk van het volgende boek, Exodus, moet vertellen. Maar in de verhalen over Jakobs zonen, sterker nog: in de verhalen van Abraham, Izaak en Jakob en zijn zonen, liggen wel de wortels van Exodus.
Het hoofdstuk van vandaag begint er ook mee. ‘Dit zijn de namen’, staat er, ‘van de zonen van Israël die samen met hem, Jakob, naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin.’ Dan volgen de namen van zijn zonen in de volgorde van wie hun moeders waren, en aan het eind staat er wat droogjes: ‘Jozef was al langer in Egypte.’ Ja, dat kun je wel zeggen, daar hadden de andere zonen van Jakob voor gezorgd. Maar het is goed dat het er kort staat, want net als in Genesis gaat het niet om Jozef, als de ster van de show, maar om Jakob en zijn zonen, nee, meer nog: om de zonen van Israël, staat er. Met die naam die God aan Jakob heeft gegeven wordt het verhaal in een breder kader geplaatst. Het gaat niet alleen om die ene zoon, ook niet om al die zoons bij elkaar, ook niet om hun vader op zich, maar om een volk, om Israël. Hier zien we een volk in het klein in alle stamvaders, het oorspronkelijke Israël. Met hun gezinnen erbij zeventig in getal, het getal van volheid. Anders gezegd: alle ingrediënten bij elkaar, een maggieblokje, in staat om een talrijk en smakelijk volk te worden. Een volk dat naar meer smaakt, omdat het een zegen voor de wereld is. Maar die zegen wordt niet meer begrepen, men heeft het zogezegd tegengegeten, maar dan zelfs zonder ervan te proeven, want, staat er, ‘Er kwam in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had.’
Het verhaal verwijst ons dus automatisch terug, en we moeten ook even terug om die zegen te begrijpen. De zegen gaat terug op Abraham, aan wie de zegen beloofd wordt. Een groot volk zul je zijn en je zult een zegen voor de wereld zijn. Het duurde twee generaties maar bij Jakob was het zover en kwamen naast een dochter twaalf zonen. Om een klein voorschotje te nemen op volgende week gaat het verhaal van Jozef net als vandaag over de zonen van Jakob, die dan nog geen Israël genoemd wordt. Waarom niet? Omdat de zonen nog geen broers zijn, omdat ze nog niet voor elkaar instaan, omdat ze nog geen volk zijn. En dat heeft alles te maken met het omgaan met die zegen. Ieder van de zonen van Jakob wilde die zegen voor zichzelf houden, en ieder probeerde op zijn manier zijn graantje mee te pikken. Pas toen het graan op was, en ze naar Egypte moesten waar ze Jozef naar toe hadden gestuurd, pas toen begrepen ze wat het betekent om broers te zijn, verbonden te zijn met elkaar. En toen begrepen ze pas wat het betekent om een zegen te zijn. Dat je die niet voor jezelf moet houden, maar dat het erom gaat een zegen te zijn temidden van de volken. Dat wil het verhaal van Jozef vertellen: dat de belofte van God aan Abraham betekent Zijn zegen te zijn temidden van de volken.
In Jozefs verhaal is dat heel concreet: hij is in zijn uitleg van dromen een redder van de mensheid, omdat hij een hongersnood ziet aankomen en door slim management ervoor zorgt dat er ook in de magere jaren voldoende voedsel is. Daar komen ook zijn broers op af, en zo ontstaat dat volk Israël, maar wel in den vreemde. Het is vaker dat het buitenland, of buitenlanders, aan de wieg staan van een stukje vervulling van de belofte. We zien dat vandaag ook in de vroedvrouwen. Maar eerst is er nog dat Anderland waar de zonen van Israël herenigd worden tot een volk. En dan ontstaat onvermijdelijk de vraag, waarmee Genesis eindigt: als wij een zegen mogen zijn temidden van de volken, waar is onze plaats dan? Daar verwijst Jozef naar in zijn laatste woorden. Eerst is er nog de angst van zijn broers, dat Jozef na het overlijden van hun vader wraak zal nemen, maar Jozef zegt dat God het kwaad ten goede heeft gekeerd, staat er, ‘om te bewerken wat er nu gebeurt: dat een groot volk in leven blijft.’ Dat is het eerste deel van de belofte. En vervolgens eindigt Jozefs verhaal als volgt: “22 Jozef bleef in Egypte wonen, met zijn hele familie. Hij werd honderdtien jaar. 23 Hij zag Efraïms kleinkinderen nog, en ook de geboorte van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, maakte hij nog mee. 24 Toen hij zijn einde voelde naderen, zei hij tegen zijn broers: ‘God zal zich jullie lot aantrekken: hij zal jullie uit dit land wegleiden en je naar het land brengen dat hij onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob heeft beloofd. 25 Zweer me dat jullie, wanneer God zich jullie lot aantrekt, mijn lichaam van hier zullen meenemen.’ 26 Jozef stierf toen hij honderdtien jaar was. Hij werd gebalsemd en in een sarcofaag gelegd, in Egypte.”
Zoals Exodus 1 terugverwijst naar Jozef, zo wijst het einde van Genesis vooruit. Jozefs broers kunnen niet vermoed hebben dat dit Anderland hun thuis niet kon blijven, sterker nog, dat dit Anderland een angstland werd. Maar dat ook de belofte verder zou gaan. In hun tijd had niemand hen iets kunnen maken. Ze waren een gevierd volk. Eén van hen had de andere volkeren van de hongersnood gered. Ze waren naar hen toegekomen, als dienaars. En als dienaars met macht. De zegen was overtuigend in de woorden en daden van Jozef en zo kreeg hij de macht, met alle glitter en glamour van dien. Maar het zou niet voor het laatst zijn in de wereldgeschiedenis dat de volkeren waaronder het volk van Israël als gasten woont, aanstoot nemen aan de macht van het volk van Jakob. Dat er complottheorieën zijn waarin Joden met al hun connecties in de banken- en zakenwereld ervan worden beticht de macht te grijpen, omdat ze overal invloed lijken te hebben. Ook vandaag de dag hoor je die verhalen weer, en echt niet alleen onder sommige moslims, ook in Amerika en in Rusland. In Rusland viert het antisemitisme weer hoogtij.
Daarom moet er een hele tijd overheen gaan in het verhaal, voordat deze redding vergeten is en men zich kan storen aan de overmacht. Daarom moet er zelfs een nieuw bijbelboek beginnen om deze fase te beschrijven. Een fase waarin duidelijk wordt dat de zegen ook een belofte inhoudt dat er temidden van die volkeren ook een plaats is voor dit volk. Dat er ergens een thuis is. Een thuis temidden van alle aanvechtingen in de wereld, temidden van alle afgunst en onbegrip als je vanuit je geloof een zegen wilt zijn voor de wereld. Een thuis temidden van alle angst dat God ver weg lijkt in een woelige wereld, een thuis temidden van alle onoverzichtelijkheid, alle dreiging en alle ontheemding.
En zo komen we in Exodus 1 niet in een situatie waarin het volk het onderspit delft, maar in een situatie waarin die belofte doorwoekert, tegen de verdrukking in. Het is als in een situatie waarin je, hoe onlogisch ook, blijft geloven, of iets minder vroom gezegd, waarin je toch voor bepaalde normen of voor bepaalde mensen blijft opkomen, waarin je je niet door schreeuwlelijken, populisten en anderen die verbale of fysieke macht uitoefenen laat weerhouden toch te geloven dat het anders kan, dat je blijft dromen, zoals Jozef ooit deed. En niemand kan je dromen afpakken, ze zijn vrij en vliegen als de Geest.
Niemand krijgt het volk klein, nee integendeel, ze groeien door, in onderdrukking toch vrij om een zegen te zijn. Maar niet zonder slag of stoot, en het offer is groot. Maar niet door de Egypische vroedvrouwen, die de zegen zien. Weer zijn het buitenlanders die aan de wieg staan van een nieuwe fase van het volk van God. En volk dat God geen afgezonderde sekte wil laten zijn, maar een beloftevol volk voor de wereld. En dus kunnen buitenlanders hierin ook dienstbaar zijn, alsof ze onderduikers binnenlaten. Deze buitenlandse vroedvrouwen weerstaan de macht van hun Farao, ook al bereiken ze niet dat die macht gebroken wordt, en al is misschien de nieuwe stap erger. Maar ligt dat aan de vroedvrouwen of aan de Farao? Aan de Farao, en de vroedvrouwen geven moed, in elk individueel leven dat ze redden. En er is maar een enkeling nodig om die belofte te redden. Het gaat dan niet om die enkeling op zich, maar om de vervulling van de belofte voor Gods hele volk. Of het nu Mozes is, die in een biezen mandje ontsnapt aan de kindermoord, of Jezus, die in Mattheüs naar Egypte wordt geleid.
In Jezus is niet alleen een nieuwe Mozes opgestaan, ook verwijst Mattheus ons in zijn verhaal over Jezus’ vlucht naar Egypte, naar de laatste plaag waaraan het volk ontkomt, en waardoor hun uittocht kan beginnen; de dood van alle eerstgeborenen in Egypte. Gruwelijke verhalen, je kan er toch geen loflied op zingen? Het leven kent vele slachtoffers, maar er is slechts een enkeling nodig om ons allemaal voor te gaan naar het land van belofte. Een land waar wij allemaal thuis zullen zijn; en dat is pas echt een zegen!
Het hoofdstuk van vandaag begint er ook mee. ‘Dit zijn de namen’, staat er, ‘van de zonen van Israël die samen met hem, Jakob, naar Egypte waren gekomen, ieder met zijn gezin.’ Dan volgen de namen van zijn zonen in de volgorde van wie hun moeders waren, en aan het eind staat er wat droogjes: ‘Jozef was al langer in Egypte.’ Ja, dat kun je wel zeggen, daar hadden de andere zonen van Jakob voor gezorgd. Maar het is goed dat het er kort staat, want net als in Genesis gaat het niet om Jozef, als de ster van de show, maar om Jakob en zijn zonen, nee, meer nog: om de zonen van Israël, staat er. Met die naam die God aan Jakob heeft gegeven wordt het verhaal in een breder kader geplaatst. Het gaat niet alleen om die ene zoon, ook niet om al die zoons bij elkaar, ook niet om hun vader op zich, maar om een volk, om Israël. Hier zien we een volk in het klein in alle stamvaders, het oorspronkelijke Israël. Met hun gezinnen erbij zeventig in getal, het getal van volheid. Anders gezegd: alle ingrediënten bij elkaar, een maggieblokje, in staat om een talrijk en smakelijk volk te worden. Een volk dat naar meer smaakt, omdat het een zegen voor de wereld is. Maar die zegen wordt niet meer begrepen, men heeft het zogezegd tegengegeten, maar dan zelfs zonder ervan te proeven, want, staat er, ‘Er kwam in Egypte een nieuwe koning aan de macht, die Jozef niet gekend had.’
Het verhaal verwijst ons dus automatisch terug, en we moeten ook even terug om die zegen te begrijpen. De zegen gaat terug op Abraham, aan wie de zegen beloofd wordt. Een groot volk zul je zijn en je zult een zegen voor de wereld zijn. Het duurde twee generaties maar bij Jakob was het zover en kwamen naast een dochter twaalf zonen. Om een klein voorschotje te nemen op volgende week gaat het verhaal van Jozef net als vandaag over de zonen van Jakob, die dan nog geen Israël genoemd wordt. Waarom niet? Omdat de zonen nog geen broers zijn, omdat ze nog niet voor elkaar instaan, omdat ze nog geen volk zijn. En dat heeft alles te maken met het omgaan met die zegen. Ieder van de zonen van Jakob wilde die zegen voor zichzelf houden, en ieder probeerde op zijn manier zijn graantje mee te pikken. Pas toen het graan op was, en ze naar Egypte moesten waar ze Jozef naar toe hadden gestuurd, pas toen begrepen ze wat het betekent om broers te zijn, verbonden te zijn met elkaar. En toen begrepen ze pas wat het betekent om een zegen te zijn. Dat je die niet voor jezelf moet houden, maar dat het erom gaat een zegen te zijn temidden van de volken. Dat wil het verhaal van Jozef vertellen: dat de belofte van God aan Abraham betekent Zijn zegen te zijn temidden van de volken.
In Jozefs verhaal is dat heel concreet: hij is in zijn uitleg van dromen een redder van de mensheid, omdat hij een hongersnood ziet aankomen en door slim management ervoor zorgt dat er ook in de magere jaren voldoende voedsel is. Daar komen ook zijn broers op af, en zo ontstaat dat volk Israël, maar wel in den vreemde. Het is vaker dat het buitenland, of buitenlanders, aan de wieg staan van een stukje vervulling van de belofte. We zien dat vandaag ook in de vroedvrouwen. Maar eerst is er nog dat Anderland waar de zonen van Israël herenigd worden tot een volk. En dan ontstaat onvermijdelijk de vraag, waarmee Genesis eindigt: als wij een zegen mogen zijn temidden van de volken, waar is onze plaats dan? Daar verwijst Jozef naar in zijn laatste woorden. Eerst is er nog de angst van zijn broers, dat Jozef na het overlijden van hun vader wraak zal nemen, maar Jozef zegt dat God het kwaad ten goede heeft gekeerd, staat er, ‘om te bewerken wat er nu gebeurt: dat een groot volk in leven blijft.’ Dat is het eerste deel van de belofte. En vervolgens eindigt Jozefs verhaal als volgt: “22 Jozef bleef in Egypte wonen, met zijn hele familie. Hij werd honderdtien jaar. 23 Hij zag Efraïms kleinkinderen nog, en ook de geboorte van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, maakte hij nog mee. 24 Toen hij zijn einde voelde naderen, zei hij tegen zijn broers: ‘God zal zich jullie lot aantrekken: hij zal jullie uit dit land wegleiden en je naar het land brengen dat hij onder ede aan Abraham, Isaak en Jakob heeft beloofd. 25 Zweer me dat jullie, wanneer God zich jullie lot aantrekt, mijn lichaam van hier zullen meenemen.’ 26 Jozef stierf toen hij honderdtien jaar was. Hij werd gebalsemd en in een sarcofaag gelegd, in Egypte.”
Zoals Exodus 1 terugverwijst naar Jozef, zo wijst het einde van Genesis vooruit. Jozefs broers kunnen niet vermoed hebben dat dit Anderland hun thuis niet kon blijven, sterker nog, dat dit Anderland een angstland werd. Maar dat ook de belofte verder zou gaan. In hun tijd had niemand hen iets kunnen maken. Ze waren een gevierd volk. Eén van hen had de andere volkeren van de hongersnood gered. Ze waren naar hen toegekomen, als dienaars. En als dienaars met macht. De zegen was overtuigend in de woorden en daden van Jozef en zo kreeg hij de macht, met alle glitter en glamour van dien. Maar het zou niet voor het laatst zijn in de wereldgeschiedenis dat de volkeren waaronder het volk van Israël als gasten woont, aanstoot nemen aan de macht van het volk van Jakob. Dat er complottheorieën zijn waarin Joden met al hun connecties in de banken- en zakenwereld ervan worden beticht de macht te grijpen, omdat ze overal invloed lijken te hebben. Ook vandaag de dag hoor je die verhalen weer, en echt niet alleen onder sommige moslims, ook in Amerika en in Rusland. In Rusland viert het antisemitisme weer hoogtij.
Daarom moet er een hele tijd overheen gaan in het verhaal, voordat deze redding vergeten is en men zich kan storen aan de overmacht. Daarom moet er zelfs een nieuw bijbelboek beginnen om deze fase te beschrijven. Een fase waarin duidelijk wordt dat de zegen ook een belofte inhoudt dat er temidden van die volkeren ook een plaats is voor dit volk. Dat er ergens een thuis is. Een thuis temidden van alle aanvechtingen in de wereld, temidden van alle afgunst en onbegrip als je vanuit je geloof een zegen wilt zijn voor de wereld. Een thuis temidden van alle angst dat God ver weg lijkt in een woelige wereld, een thuis temidden van alle onoverzichtelijkheid, alle dreiging en alle ontheemding.
En zo komen we in Exodus 1 niet in een situatie waarin het volk het onderspit delft, maar in een situatie waarin die belofte doorwoekert, tegen de verdrukking in. Het is als in een situatie waarin je, hoe onlogisch ook, blijft geloven, of iets minder vroom gezegd, waarin je toch voor bepaalde normen of voor bepaalde mensen blijft opkomen, waarin je je niet door schreeuwlelijken, populisten en anderen die verbale of fysieke macht uitoefenen laat weerhouden toch te geloven dat het anders kan, dat je blijft dromen, zoals Jozef ooit deed. En niemand kan je dromen afpakken, ze zijn vrij en vliegen als de Geest.
Niemand krijgt het volk klein, nee integendeel, ze groeien door, in onderdrukking toch vrij om een zegen te zijn. Maar niet zonder slag of stoot, en het offer is groot. Maar niet door de Egypische vroedvrouwen, die de zegen zien. Weer zijn het buitenlanders die aan de wieg staan van een nieuwe fase van het volk van God. En volk dat God geen afgezonderde sekte wil laten zijn, maar een beloftevol volk voor de wereld. En dus kunnen buitenlanders hierin ook dienstbaar zijn, alsof ze onderduikers binnenlaten. Deze buitenlandse vroedvrouwen weerstaan de macht van hun Farao, ook al bereiken ze niet dat die macht gebroken wordt, en al is misschien de nieuwe stap erger. Maar ligt dat aan de vroedvrouwen of aan de Farao? Aan de Farao, en de vroedvrouwen geven moed, in elk individueel leven dat ze redden. En er is maar een enkeling nodig om die belofte te redden. Het gaat dan niet om die enkeling op zich, maar om de vervulling van de belofte voor Gods hele volk. Of het nu Mozes is, die in een biezen mandje ontsnapt aan de kindermoord, of Jezus, die in Mattheüs naar Egypte wordt geleid.
In Jezus is niet alleen een nieuwe Mozes opgestaan, ook verwijst Mattheus ons in zijn verhaal over Jezus’ vlucht naar Egypte, naar de laatste plaag waaraan het volk ontkomt, en waardoor hun uittocht kan beginnen; de dood van alle eerstgeborenen in Egypte. Gruwelijke verhalen, je kan er toch geen loflied op zingen? Het leven kent vele slachtoffers, maar er is slechts een enkeling nodig om ons allemaal voor te gaan naar het land van belofte. Een land waar wij allemaal thuis zullen zijn; en dat is pas echt een zegen!
zondag 3 januari 2010
Preek 3 januari over verTROUWen
Na een wit kinderkerstfeest lezen we vandaag het verhaal uit de bijbel over de wijzen uit het Oosten. En we doen dat uit hetzelfde Evangelie waaruit we ook op kerstavond lazen, uit het Evangelie naar Mattheüs. En dat is een evangelie zonder stal, kribbe en herders. Maar nu is het niet zo dat je je moet gaan afvragen welk verhaal nu waar is, of hoe we uit al die verschillende verhalen één verhaal kunnen construeren. Want elke Evangelist vertelt een ander verhaal over dezelfde Jezus. Dat heeft allereerst en vooral ook te maken voor wie de evangelist het verhaal schrijft. Niet om mensen naar de mond te praten, maar omdat Jezus in het leven van verschillende groepen mensen iets anders te zeggen heeft. Omdat Jezus iets anders betekent voor rijken dan voor armen; of iets anders voor verschillende culturen. Het is dezelfde Jezus, maar het is steeds een ander verhaal.
Over dezelfde Jezus als in het traditionele kerstverhaal van Lucas vertelt ook Mattheüs. En het publiek van Mattheüs, dat zijn de Joden. En dan komt het er dus op aan dat hij aan Joodse hoorders duidelijk moet maken waarom zij een boodschap moeten hebben aan dezelfde Jezus, waarvan ook andere evangelisten vertellen. En omdat Mattheüs aan Joodse hoorders wil vertellen wie Jezus voor hen kan zijn, begint hij met een geslachtsregister. Natuurlijk, een saaier begin is niet denkbaar, en bovendien is het ook een beetje creatief boekhouden met al die generaties, tel maar na, maar het is heel begrijpelijk dat Mattheüs dat doet. Door te laten zien dat er een lijn loopt van Abraham, via koning David en via de Babylonische ballingschap naar Jozef, de aanstaande van Maria, vertelt Mattheüs dat Jezus voortkomt uit het Joodse volk, en uit de belofte aan Abraham. Dus Mattheüs zegt: Jezus is één van ons, én: hij maakt deel uit van de vervulling van de belofte aan Abraham dat het volk Israël gezegend is en een zegen zal zijn voor de wereld. Om het op zijn katholieks te zeggen uit het Wees Gegroet Maria: en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Het zijn woorden die de Engel Gabriël tegen Maria zegt. Maar die woorden vinden we niet bij Mattheüs. Nee, bij Mattheüs gaat de Engel in gesprek met Jozef. Want als Mattheüs zijn verhaal over Jezus vertelt, gaat het hem niet om Maria, maar om Jozef: híj is de lijn met de afkomst van Jezus terug naar David en Abraham. Via hèm loopt de lijn van belofte. En daarom komen we meteen in het verhaal van vandaag in Bethlehem uit, de stad van David. Maar daarover zo meer.
Eerst nog even terug naar Jozef. Want Mattheüs dreigt meteen na zijn geslachtsregister zijn aanknopingspunt met zijn hoorders, namelijk Jozef, te verliezen. Jezus mag dan in afkomst Joods zijn, zijn oorspong ligt ergens anders. Om het met het evangelie naar Johannes te zeggen: het was in het begin bij God. Behalve een doorgaande lijn is er ook een inbreuk op die lijn. God stelt een daad in en voor Zijn volk in de geboorte van Jezus Christus. En daar sta je dan als Joodse afstammeling van David en Abraham, net zoals alle Joodse hoorders erbij staan te kijken. De onzekerheid van Jozef gaat dan misschien in het concrete verhaal over de vraag hoe hij Maria en hemzelf gezichtsverlies kan besparen, in wezen vertelt Mattheüs een groter verhaal, dat ook zijn hoorders raakt. In de lijn van het volk van Israël breekt God in. Hij raakt het volk in haar hoop, maar ook in haar onzekerheid. Wat moet het volk hiervan denken? Wat moeten wij hiervan denken? God geeft niet bepaald hoop op een normale manier, op een manier die voortkomt uit ons eigen doen en laten, en voldoet aan onze verwachtingen. Nee, God gaat hier zijn eigen heilige gang, en wij moeten daarop vertrouwen. Namens ons krijgt Jozef een les vertrouwen. En dat vertrouwen, hoorden we in de kerstnacht, gaat over trouw zijn. En dan niet zozeer in echtelijke zin, richting Maria, met wie hij nog niet eens getrouwd was, maar veel dieper, de andere kant op: trouw aan de belofte aan Abraham, trouw aan de geschiedenis van God met mensen, verteld in het geslachtsregister. Geloof dus dat het kan. Dat God zijn belofte vervult. En dat doet Hij niet door een optelsom van onze daden, alsof wij ook maar enige zekerheid aan onze eigen daden kunnen ontlenen, maar door zijn eigen lijn te trekken door de geschiedenis heen, naar deze arme Jozef, die niet weet wat hem overkomt. Vanaf het begin gaat het Mattheüs dus om het vertrouwen van zijn hoorders. En hij beseft dat dat moeilijk is met zo’n verhaal. En daarom geeft hij houvast in de afkomst van Jozef en spreekt hij ze in Jozef aan op hun trouw. Alsof hij zegt voor de reclame: blijf bij ons.
Goed, en na de break na hoofdstuk 1zijn we ineens in Bethlehem. Geen verhaal over een hoogzwangere Maria op een ezel richting Bethlehem,waar geen plaats is in de herberg. Nee, bij Mattheüs komen we direct in Bethlehem aan. Ook hiermee vertelt hij zijn verhaal verder aan zijn Joodse hoorders. Bethlehem is de stad van David, maar meer nog de stad van zijn overgrootmoeder Ruth. Het herinnert de hoorders aan het verhaal van deze jonge weduwe Ruth, een Moabitische. Zij is op zoek naar iemand die haar toekomst kan geven, haar losser kan zijn als weduwe, en zoekt naar graan op de akkers van de Jood Boaz. Zij valt op een gegeven moment bij hem in genade en hij neemt haar aan als zijn vrouw. En dat alles gebeurt in Bethlehem, dat broodhuis betekent. Als Mattheüs dus over Bethlehem vertelt aan zijn hoorders, dat staat dat voor hem voor een plaats van bestaanszekerheid. Wederom een herinnering aan de verhalen van God en zijn mensen om vertrouwen te wekken, vertrouwen dat verder gaat dan onze eigen daden.
En dat blijkt eens te meer, nu Mattheüs drie wijzen ten tonele voert. Net als in het kinderkerstfeest gaat het Mattheüs nadrukkelijk erom het in het buitenland te zoeken. God doet dat vaker. Hij deed het ook bij Ruth, de Moabitische. Als je het vertrouwen niet bij jezelf kunt vinden, is het goed dat een ander je erop wijst wat je in huis hebt.
Maar wat zullen ze een onzekere reis hebben gehad. Een of andere ster achterna en over bergpassen, door woestijnen en door allerlei ontberingen heen toch volhouden. Ze moeten toch ook getwijfeld hebben. Maar de wijzen zijn één brok vertrouwen. En je moet je dan eens even voorstellen dat die buitenlanders ineens inbreken bij koning Herodes, net zoals de zwangerschap van Maria inbrak in Jozefs leven: “Hallo, waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk een ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen. En als je niet weet waar we het over hebben: het staat in jullie eigen profeten. ” Ai. Een onzeker bericht voor de gevestigde orde. En die onzekere gevestigde orde wil het in zijn greep houden, en dus vraagt Herodes de wijzen terug te reizen via Jeruzalem om hem te berichten waar deze onruststoker te vinden is. Dat doen ze wijselijk niet. Maar welke kostbare schat komen de wijzen ons hoorders dan brengen?
De verteller Mattheüs hoort Jesaja zingen: “Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer. Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar. Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel.” Een boodschap geeft Mattheüs aan mensen die voelen dat duisternis de aarde bedekt en donkerte de naties. Het is een boodschap van troost aan wie aan den lijve de onzekerheid van het bestaan voelt. Onzekerheid van het bestaan treft ons allemaal in meer of mindere mate en op ieders tijd. Of het nu om ziekte en dood gaat, of om relaties of werk, of om oud worden of om eenzaamheid, allemaal maken we wel iets mee van die onzekerheid. En dan kan ook nog eens de samenleving onrustig zijn, onzeker, en de wereld zo onoverzichtelijk dat we er nauwelijks grip op hebben. Voor ons biedt het verhaal van de geboorte van Jezus een boodschap van troost. Troost waar vertrouwen moeilijk is. Niet omdat niet kunnen vertrouwen een zonde is, maar een tekort, dat leeg voelt en angstig maakt.
Een jaar geleden overdachten we op de eerste zondag van het nieuwe jaar de vele crises in de wereld: de kredietcrisis, de voedselcrisis, de klimaatcrisis enz.enz. En ik zei toen dat achter al deze crises een geestelijke crisis schuilgaat. Een crisis die fundamentele vragen stelt over hoe we ons leven en de wereld willen inrichten en welke waarden voor ons bovenaan staan. In een jaar tijd lijkt de geestelijke crisis zich verdiept te hebben tot een vertrouwenscrisis. De samenleving verhardt, en niemand weet eigenlijk hoe we dat kunnen keren. De wereld, of het nu de grote wereld is, of de kleine wereld in je eigen buurt, wordt steeds onoverzichtelijker. En hoe meer mensen schreeuwen om harde maatregelen, hoe harder de samenleving inderdaad wordt. Het vertrouwen is ver te zoeken als je mensen hoort praten over buitenlanders, politici, de zorg, jongeren of welke andere grote groep dan ook die bedreigend op ons overkomt. Want uiteindelijk ligt aan het gebrek aan vertrouwen angst ten grondslag. En hoe banger we zijn, hoe harder we worden. Hoe redelijker we zeggen te zijn, hoe emotioneler we eigenlijk reageren.
Mattheüs wil met zijn verhaal over Jezus mensen troosten in hun gebrek aan vertrouwen, omdat hij weet dat het moeilijk is je een weg te banen als het donker is. Hij hoort de nood, en hoort een lied klinken van Jesaja over een licht voor de wereld, dat hij in Jezus herkent. En hij wijst een weg door iets uit te leggen over vertrouwen. Vertrouwen is namelijk niet een uit de lucht gegrepen iets. Iets dat je maar moet hebben tegen beter weten in, waardoor wantrouwen steeds op de loer ligt. Nee, vertrouwen heeft een sterke basis die onder ons voorhanden is, namelijk trouw. Trouw is de basis van vertrouwen. Mattheüs begon met een heel simpele terugrekensom van Jozef naar de belofte van Abraham. Ondanks dat de geboorte van Jezus Jozefs wereld tamelijk op zijn kop zette, wordt hij gewezen op allen die hem voorgingen en die achter hem staan. Hij wordt opgeroepen hen trouw te blijven. De wijzen, die gewoon een ster achterna gingen, bevestigen voor Jozef, in de stad van zijn afkomst, wat een rijkdom het is om trouw te blijven.
Trouw zijn is het wapen tegen angst. Trouw waarin je een ander blijft benaderen en niet van jezelf blijft uitgaan. Trouw aan de mensen die bij je horen, onvoorwaardelijk. Of het nu je gezin is, je familie, de gemeente, de samenleving, de wereld. Elkaar niet loslaten, voor elkaar instaan, niet op jezelf leven, maar samen leven. Natuurlijk is dat kwetsbaar, maar een mens lijdt het meest aan het lijden dat hij vreest. Blijf het goede zoeken. Ga niet uit van het slechte, of van je eigen gelijk, of de zekerheid die je zelf angstig of redelijk zoekt waar je anderen in wilt laten passen. Blijf het goede zoeken. Daarin mag je best wel eens wantrouwend zijn, da’s logisch, want het is onzeker. Maar wees niet ontrouw. Sluit de rijen als het erop aankomt. Onze bestaanszekerheid ligt in de trouw aan Gods belofte. Trouw biedt ons een weg door de duisternis heen een groot licht tegemoet.
Over dezelfde Jezus als in het traditionele kerstverhaal van Lucas vertelt ook Mattheüs. En het publiek van Mattheüs, dat zijn de Joden. En dan komt het er dus op aan dat hij aan Joodse hoorders duidelijk moet maken waarom zij een boodschap moeten hebben aan dezelfde Jezus, waarvan ook andere evangelisten vertellen. En omdat Mattheüs aan Joodse hoorders wil vertellen wie Jezus voor hen kan zijn, begint hij met een geslachtsregister. Natuurlijk, een saaier begin is niet denkbaar, en bovendien is het ook een beetje creatief boekhouden met al die generaties, tel maar na, maar het is heel begrijpelijk dat Mattheüs dat doet. Door te laten zien dat er een lijn loopt van Abraham, via koning David en via de Babylonische ballingschap naar Jozef, de aanstaande van Maria, vertelt Mattheüs dat Jezus voortkomt uit het Joodse volk, en uit de belofte aan Abraham. Dus Mattheüs zegt: Jezus is één van ons, én: hij maakt deel uit van de vervulling van de belofte aan Abraham dat het volk Israël gezegend is en een zegen zal zijn voor de wereld. Om het op zijn katholieks te zeggen uit het Wees Gegroet Maria: en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Het zijn woorden die de Engel Gabriël tegen Maria zegt. Maar die woorden vinden we niet bij Mattheüs. Nee, bij Mattheüs gaat de Engel in gesprek met Jozef. Want als Mattheüs zijn verhaal over Jezus vertelt, gaat het hem niet om Maria, maar om Jozef: híj is de lijn met de afkomst van Jezus terug naar David en Abraham. Via hèm loopt de lijn van belofte. En daarom komen we meteen in het verhaal van vandaag in Bethlehem uit, de stad van David. Maar daarover zo meer.
Eerst nog even terug naar Jozef. Want Mattheüs dreigt meteen na zijn geslachtsregister zijn aanknopingspunt met zijn hoorders, namelijk Jozef, te verliezen. Jezus mag dan in afkomst Joods zijn, zijn oorspong ligt ergens anders. Om het met het evangelie naar Johannes te zeggen: het was in het begin bij God. Behalve een doorgaande lijn is er ook een inbreuk op die lijn. God stelt een daad in en voor Zijn volk in de geboorte van Jezus Christus. En daar sta je dan als Joodse afstammeling van David en Abraham, net zoals alle Joodse hoorders erbij staan te kijken. De onzekerheid van Jozef gaat dan misschien in het concrete verhaal over de vraag hoe hij Maria en hemzelf gezichtsverlies kan besparen, in wezen vertelt Mattheüs een groter verhaal, dat ook zijn hoorders raakt. In de lijn van het volk van Israël breekt God in. Hij raakt het volk in haar hoop, maar ook in haar onzekerheid. Wat moet het volk hiervan denken? Wat moeten wij hiervan denken? God geeft niet bepaald hoop op een normale manier, op een manier die voortkomt uit ons eigen doen en laten, en voldoet aan onze verwachtingen. Nee, God gaat hier zijn eigen heilige gang, en wij moeten daarop vertrouwen. Namens ons krijgt Jozef een les vertrouwen. En dat vertrouwen, hoorden we in de kerstnacht, gaat over trouw zijn. En dan niet zozeer in echtelijke zin, richting Maria, met wie hij nog niet eens getrouwd was, maar veel dieper, de andere kant op: trouw aan de belofte aan Abraham, trouw aan de geschiedenis van God met mensen, verteld in het geslachtsregister. Geloof dus dat het kan. Dat God zijn belofte vervult. En dat doet Hij niet door een optelsom van onze daden, alsof wij ook maar enige zekerheid aan onze eigen daden kunnen ontlenen, maar door zijn eigen lijn te trekken door de geschiedenis heen, naar deze arme Jozef, die niet weet wat hem overkomt. Vanaf het begin gaat het Mattheüs dus om het vertrouwen van zijn hoorders. En hij beseft dat dat moeilijk is met zo’n verhaal. En daarom geeft hij houvast in de afkomst van Jozef en spreekt hij ze in Jozef aan op hun trouw. Alsof hij zegt voor de reclame: blijf bij ons.
Goed, en na de break na hoofdstuk 1zijn we ineens in Bethlehem. Geen verhaal over een hoogzwangere Maria op een ezel richting Bethlehem,waar geen plaats is in de herberg. Nee, bij Mattheüs komen we direct in Bethlehem aan. Ook hiermee vertelt hij zijn verhaal verder aan zijn Joodse hoorders. Bethlehem is de stad van David, maar meer nog de stad van zijn overgrootmoeder Ruth. Het herinnert de hoorders aan het verhaal van deze jonge weduwe Ruth, een Moabitische. Zij is op zoek naar iemand die haar toekomst kan geven, haar losser kan zijn als weduwe, en zoekt naar graan op de akkers van de Jood Boaz. Zij valt op een gegeven moment bij hem in genade en hij neemt haar aan als zijn vrouw. En dat alles gebeurt in Bethlehem, dat broodhuis betekent. Als Mattheüs dus over Bethlehem vertelt aan zijn hoorders, dat staat dat voor hem voor een plaats van bestaanszekerheid. Wederom een herinnering aan de verhalen van God en zijn mensen om vertrouwen te wekken, vertrouwen dat verder gaat dan onze eigen daden.
En dat blijkt eens te meer, nu Mattheüs drie wijzen ten tonele voert. Net als in het kinderkerstfeest gaat het Mattheüs nadrukkelijk erom het in het buitenland te zoeken. God doet dat vaker. Hij deed het ook bij Ruth, de Moabitische. Als je het vertrouwen niet bij jezelf kunt vinden, is het goed dat een ander je erop wijst wat je in huis hebt.
Maar wat zullen ze een onzekere reis hebben gehad. Een of andere ster achterna en over bergpassen, door woestijnen en door allerlei ontberingen heen toch volhouden. Ze moeten toch ook getwijfeld hebben. Maar de wijzen zijn één brok vertrouwen. En je moet je dan eens even voorstellen dat die buitenlanders ineens inbreken bij koning Herodes, net zoals de zwangerschap van Maria inbrak in Jozefs leven: “Hallo, waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk een ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen. En als je niet weet waar we het over hebben: het staat in jullie eigen profeten. ” Ai. Een onzeker bericht voor de gevestigde orde. En die onzekere gevestigde orde wil het in zijn greep houden, en dus vraagt Herodes de wijzen terug te reizen via Jeruzalem om hem te berichten waar deze onruststoker te vinden is. Dat doen ze wijselijk niet. Maar welke kostbare schat komen de wijzen ons hoorders dan brengen?
De verteller Mattheüs hoort Jesaja zingen: “Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de Heer. Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de Heer, zijn luister is boven jou zichtbaar. Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van je schijnsel.” Een boodschap geeft Mattheüs aan mensen die voelen dat duisternis de aarde bedekt en donkerte de naties. Het is een boodschap van troost aan wie aan den lijve de onzekerheid van het bestaan voelt. Onzekerheid van het bestaan treft ons allemaal in meer of mindere mate en op ieders tijd. Of het nu om ziekte en dood gaat, of om relaties of werk, of om oud worden of om eenzaamheid, allemaal maken we wel iets mee van die onzekerheid. En dan kan ook nog eens de samenleving onrustig zijn, onzeker, en de wereld zo onoverzichtelijk dat we er nauwelijks grip op hebben. Voor ons biedt het verhaal van de geboorte van Jezus een boodschap van troost. Troost waar vertrouwen moeilijk is. Niet omdat niet kunnen vertrouwen een zonde is, maar een tekort, dat leeg voelt en angstig maakt.
Een jaar geleden overdachten we op de eerste zondag van het nieuwe jaar de vele crises in de wereld: de kredietcrisis, de voedselcrisis, de klimaatcrisis enz.enz. En ik zei toen dat achter al deze crises een geestelijke crisis schuilgaat. Een crisis die fundamentele vragen stelt over hoe we ons leven en de wereld willen inrichten en welke waarden voor ons bovenaan staan. In een jaar tijd lijkt de geestelijke crisis zich verdiept te hebben tot een vertrouwenscrisis. De samenleving verhardt, en niemand weet eigenlijk hoe we dat kunnen keren. De wereld, of het nu de grote wereld is, of de kleine wereld in je eigen buurt, wordt steeds onoverzichtelijker. En hoe meer mensen schreeuwen om harde maatregelen, hoe harder de samenleving inderdaad wordt. Het vertrouwen is ver te zoeken als je mensen hoort praten over buitenlanders, politici, de zorg, jongeren of welke andere grote groep dan ook die bedreigend op ons overkomt. Want uiteindelijk ligt aan het gebrek aan vertrouwen angst ten grondslag. En hoe banger we zijn, hoe harder we worden. Hoe redelijker we zeggen te zijn, hoe emotioneler we eigenlijk reageren.
Mattheüs wil met zijn verhaal over Jezus mensen troosten in hun gebrek aan vertrouwen, omdat hij weet dat het moeilijk is je een weg te banen als het donker is. Hij hoort de nood, en hoort een lied klinken van Jesaja over een licht voor de wereld, dat hij in Jezus herkent. En hij wijst een weg door iets uit te leggen over vertrouwen. Vertrouwen is namelijk niet een uit de lucht gegrepen iets. Iets dat je maar moet hebben tegen beter weten in, waardoor wantrouwen steeds op de loer ligt. Nee, vertrouwen heeft een sterke basis die onder ons voorhanden is, namelijk trouw. Trouw is de basis van vertrouwen. Mattheüs begon met een heel simpele terugrekensom van Jozef naar de belofte van Abraham. Ondanks dat de geboorte van Jezus Jozefs wereld tamelijk op zijn kop zette, wordt hij gewezen op allen die hem voorgingen en die achter hem staan. Hij wordt opgeroepen hen trouw te blijven. De wijzen, die gewoon een ster achterna gingen, bevestigen voor Jozef, in de stad van zijn afkomst, wat een rijkdom het is om trouw te blijven.
Trouw zijn is het wapen tegen angst. Trouw waarin je een ander blijft benaderen en niet van jezelf blijft uitgaan. Trouw aan de mensen die bij je horen, onvoorwaardelijk. Of het nu je gezin is, je familie, de gemeente, de samenleving, de wereld. Elkaar niet loslaten, voor elkaar instaan, niet op jezelf leven, maar samen leven. Natuurlijk is dat kwetsbaar, maar een mens lijdt het meest aan het lijden dat hij vreest. Blijf het goede zoeken. Ga niet uit van het slechte, of van je eigen gelijk, of de zekerheid die je zelf angstig of redelijk zoekt waar je anderen in wilt laten passen. Blijf het goede zoeken. Daarin mag je best wel eens wantrouwend zijn, da’s logisch, want het is onzeker. Maar wees niet ontrouw. Sluit de rijen als het erop aankomt. Onze bestaanszekerheid ligt in de trouw aan Gods belofte. Trouw biedt ons een weg door de duisternis heen een groot licht tegemoet.
dinsdag 1 december 2009
Ramses Shaffy (76) overleden

Vanmorgen is Ramses Shaffy overleden. Hij werd 76 jaar. Al sinds het voorjaar leed hij aan slokdarmkanker.
Zijn muziek is heel karakteristiek. Verrassende akkoorden en wendingen. Zijn teksten waren van diepe levenservaring doordrenkt. De liedjes ademden van verlangen, eenzaamheid, kinderlijk geluk en gepassioneerde liefde.
Zijn muziek leerde ik pas kennen nadat ik was afgestudeerd. Ik werd erdoor geïnspireerd om in 2008 een Shaffydienst te maken: een kerkdienst met alleen maar muziek van Ramses Shaffy. De dienst is 2 keer opgevoerd, in Waalwijk en in Veldhoven. Zijn muziek is niet christelijk, maar gaat wel over levensthema's waar we het in de kerk ook over hebben. Zijn liedjes drukken levenservaring uit die veel meer mensen hebben en die spreekt van een verlangen om de leven.
Het centrale lied was het lied 'Laat me', dat vandaag anders klinkt:
'Ik zal ook best wel een keertje sterven,
daar kom ik echt niet onderuit.
Ik laat mijn liedjes dan maar zwerven,
en dan zoek jij er maar eentje uit.'
Laat zijn liedjes nu maar zwerven.
Zie verder dit artikel in Trouw.
Abonneren op:
Posts (Atom)