zondag 1 november 2015

Wat is het allerbelangrijkste om te doen? (preek 1 november 2015)


Wat is het belangrijkste om te doen in het leven? Als we dat om ons heen zouden vragen, dan zouden de antwoorden denk ik vooral gaan over goede dingen doen in je leven. Uiteindelijk voelen de meeste mensen, ook in hun grote rijkdom of in hun drukte, wel aan dat het goed is om te delen met elkaar en je voor elkaar in te zetten. Elkaar te helpen, er voor elkaar te zijn. Iedereen heeft daarin zijn eigen voorkeuren. De een helpen is wat makkelijker dan de andere. En het ene doel kan ook wat meer aanspreken dan een ander. En zo zijn we met zijn allen, ieder op zijn eigen manier, bezig om goede dingen te doen. Want dat doe je gewoon, dat hoort erbij. De een wat meer dan de ander, en de een wat actiever en de andere wat passiever, maar steunen wil iedereen dat wel. Vanzelfsprekend is het niet, want het kost ook wat, maar we vinden het wel normaal. Zolang we maar niet ter discussie stellen of het genoeg is wat ieder voor zich doet.

Wanneer doe je het goed?
Want dan begeef je je op glad ijs. Ieder doet voor zich wat goed is in zijn ogen. Dat maakt het, met alle goede bedoelingen en alle saamhorigheid bij inzamelacties, toch vooral een individuele aangelegenheid. De afweging die je voortdurend moet maken welke goede doelen je steunt is echter niet simpel. Kan er nog €3 voor dat doel per maand bij? Het lijkt zo'n klein bedrag. Maar waarom dan niet voor dat andere doel? Het is je eigen gevoel, je eigen betrokkenheid, en het tijdstip waarop je ervoor gebeld wordt, dat de doorslag geeft.

Een betere wereld begint bij mij?
Daarmee wordt het ook iets dat je voor jezelf doet. Natuurlijk, het gaat om het goede doel, en de wereld die er hopelijk wat beter van wordt. Maar het stelt ook ons gevoel gerust dat we er wat aan bijdragen. Alsof er onderhuids toch ook een schuldgevoel is dat we afkopen, of we bevestiging zoeken dat het verder oké is dat we zelf zoveel hebben. Natuurlijk, we worden gedreven door onze betrokkenheid bij de mensen en de wereld om ons heen. En de ervaringen die we zelf in ons leven hebben tijdens verre reizen of met ziekten van onze dierbaren. Maar dat begint vaker dan we misschien willen bij onszelf. Ik wil je uitnodigen om met mij de vraag te onderzoeken: Wat is je werkelijke drijfveer? Daar wil ik niets slechts van zeggen. Ik wil onderzoeken wat onze werkelijke drijfveer vaak is om goed te doen. En daar horen denk ik veel meer dan we willen weten redenen bij die in onszelf liggen. Samen je voor een goed doel inzetten betekent ook dat je erbij hoort. En dat hebben wijzelf nodig. En dan neemt het argument 'ja, maar het levert toch veel op' mijn vraag niet weg: waarom doe je het? Een betere wereld begint bij jezelf: ja, als het gaat om dat het ergens moet beginnen en niet iedereen naar elkaar moet gaan staan te kijken wie er begint. Maar begint een betere wereld ook echt bij jou zelf?

Lastige vragen voor Jezus: hoe kan hij het goed doen?
Er komt een man bij Jezus. En hij stelt hem de vraag wat het allerbelangrijkste is om te doen. Een schriftgeleerde is hij staat er. Iemand die goed op de hoogte is van de bijbel. Die uit de bijbel wil halen hoe je kunt geloven en wat belangrijk is om te doen. Hij is de derde in rij die een vraag stelt aan Jezus. Eerst komen de Farizeeën en de Herodianen bij Jezus. Het zijn mensen van de religieuze macht in de wereld. En zij proberen met hem een politiek geschil te krijgen over het betalen van belastingen aan de keizer. Daarna komend de Sadduceeën bij Jezus. Mensen van de tempel. En zij proberen met hem een theologisch geschil te krijgen over de opstanding. Met een geniale vorm van bijbels omdenken overstijgt Jezus de vragen. We zullen er dinsdagavond met Jezus over in gesprek gaan tijdens de korte bijbelstudie om zeven uur.

De schriftgeleerde die nu op Jezus afkomt heeft naar die antwoorden geluisterd. En hij kan ermee instemmen. Zo zakelijk staat het er. 'Hij had gemerkt dat hij hun correct had geantwoord.' Ik neem aan dat hij er echter niet als examinator zat, maar ook het gevoel had dat het klopte. Misschien er zelfs enthousiast van werd. Maar zo vertelt Markus niet. Die vertelt kort maar krachtig. En op de man af. Dus stelt de schriftgeleerde zijn vraag: 'Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?' We krijgen een antwoord in delen. 'Het voornaamste is: "Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht." Het op een na laatste is dit: "Heb uw naaste lief als uzelf."

Jezus bedenkt het antwoord niet zelf
Het staat er zo dat als je meeleest je kunt zien dat het citaten zijn. Jezus haalt twee bijbelverzen aan die de schriftgeleerde zo goed kent. Hij verzint dus niet iets, maar grijpt terug op de bijbel die zijn gesprekspartner kent. Maar die lijkt twee voor de prijs van één te krijgen. Niet alleen het 'voornaamste' om te doen, maar ook het 'op een na belangrijkste'. Dat is een beetje bedrieglijk. Want er staat niet letterlijk 'het op een na belangrijkste'. Er staat 'het tweede'. Het staat er dus naast. Samen op de eerste plek. Ik kan er geen rangorde in bespeuren die onze vertaling suggereert. Er staat gewoon: het eerste en het tweede.

Wat betekent liefhebben als jezelf?
Bovendien lijkt het tweede deel te suggereren dat je naaste liefhebben voortkomt uit liefde voor jezelf. Er staat namelijk net als in vele andere vertalingen: 'Heb uw naaste lief als uzelf.' Het Grieks van het Nieuwe Testament is hier wat vager dan het Hebreeuws van het Oude Testament waar dit citaat uitkomt. Daar staat: 'Heb uw naaste lief die gelijk is aan u.' Heb je naaste lief die is zoals jij. De ander is net als jij mens, met verlangens, hoop, geloof en liefde. Met vreugde en verdriet, gezondheid en ziekte, met oorlog en vrede, met rampen en voorspoed. Heb je naaste lief die mens is zoals jij.

Je drijfveer daarvoor lijkt dan echter niet meer te zijn dan medemenselijkheid. Maar het antwoord van Jezus gaat dieper. Als hij zegt: heb je naaste lief die mens is zoals jij, dan verwijst hij terug naar het bijbelboek Leviticus waar boven het geciteerde stuk staat: 'Wees heilig, want ik, de Heer, jullie God, ben heilig.' Dat is apart. Wat betekent dat: heilig zijn? Iemand vroeg zich in de voorbereiding af of heilig zijn betekent dat je in een hutje op de hei moet gaan zitten heilig zijn. Apart van de rest. Bij heilig zijn hebben we altijd een perfect beeld. En er is onder weldoeners al zoveel schijnheiligheid. Moeten we dan heilig zijn? Dat redden we nooit. Meer dan ons best kunnen we niet doen. Maar dat wordt hier niet bedoeld. Heilig zijn betekent niet dat je jezelf op de borst kunt kloppen van: wat doe ik het toch goed? Dat gaat het bij goede dingen doen nooit om. Het is niet meer dan normaal dat je dat doet. Of om met Jezus te spreken: je hebt je loon al gehad. Heilig zijn is ook niet beter dan anderen zijn, want terecht zei iemand anders dat ongelovigen soms meer goed lijken te doen dan gelovigen. Ook hierin zit dus weer geen rangorde. In dit geval tussen gelovigen en niet gelovigen.

Hoe kun je heilig zijn?
Heilig zijn betekent niet dat er een rangorde moet zijn in goed doen en dat wij de beste zijn. Er zit wel een kader om het goed doen door gelovigen heen. En dat kader is: 'Wees heilig, want ik, de Heer jullie God, ben heilig.' Of met het andere citaat dat Jezus aanhaalt: 'Luister, de Heer, onze God, is de enige God; heb de Heer uw God, lief, met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.' Dat komt als eerste omdat het de bron is van het tweede. Velen kunnen met dat liefhebben van je naaste beter overweg dan met het liefhebben van God, met heel je hart, je ziel, je verstand en je kracht. En heilig zijn staat ook ver van ons af. Wat zou ons beter maken dan anderen? Maar daar gaat het niet om. Het gaat om onze bron. Heilig zijn betekent dat je wat je doet om te proberen goed te doen, in het teken stelt van God. En niet van jezelf. Wat je doet om te proberen goed te doen stel je apart. Maak je niet afhankelijk van wat de wereld nou zozeer van je vraagt; en waarmee je een goed imago zou kunnen krijgen, of een goed gevoel, omdat er op je wordt ingepraat. Wat je doet om te proberen goed te doen stelt je apart, maak je heilig, stel je in het teken van God.


Wat is je bron, je drijfveer om goed te doen?
God liefhebben met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand en met al je kracht betekent niet meer dan dat God de bron van liefde is. En die bron moeten we niet verwaarlozen. Zonder dat kunnen we de ander niet werkelijk liefhebben die is zoals wij. Want wat zijn wij? Wij zijn beeld van God. Die ander is een beeld van God. In de ander komt God naar ons toe. Doet God een appèl op ons. En worden wij aangesproken door de bron van de Liefde zelf. Heilig zijn betekent ons niet laten leiden door al die stemmen om ons heen en in onszelf van die onmogelijke afweging wat we moeten doen en wanneer we het goed doen, maar dat we ons richten op God. De enige God ook nog eens. Dat is een makkelijke keuze: er is er maar één. Dat scheelt weer. Kies daar dan voor, en laat God de bron zijn van wat je doet. Voor de naaste, die is zoals jij. Beeld van God.

zondag 4 oktober 2015

Dierendag: Waarom heb je een tegenhanger nodig? (preek 4 oktober 2015)

Waarom maakte God de dieren? We hadden er in de klas deze week aardige gesprekken over. Eerst natuurlijk over onze huisdieren. Veel kinderen hebben huisdieren. Anderen hebben een lievelingsdier. En al die huisdieren hebben namen. Zoals ook de eerste mens namen gaf aan alle dieren. En zoals hij ze noemde, zo zouden ze voortaan heten. Een konijntje dat je krijgt en dat al een naam heeft, verander je dus ook niet van naam als je het krijgt, werd mij verteld. Je bent zoals je heet. Heel bijbels. In je naam zit je wezen besloten. Of je nu Blub de vis bent, of Mistral de hamster.

Waarom maakte God de dieren? In elke klas stelde ik deze vraag nadat ik eerst naar de huisdieren en hun namen had gevraagd. En in élke klas was het eerste antwoord: om ze te kunnen melken, voor hun eieren, en voor hun vlees, om ze op te kunnen eten. Het verwonderde mij dat dit steevast het eerste antwoord was nadat we het daarvoor over hun lieve huisdieren hadden gehad. Kennelijk denken we bij dieren het eerst aan eten. Zoals iedereen die een konijn heeft grapjes hoort over de vraag of het konijn de Kerst wel haalt. En zoals die volwassene die mij vertelde dat hij zijn drie kippen de volgende namen had gegeven: Kip Tandoori, Kip Kerrie en Kip Saté.

Dieren om te eten?
Nu is het opvallend dat in de scheppingsverhalen niets staat over dat de mens vlees eet. Er staat wel in Genesis 1 dat God tegen de mensen zegt: 'Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtenbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn.' Maar goed, er staat wel meer in de bijbel uit de paradijselijke tijd, toen het nog goed was, wat niet meer het geval is. Dus wat mij betreft is het geen pleidooi om vegetariër te worden. Hooguit laat het zien dat dieren eten niet Gods eerste gedachte was bij het maken van de dieren.

Niet goed om alleen te zijn
Want God dacht, vertelt Genesis 2: 'Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.' Een overbekende zin, die meestal gekoppeld wordt aan het maken van de vrouw door God. Maar het is eerst van toepassing op de dieren. Ook al vindt de mens vervolgens er geen die bij hem past. En maakt God vervolgens de vrouw. Maar het is wel een intrigerende zin. Wat bedoelt God als hij zegt: 'Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.' Waarom is het niet goed dat de mens alleen is? Wat is die 'helper' die daarvoor de oplossing moet zijn? En wanneer past die helper bij hem; anders gezegd: waarom passen die dieren niet bij de mens als helper?

Waarom zijn er twee scheppingsverhalen?
Genoeg vragen, maar eerst dit. Ik refereerde net al aan Genesis 1. Een oplettende, wat oudere leerling, zei al: maakte God niet eerst de dieren en toen de mens? Ja, dat staat in Genesis 1. De bijbel is zo rijk dat we twee scheppingsverhalen hebben. In het verhaal van vandaag zitten we al in de paradijstuin, met die twee bomen. En de mens is daar in z'n eentje. In Genesis 1 worden ze meteen met meerderen gemaakt, en na de dieren. Dat is niet tegenstrijdig, zoals vaak gezegd wordt. Want de Bijbel is geen boek over hoe het allemaal gegaan is. De Bijbel is een boek over hoe het is. En Genesis 1 vertelt een ander verhaal dan Genesis 2. Het verhaal van vandaag vertelt niet over hoe God orde aan wilde brengen in de schepping. Het verhaal wil vertellen waarom het niet goed is dat de mens alleen is. En het verhaal begint dus opnieuw. Bij de eerste mens. En God die dan denkt: het is niet goed dat de mens alleen is.

Waarom is het niet goed dat de mens alleen is?
Waarom is het niet goed dat de mens alleen is? Dat was de eerste vraag. We kunnen ons er allemaal wat bij voorstellen. Zeker degenen die alleen zijn of alleen zijn komen te staan. In meer of mindere mate hebben we toch mensen om ons heen nodig. Om ons gelukkig te voelen. Om mens te kunnen zijn. Baby's gaan letterlijk dood als ze niet geknuffeld worden. En daar blijft iets van in ieder mens zitten, of dat nou via fysieke aanraking gaat of ontmoeting: het is goed om niet alleen te zijn. Daarom is het voor veel mensen ook fijn om huisdieren te hebben. Ze geven gezelschap, en troost. Voor anderen werkt het ook helend om te kunnen zorgen voor een dier. Ik zou zo veel oudere en zieken mensen, jong en oud, een dier wensen, die in die zin ook een helper is. Want het is niet goed dat de mens alleen is. Dat wil zeggen: het is niet goed voor ons, voor onszelf. Maar dat is niet het hele verhaal.

De blik van het Bijbelverhaal is breder. Is het voor de schepping goed dat de mens alleen is? Is het goed als er maar één mens zou zijn? Net zo uniek als God? Het lijkt een beetje vreemde hypothetische vraag. Want hoe komt die ene mens er dan, en wat als die doodgaat? Maar daar gaat het niet om. En dus zegt dit Bijbelverhaal daar niets over. Je moet bijbelverhalen nooit overvragen over wat ze niet zeggen. Je moet kijken naar wat ze wel zeggen.

Alleen op de wereld
Zou het goed zijn voor de schepping als er maar één mens zou zijn? Die net zo uniek is als God? Misschien kan ik het zo zeggen: is het goed als er maar één mens is, om wie de hele wereld draait? We zien om ons heen en in de media mensen, die inderdaad denken dat de hele wereld om hen draait. In bedrijven, onder beroemdheden, in de politiek. En we zien hoe macht corrumpeert. Hoe CEO's van bedrijven, wereldberoemde artiesten, dictators, maar ook allerlei andere mensen met macht en invloed het zicht op de werkelijkheid totaal verliezen. Die idioot grote beloningen vragen, wereldvreemde eisen stellen, en buitenproportioneel veel bezit hebben en de mensen om hen heen als hun bezit beschouwen. En het zijn niet alleen maar de grote dames en heren van deze wereld. Het is ook die vader of die moeder, die een waar schrikbewind voert thuis. Of die zorgverlener die zijn verantwoordelijkheid niet vertaalt in dienst aan mensen, maar als macht over middelen, waarin hij, of de regels, en niet de mensen centraal staan.

Wat is die 'helper'?
Het is niet goed, dat er maar één mens is, om wie de hele wereld draait. Er is al één God, en voor de verhoudingen in de schepping is het goed als er niet een mens bijkomt die zichzelf God waant. Hij moet niet uniek zijn, want dan denkt hij maar dat de hele wereld om hem draait. God zoekt voor hem een helper, die bij hem past, staat er. Dat moet je heel nauwkeurig lezen. Die helper is geen hulpje. Ondanks wat de geschiedenis van de vrouw gemaakt heeft.
Want dat staat er niet. God zoekt geen ondergeschikt hulpje, maar een helper die zelfstandig is. Zelfs niet in eerste instantie vrouwelijk. Daar gaat het God niet om. Nee, God noemt hem een helper, waarbij de lezer in het Oude Oosten denkt aan een vrije man die volwassen is geworden en in militaire dienst kan. Dat is de achtergrond van dit woord. Een zelfstandige helper dus. Iemand die je terzijde kan staan.

Of die helper zelfstandig is bepaalt dus ook of hij bij de mens past. Dat is in onze Bijbelvertaling een vaag woord. Je kunt je van alles voorstellen bij waarom iemand wel of niet bij een ander past. Maar hier in de Bijbel is het heel concreet. De Bijbel bedoelt te zeggen dat het iemand is die tegenover hem kan gaan staan. God zoekt voor de mens een tegenhanger. Eén die tegen hem opgewassen is.

Want stel je voor dat een mens geen tegenspraak krijgt? Dat je niet alleen niemand hebt om tegen te praten? Maar vooral dat er niemand is die wat terug zegt? Veel van de mensen die het zicht op de werkelijkheid verliezen en denken dat de hele wereld om hen draait, hebben allemaal ja-knikkers om zich heen. Het is verbazingwekkend om te zien hoe weinig tegenspraak beroemdheden gekregen hebben, die op een gegeven moment van hun voetstuk vallen. Je vraagt je wel eens af: was er dan niemand die zei: 'doe eens normaal'?

Organiseer tegenspraak
Een mens heeft tegenspraak nodig. En het is ook een wijze les voor iedereen die verantwoordelijkheid draagt in een organisatie of thuis om als je geen tegenspraak hebt, dat te organiseren. Voel jezelf er niet te goed voor. Niet omdat het fout is wat je doet, maar omdat we leven van tegenspraak. Zo zijn we mens.

Daarom waren de dieren niet voldoende. In de woorden voor de kinderen: ze zeggen niets terug. Ja, een papegaai. Maar die zegt alleen wat je hem geleerd hebt. Al kunnen ze dan ook nog wel eens verrassend uit de hoek komen, tegenspreken doen ze niet. Verzamel niet teveel papegaaien, maar mensen om je heen die je wat durven te zeggen. En vraag dat ook van je partner en je vrienden. Nogmaals, niet als kritiek, want dat is veel te makkelijk, maar om je te behoeden dat je het zicht op de werkelijkheid verliest en dat je alles wat je zelf bedenkt voor waar aanneemt. Luister naar wat anderen te zeggen hebben. Dat geeft altijd weer verrassende inzichten. Laat je inspireren. Daar word je creatief van.

Een rib uit zijn lijf; als mens ben je niet de enige
Zo is dit verhaal geen verhaal over de verhouding tussen de man en de vrouw, en nog minder over het huwelijk. Dat zij een rib uit zijn lijf is vertelt iets over hoe mensen verwant aan elkaar zijn. En dus niet uniek in hun mens zijn. Denk nooit dat je de enige bent. En waarom een rib? Een rib is vlees en gebeente. Zoals de mens uitroept: eindelijk een gelijk aan mij, mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees. Een rib is vlees en gebeente. Denk maar een spareribs, dan vergeet je dat nooit meer... En daarom zijn ze een van lichaam. Omdat het niet goed is dat de mens alleen is.


De mens vindt troost, warmte en gezelschap bij dieren. Het is fijn om mens te kunnen zijn te midden van dieren. Je wordt pas echt mens als je tegenhangers om je heen vindt die je laten zien hoeveel mooier en groter de schepping is dan onze eigen ideeën en gedachten, en je daar een hulp in zijn. En om samen onze hulp te vragen van God, die hemel en aarde gemaakt heeft. Om het goed te laten zijn. 

zondag 20 september 2015

Wat is beter: weten of twijfel? (preek 20 september 2015)

Stel, dat we kinderen eens echt in het midden zouden zetten, zoals Jezus doet: hoe zouden we dat vinden? Laten we eerst eens beginnen bij een gemiddelde situatie thuis. Ik vind het opvallend om te zien hoe weinig kinderen spelen. En hoezeer ze in de hand worden gehouden. En rustig worden gehouden, met allerlei zoethoudertjes. Ik moet denken aan die moeder die klaagde dat ze geen eigen leven meer had. Waarop de begeleider van haar kind op school uitlegde: u hebt geen leven, u bént leven.

Kinderen moeten veelal mee in de drukke levens van hun ouders. En al zal dat niet altijd zo zijn, toch vaak ook weer wel. We zijn als volwassenen met zoveel belangrijke dingen bezig. En dan moeten we alles ook nog draaiende houden. Stel dat we daarentegen kinderen eens echt in het midden zouden zetten, zoals Jezus doet: hoe zouden we dat vinden?

De leerlingen van Jezus zijn ook met hele belangrijke zaken bezig. Vinden ze. Ze hadden met elkaar getwist wie van hen de belangrijkste was. En dat gaat verder dan de vraag wie de meeste macht heeft. Het gaat over wie de grootste is, de voortreffelijkste. Het is dus meer dan een stoelendans. Ze veronderstellen dat ze allemaal groots en voortreffelijk zijn en dáárom belangrijk. Geen spatje twijfel hoor je bij de leerlingen. En dat is toch minimaal merkwaardig tegen de achtergrond van wat hieraan voorafgaat.

Wat doe je met iets dat je liever niet wil horen?
Want Jezus heeft zojuist voor de tweede keer zijn lijden aangekondigd. 'De mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen hem doden, maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan.' Wat je hier ook van vindt, deze aankondiging zou je minimaal wat onzeker moeten maken. Het is een aankondiging van Jezus' ondergang, van lijden en pijn. Iets wat we niet willen horen. Als volgeling van Jezus zou zelfs enige twijfel voorstelbaar zijn.

Maar de leerlingen begrepen deze uitspraak niet, maar durfden hem geen vragen te stellen. Bang misschien dat ze weer op hun kop zouden krijgen, net als Petrus eerder, toen hij Jezus terecht wees.

Wanneer hou je op met vragen stellen? 
Dan is het toch vreemd, dat ze vervolgens met elkaar ruziën over wie de grootste en de voortreffelijkste is. Ze tonen geen enkele twijfel. Alsof ze denken dat het allemaal niet zo vaart zal lopen. Dat iedereen wel achter hen aankomt. Bovendien, ze staan toch aan de goede kant. Het treft me hoe weinig twijfel er heerst onder de leerlingen. Terwijl ze aan de andere kant Jezus geen vragen durven stellen. Welke waarheid vrezen zij onder ogen te zien? Het is de valkuil van iedere leerling: dat je geen vragen meer stelt. Omdat je bang bent voor het antwoord. Want antwoorden kunnen je aan het twijfelen brengen. Doe ik het wel goed? Zie ik het wel goed? Is het niet misschien toch anders? Zou het beter kunnen? Zou ik het beter kunnen doen? Vraagt de situatie meer van me dan ik wil? Of gaat het allemaal anders dan gedacht?

Wat gebeurt er als je geen vragen meer stelt?
Als je geen twijfel meer hebt, ga je geloven in je eigen antwoorden. Over hoe de wereld in elkaar steekt, en wat ieders plek is. En de jouwe staat dan op een voetstuk. Om het overzicht te kunnen houden. En dus veranderen gesprekken in elkaar de loef afsteken, beter weten. En vooral het eigen standpunt verdedigen, zonder te luisteren. Hoeveel eigen waarheden worden op verjaardagen niet uitgewisseld zonder dat er echt een gesprek is? Wanneer heb je voor het laatst een vraag aan iemand gesteld, en het antwoord afgewacht? Mensen geloven nogal erg in zichzelf. En dan zijn vrome geloofsgesprekken vaak nog de ergste van allemaal. Als kerken en kerkelijke gelovigen weten we het vaak allemaal erg goed te zeggen. Of: wat vroeger waar was, is niet meer zo, maar een gesprek over hoe je dan wel kunt geloven vermijden we. Om de waarheid niet onder ogen te zien: en dat is dat het allemaal ook wel eens anders zou kunnen zijn. Of, minder verontrustend gezegd, dat onze waarheid minimaal niet compleet is. En dat er meer over te zeggen is. Wat ons best even vragen mag doen stellen en mag laten twijfelen.

Waarom is twijfelen niet erg?
Twijfel is niet erg. Twijfel is de basishouding van een leerling. Omdat het je vragen laat stellen. Maar begrijp me goed. Na de tijd dat we zogenaamd alles zeker wisten, kwam er een tijd waarin twijfel heel belangrijk werd gevonden, en bijna een cult-status kreeg. Dat we niets zeker kunnen weten. En dat je vooral als gelovige niets voor waar mag aannemen, omdat je er toch niets over kunt zeggen. Daar ben ik niet van. Daarom aarzel ik ook bij het woord twijfel. Twijfel haalt niet alles onderuit, maar richt ons op wat het belangrijkste is: God. Het maakt ons duidelijk dat we zijn genade nodig hebben. Dat we niet in ons eentje alles kunnen weten en overzien. En dat dat ook niet hoeft. Maar gelukkig is daar Gods genade. En mogen we gewoon vragen stellen. Aan Jezus, en aan elkaar. Hoe zie jij dat nou? Hoe doe jij dat nou?

Maar de leerlingen van Jezus zijn met zichzelf bezig. En Jezus doorziet dat en zegt: 'Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal zijn en ieders dienaar.' Zegt onze bijbelvertaling. Maar het is precies andersom: upside down. En het zit hem in één werkwoord: wie de belangrijkste wil zijn, zal (in de toekomende tijd) de minste van allemaal zijn en ieders dienaar; dat wil zeggen ieders slaaf. Hij is namelijk een slaaf van zichzelf, van zijn eigen gelijk en waarheden.

Blik naar buiten!
Jezus gooit de blik echter naar búiten. Hij pakt een kind en zet het in hun midden. En zegt: 'Wie in mijn naam één zo'n kind bij zich opneemt, neemt mij op.' Het gaat er bij dit kind niet om dat het kind onschuldig is. Als de bijbel het beeld van een kind gebruikt, dan gaat om zijn weerloosheid. Zijn kwetsbaarheid. Om precies dat waar de leerlingen geen weet meer van lijken te hebben: dat ze Gods genade nodig hebben. Dat ze het niet alleen kunnen, én hoeven doen. Dat je niet alles hoeft te weten. En dat je moet blijven vragen, omdat je anders opgesloten raakt in je eigen beperkte gelijk. En daardoor Jezus, en God, misloopt.


Blijf vragen stellen
Omdat er genoeg is om over te twijfelen. Omdat je eigen waarheid altijd incompleet is. En er dús vragen bij te blijven stellen zijn. Het leven is onzeker. That's a fact of life. Maar gelukkig is daar God. En Jezus die ons voorgaat in het meest onzekere dat denkbaar is, de dood. En Jezus roept op: blijf vragen stellen. En leer dat van kinderen. Zij kunnen dat. Vragen stellen. Zet hen in het midden. Laat hen vragen stellen. En stel vragen terug. Dan wordt het Evangelie ook voor hen weer relevant.

zondag 6 september 2015

Wat kan je met Jezus' lijden en het lijden van Aylen? (preek 6 september 2015)

In de afgelopen week werd op ieders netvlies een foto gebrand, die op kranten, tv en sociale media veelvuldig werd getoond. Die foto van dat jongetje van drie jaar, dat aanspoelde op het Turkse strand. Uren daarvoor was hij met zijn ouders juist daar vandaan vertrokken. Op zoek naar een toekomst, een nieuw leven, in Europa. Met de fotograaf zijn we allemaal om dat jongetje heengelopen. We konden hem van verschillende kanten zien liggen. Of we bleven op een afstandje staan. Stokstijf. Of met de blik wat afgewend. Wil en kan ik dit wel zien?

Wie zeggen de mensen dat hij is? Gelukkig kreeg het jongetje een naam. Anders dan de vele andere boot- en landvluchtelingen die anoniem blijven. Hij heette Aylan. Mensen zien in hem hun eigen kind, zoals iemand dat noemde. Mensen noemen hem de zoon van een doodongelukkige vader, die niet alleen Aylan, maar ook zijn oudere broertje en hun moeder verloor. En mensen noemen hem een gelukszoeker, een zoon van onverantwoorde ouders die met zulke kleine kinderen zo'n gevaarlijke reis maken.

Kunnen wij om zijn lijden heen?
Wie zeggen de mensen dat hij is? Kunnen wij om zijn lijden heen? Kunnen wij hem begrijpen als we zijn lijden niet zien? Kunnen we hem begrijpen als we onze tranen inslikken bij het zien van zo'n gaaf lijfje? Kunnen we hem begrijpen als we niet breken met ons wereldbeeld, waarin we alles goed voor elkaar hebben en de ellende buitenhouden? Kunnen we hem begrijpen als we voorbijgaan aan de wanhoop van een jong gezin, en hoop, door al hun lijden heen? Kunnen we om zijn lijden heen? Kunnen wij hem begrijpen als we zijn lijden niet zien? En kunnen wij hem begrijpen als we niet ook zelf ons kruis op ons nemen?

Of wij zien wie ze zijn bepaalt hoe we met vluchtelingen omgaan
Onze houding ten opzichte van vluchtelingen staat of valt ermee of wij verstaan wie dit jongetje is. Wanneer wij slechts proberen te verzachten en alles en iedereen maar proberen te helpen, dan sussen we ons eigen geweten met goedbedoelde vrijwilligheid. En ligt er morgen weer een dood kind, waarover we ons kunnen ontfermen. Dan zullen we het verliezen in dat we nooit genoeg zullen kunnen doen. Wanneer we verharden, zal het ons steeds meer gaan tegenstaan, zal het ons nog meer overspoelen en zullen we het op die manier verliezen en eraan onderdoor gaan. Onze houding ten opzichte van vluchtelingen staat of valt met het verstaan van wie dit jongetje is. Door het lijden te zien van deze zoon van mensen, dit mensenkind.

Jezus, zoon van mensen - wie zeg jij dat hij is?
Zoon van mensen. Zo noemt Jezus zichzelf als hij zelf antwoord geeft op zijn vraag wie de mensen zeggen dat hij is. Die vraag, wie de mensen zeggen dat hij is, vormt het scharnierpunt in het Evangelie zoals Markus dat vertelt. Alle wonderen, confrontaties en andere verhalen lopen hierop uit. Wie is Jezus nou? Vaak heeft hij mensen belemmerd om iets door te vertellen van wat hij deed of zei. En bij zijn genezingen nam hij mensen apart. Hij leek het podium te schuwen als het erop aankwam. Alsof hij wil dat mensen eerst goed nadenken. Wie zeg jij dat ik ben?

De leerlingen antwoorden wie de mensen zeggen dat Jezus is: Johannes de Doper, Elia, één van de profeten. Goed dat ze zo antwoorden. Ze antwoorden gelukkig niet wát hij is: een held, een ster, of hoe je dat ook zou willen noemen, in de taal van toen: een koning? Nee, ze verstaan Jezus gelukkig in een geestelijk licht: als een voortzetting van de profetie. Handelaar in woorden van God. In woord en daad.

Messias?
En dan wordt het spannend. Wie zeggen jullie dat ik ben? En Petrus neemt het woord en zegt: U bent de Messias. Niet eens 'een' messias, nee, dé Messias. Dat is niet echt een antwoord op de vraag wíe Jezus is, want Messias, gezalfde, Christus, was toen nog geen eigennaam. Het is wel Jezus merknaam geworden naderhand, maar het was eerst een soortnaam. Een gezalfde. En daarbij werd in eerste instantie aan een koning gedacht, die werden gezalfd, en niet aan een profeet.

Wij zijn geneigd om met de kennis van nu te zeggen: Petrus sloeg toch de spijker op z'n kop? Ja, nu wij Jezus de Messias, Christus, noemen zou je wel zeggen dat dat één op één klopt. Hij gaf het goede antwoord, tien punten! Maar met de kennis van nu vervaagt de situatie van toen. Dat is vaak zo met kennis van nu. Het is meestal gelijk achteraf. Wat kón Petrus toen weten? En wat had hij voor ogen toen hij dat zei? Is het woord Messias niet veel breder gebleken, dan Petrus kon vermoeden? En had Petrus niet vooral het koninklijke op het oog, waarbij je je af kunt vragen of hij eigenlijk wel aandurfde wie Jezus nog meer was? Was het benoemen van Jezus als de Messias niet een hele veilige keuze van Petrus, een veilig etiket op Jezus als onze koninklijke redder, waarbij hij veilig is en niets meer hoeft te doen?

Waarom moet de Messias lijden? 
Was dat de reden dat Jezus zijn leerlingen scherp verbood om iets over dat Messiasschap te zeggen tegen anderen? Omdat ze niet wisten waar ze het over hadden? Of misschien juist omdat hij hen wilde beschermen? Er staat immers nergens dat hij hen bestrafte. Dat komt straks pas. Het zou goed kunnen dat Jezus het gevoel had dat hij hen nog onvoldoende had toegerust en nog onvoldoende had uitgelegd wie hij was om over hem te kunnen spreken. En dus begint hij het hen uit te leggen.

En hij noemt zich niet de Messias, maar de Mensenzoon. Hij gaat daarmee niet boven ons staan, maar komt tussen ons in staan. Een kind van de mensen. Maar als hij dat wil zijn, dan komt hij erg dichtbij. Net zoals die foto van Aylan heel dichtbij komt. We houden mensen die ervoor zorgen dat wij iets moeten graag op een afstand. Maar Jezus komt niet alleen dichterbij, hij komt midden tussen ons in staan. Hij noemt zich Mensenzoon. Hij komt onder ons staan. En dus moeten we iets met hem. Net zoals we iets met die foto moeten, of we nu willen of niet.

Waarom kost het me iets om Jezus te volgen?
Jezus komt zo dichtbij dat we iets met hem moeten. Maar de mensen die alles zo mooi onder controle hebben, moeten hem niet. Want hij gooit roet in hun eten. De oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden lopen tegen hem te hoop. En zij vertegenwoordigen juist wat een Messias zou moeten zijn: koning, priester en profeet. De oudsten vertegenwoordigen het koninklijke, de hogepriesters het priesterlijke en de schriftgeleerden het profetische. Jezus laat hen zien dat hun ambt hen niet iets oplevert, maar dat het hen iets kost. Daar zijn al die zinnen over jezelf verloochenen en je kruis opnemen en achter Jezus aankomen om bedoeld. Niet om het simpele 'ieder huisje heeft zijn kruisje', maar om iets anders: dat het volgen van Jezus je iets kost, voordat het je wat oplevert.

Waarom zou je Jezus dan volgen? Omdat een andere weg sowieso niets oplevert. Of we verzachten alles en komen nooit aan het lijden toe dat zich zo opdringt, maar dat we niet willen zien. Waardoor we gaan zorgen met zoveel mogelijk goedbedoelde inzet dat we er niets van zien. Je zou er nog overspannen van raken. Of we verharden, en dan breken we sowieso zo door al het geweld van het lijden.

Nogmaals: moest Jezus zo lijden?
Jezus gaat tekeer tegen Petrus precies hierom. Petrus neemt het op voor alle mensen die het lijden niet willen zien en het wel goed vinden zo. Jezus noemt hem Satan, wat niet meer betekent dan 'Tegenstander'. Hij noemt hem geen duivel, maar tegenstander. Jezus' missie is zinloos als hij niet dwars door het lijden heen gaat. Kon het niet anders, wat vrolijker? Er wordt dan altijd naar God gewezen: moest Jezus nu zo lijden? Van God? Maar een oude wijsheid van Gandhi vertelt dat wie met één vinger naar een ander wijst, met vier vingers naar zichzelf wijst. Moest Jezus nu zo lijden? Kijk maar in de krant. En zie de foto van Aylen. Kennelijk wel dus.

Om voor ons de weg vrij te maken naar het leven, moest Jezus met ons meegaan in óns lijden. Hij kan niet anders. Maar willen wij hem daarin kunnen volgen, dan moeten wij onze ogen niet sluiten. En moeten we zien dat die weg naar het leven ons iets kost. En dat er geen oplossingen zijn voor het lijden die ons niets kosten. Ook voor de problematiek van de vluchtelingen niet. Dat kunnen we niet leuk vinden, en dat is het ook niet. En het zet van alles op zijn kop. Maar we zullen er wat voor moeten inleveren.

Wat als het er echt op aan komt?
Nu reageren zoveel mensen dat ze gastgezin willen zijn en zich in willen zetten. En dat is fantastisch. En hoe triest ook: dat is een besef dat ook ontstaan is door die foto van Aylen. Maar ik wacht op het moment dat ze werkelijk voor onze deuren staan. Of in de oude Oranjeschool hierachter opgevangen worden. Bijvoorbeeld. Hoe ver gaan we dan? En hoever laten wij hun lijden toe in ons leven? Dat we er niet zijn met dekens en kleding die we over hebben. Maar dat we werkelijk ons leven moeten delen, ook met hen. Hoe lang ze hier ook kunnen en mogen zijn. Hebben wij een boodschap aan hen? En betalen we daarvoor de prijs die het vraagt?

Dan zullen we de stemming ineens niet meer mee hebben. Dan wordt het lastig. Dan staan we tussen de zachtliners en hardliners in. En roepen ze: en wat willen jullie nou? En dan is er alleen maar die foto en kun je zeggen: heb je werkelijk gezien, echt gezíen, wie dat is?

Doe je mee? 

Wie zeggen de mensen dat ik ben? Wie zeg jij dat hij is, Jezus? En wil je van je woorden je daden maken? Dat betekent het lijden zien, in het geloof dat het daar niet bij blijft. Dat Jezus is opgestaan. Maar dat dat wel wat kost. Omdat er elke dag weer mensen lijden. Maar dat dat zien de enige weg is naar nieuw leven, die Jezus ons is voorgegaan, en die Aylen is achteraangegaan. Net als vele andere naamloos gestorven, verdronken, vervolgde en omgekomen mensen. Willen wij hen volgen naar nieuw leven, dan kan dat alleen maar door hun lijden heen. Doe je mee?

vrijdag 4 september 2015

Kan het je wat schelen dat ze vergaan?

(Twee weken geleden geschreven voor het kerkblad, dat deze week uitkwam - hoe de wereld kan veranderen door de aanblik van een aangespoeld kind - snappen we het nu wel?)

 

Je zult maar op je welverdiende vakantie gaan naar, laten we zeggen, een eiland in de Middellandse Zee. En dan vind je op dat eiland het ene na het andere tentenkamp aan van aangespoelde vluchtelingen. Het zou mijn idee van vakantie ook niet zijn. Maar het is wel realiteit.

 

Op bijvoorbeeld Griekse eilanden als Kos en Lesbos komen dagelijks vluchtelingen in bootjes aan vanuit Turkije. De migranten komen voornamelijk uit Syrië en Afghanistan. Oorlogsgebieden waar ze geen toekomst hebben. Ze zoeken een veilig heenkomen en toekomst in Europa.

 

Wij zoeken op vakantie vaak zo'n verre bestemming op om even uit de alledaagse drukte en sleur te komen en van de rust te genieten. Dan wordt die vakantie nogal verstoord als we voortdurend geconfronteerd worden met de ellende in de wereld. Op hetzelfde strand waar je even rustig op een terrasje wilt zitten, komen nu elke dag nieuwe migranten aan. In dezelfde steden waar wij willen rondslenteren, zwerven migranten rond in afwachting van het moment dat ze verder kunnen reizen.

 

Die voorstelbare irritatie lijkt bijna het enige gevoel te zijn dat we hebben bij het zien van de bootvluchtelingen. Het zijn er duizenden, honderdduizenden inmiddels. Maar ze komen ver van ons veilige bed aan in Zuid-Europa. En daar 'moeten ze de grenzen maar sluiten', klinkt het veelvuldig. We schrikken van scheepsrampen voor de kusten van Italië en Libië. Maar alle opvarenden blijven anoniem, alsof het ons eigenlijk niets kan schelen.

 

Een van de meest aangrijpende zinnen in het verhaal van de storm op het meer is voor mij juist die vraag aan Jezus: 'Er stak een hevige storm op en de golven beukten tegen de boot, zodat die vol water kwam te staan. Maar hij lag achter in de boot op een kussen te slapen. Ze maakten hem wakker en zeiden: 'Meester, kan het u niet schelen dat we vergaan?'... (Marcus 4:38)

 

Op zaterdag 15 augustus hebben kerken gehoor gegeven aan de oproep van Aramese christenen uit Syrië en Irak om de noodklok te luiden voor de vervolgingen daar. Die noodklok mag ook een oproep aan ons zijn. Als we ons echt druk maken om de vervolgingen en het oorlogsgeweld, dan moeten we ons ook iets aantrekken van mensen die wanhopig een veilig heenkomen en een toekomst zoeken in Europa. Los van of ze kunnen blijven of niet.

 

We kunnen ons ergeren of roepen dat de grenzen dichtmoeten. Maar ze komen toch wel. En vind je het gek? Het is net als met de zee waar de migranten vanaf kwamen: tegen de stroom in roeien werkt niet. Hoe eng en onzeker ook, we moeten ons mee laten drijven op de stroom van een woelige wereld. En zo goed en menselijk mogelijke oplossingen zoeken, voor iedereen. Anders zou Jezus ook aan ons terecht vragen: 'Waarom hebben jullie zo weinig moed? Geloven jullie nog steeds niet?'

 


Foto's: Stichting Hulpactie Bootvluchtelingen

zondag 30 augustus 2015

Hoe blind zijn wíj? (preek 30 augustus 2015)

Tekst: Zacharia 8: 4-8, 20-23 en Marcus 8: 22-26

Hoe blind zijn we zelf voor wat we wel gehoord hebben, maar niet zien? Hoe gaan we om met vluchtelingen, die we nu ineens op ons af zien komen, maar waarvan we allang gehoord hadden?

Hoe vaak gebeurt het niet dat je iets mist? Dat je iets niet gezien hebt? Dat iemand je vertelde hoe hij opzag tegen bijvoorbeeld een aanstaande operatie, maar dat je niet even gebeld of geappt hebt om sterkte te wensen op de dag van de operatie, of niet meteen daarna hebt gebeld? Van de week schoot er 's nachts ineens een naam van een zieke collega door mijn hoofd. En misschien heb denk jij nu ook wel aan iemand. Geen nood, notitie maken, straks doen en dan is het ook goed.

Als je iets mist of iets niet gezien hebt, dan is het moeilijke ervan dat het niet zo is dat je het niet wist of niet had moeten weten. Ja, je hebt gehoord dat het met hem of haar niet goed gaat, en als je dat niet gehoord hebt, dan had je het misschien op een andere manier moeten weten of merken. We hoeven tenslotte niet alles aan elkaar aan te geven, toch? Liefde tussen mensen is niet alleen maar iets voelen voor elkaar, maar ook aanvoelen. En aanvoelen is niet altijd onze sterkste kant. Vooral van mannen. Zeggen vrouwen.

Hoe kun je horende blind zijn?
Om die reden is het ook erg pijnlijk voor degene die niet gezien wordt, dat gemist wordt wat hem of haar overkomt en zo erg bezig houdt. Kijk, iemand die het niet wist of kon weten, ja, die praat je alsnog bij. Maar iemand die het wist, of die het had moeten zien, omdat die er met zijn neus bovenop staat, gaat pijnlijk de mist is als die het mist. Dat doet pijn. Dan ben je horende blind.

Nee, ik maak hier geen taalfout, ook al spreken we normaal over ziende blind en horende doof. In het evangelie van Markus zit er een onderscheid tussen de dove en de blinde. Wie de loop van het verhaal volgt leest even terug aan het eind van hoofdstuk 7 dat er een doofstomme wordt genezen door Jezus. Dat lijkt op ongeveer dezelfde manier te gaan als bij de genezing van de blinde later. Jezus neemt hem apart, raakt met speeksel aan, en gebiedt om hier niet mee in de openbaarheid te treden. Dat de doofstomme meteen is genezen, en de blinde wat langer nodig heeft, is iets waar ik zo op terugkom. Maar verder lijken de verhalen erg op elkaar.

Hoe verschillen de doofstomme en de blinde van elkaar?
Eén onderscheid is echter heel belangrijk. Bij de genezing van de doofstomme bevindt Jezus zich in het gebied van anders-gelovigen. Hij is op de terugweg naar het meer van Galilea, en is op reis van Tyrus via Sidon dwars door het gebied van Dekapolis, de tien steden. Dat is belangrijk om de rol van dit fragment in het verhaal van Markus te begrijpen. Want Jezus bevindt zich dus in het gebied van mensen die nog niet van God hebben gehoord. En dus kunnen ze er ook niet over spreken. Dit wonder van de genezing van de doofstomme is een missionair teken van liefde van God. Aan wie nog niet over Hem gehoord heeft. Oren worden geopend, zodat ze kunnen spreken over de liefde van God. En soms vindt dat verhaal van God meer gehoor bij mensen de er nog nooit van gehoord hebben...

Onder zijn eigen mensen heeft Jezus het een stuk zwaarder. Ja, de farizeeën willen ook wel een teken, zeggen ze in 8:11. Ja jongens, daar gaat het toch niet om? En Jezus haalt uit: 'Waarom verlangt uw soort mensen een teken? Ik verzeker u: aan mensen als u zal zeker geen teken gegeven worden.' Nou, mooi is dat. Wel voor de heidenen, en niet voor ons? Wel voor de buitenkerkelijken, en niet voor ons? De vraag is alleen of Jezus nu zozeer die tekenen wil onthouden aan zijn eigen mensen, of dat ze het gewoon niet zien, niet willen zien, waar het tekenen van zijn?

Ondertussen zitten de leerlingen de hele tijd alleen maar te zeuren dat ze onvoldoende brood hebben. Dat begint al aan het begin van hoofdstuk 8 wanneer Jezus uiteindelijk wederom brood vermenigvuldigt, waarvan nota bene 7 manden over waren. Maar de leerlingen zijn daar niet zo zuinig mee, en vergeten gewoon voldoende brood mee te nemen. En na de confrontatie met de farizeeërs kunnen zij zich er alleen maar druk om maken dat ze onvoldoende brood bij zich hebben. Dus Jezus verzucht: 'Waarom praten jullie over dat je geen brood hebt? Begrijpen jullie het dan nog niet, en ontbreekt het jullie aan inzicht? Zijn jullie zo hardleers?' En als hij dan met ze herhaalt hoeveel manden brood er over waren bij de twee tekenen van de broden, de eerste keer twaalf en de tweede keer zeven, vraagt hij vertwijfeld: 'Begrijpen jullie het dan nog niet?'

Je begrijpt pas als je het ziet
Jezus bevindt zich te midden van zijn eigen mensen die veel over God gehoord hebben. Maar om de een of andere redenen zien ze het niet. Ze zien de wonderen wel, maar ze zien niet wat ze vertellen over God. Ze zien de wonderen wel, maar ze zien God niet. Natuurlijk kun je God niet zien. Maar je kunt wel zien wat de woorden over God betekenen. Over wat je bijvoorbeeld moet doen. En wanneer het erop aankomt dat je wat doet. Hoe vaak laten we iets niet na waarvan we weten dat we dat moeten doen? Gewoon uit luiheid of onachtzaamheid. Het nu niet belangrijk vinden. Terwijl het voor een ander wel belangrijk is. Of omdat het anders mis gaat. Met veiligheid, of tussen mensen.

We hadden al lang over de vluchtelingen gehoord, maar we zagen niet dat we iets moesten doen
Zo weten we al jaren dat er een enorme vluchtelingenstroom onze kant op gaat komen. Dat is echt niet iets van de kranten en journaals van deze weken. We kunnen wel op onze achterste benen gaan staan, maar als we gezien hadden wat we hadden gehoord, dan wisten we dat er al jaren miljoenen mensen ontheemd leven in het Midden-Oosten en Afrika. Dat ze steeds minder te eten krijgen, omdat het geld van hulporganisaties op is, en hun vooruitzichten steeds uitzichtlozer zijn. En dat ze al jaren de Middellandse Zee over proberen te steken, te beginnen bij Lampedusa. Waar we hulpgeroep hoorden, maar niet zagen wat we moesten doen.

En kom niet bij me aan dat Europa nu ineens overspoeld wordt door vluchtelingen. Want het is niet 'ineens'. En noem ze al helemaal geen gelukszoekers. Als we deze mensen gezien hadden, nadat we over hun ellende hadden gehoord, dan hadden we gezien wat we moesten doen. Nu lopen we achter de feiten aan, en worden mensen met een oorlogstrauma slachtoffer van onze besluiteloosheid en vinden ze op hun weg traangasgranaten en prikkeldraad met scheermesjes. Hoe verzin je het?

Nu versmalt de problematiek zich tot de vraag of ze hier wel kunnen blijven? Dat willen ze zelf niet eens. Natuurlijk willen ze naar huis. Maar toen we hun ellende thuis hoorden, hebben we niets gedaan. Natuurlijk konden wij ook niet alles oplossen. Maar we hebben er niet op geanticipeerd. We hebben niets voorbereid. Het was eerst het probleem van de landen in de regio. Toen het probleem van Zuid-Europa. En nu van ons. Gefeliciteerd. We hebben het mooi voor elkaar.

Om moedeloos van te worden
Zo moedeloos moet Jezus zijn geweest toen hij de blinde zag. Zijn eigen mensen, Gods mensen, hebben zoveel over hem gehoord, en Jezus heeft over God verteld. En mensen bemoedigd. Moed ingesproken, de weg gewezen. Over hoe je kunt leven. Maar ze zien niet wat ze nu moeten doen. Ze zien niet waar het op aan komt. Geloof is iets dat ze hebben. Ze hebben een geloof. Maar ze leven er niet uit.

En Jezus neemt de man apart. Want het gaat niet om het schouwspel, het ritueel, de kerkdienst, de toespraak of wat dan ook, dat de aandacht kan trekken. Het gaat om die blindheid. Daar wil Jezus alle aandacht op leggen. En al ónze aandacht, als enige getuigen van het vertelde verhaal. Ja het is een wonder, deze genezing, maar even geen 'oh' en 'ah'; het is een teken van Gods liefde. En alle aandacht moet ernaar uitgaan waar het een teken van is. Het gaat niet om het wonder, maar om de betekenis.

Je begrijpt pas wat God zegt als je ziet wat hij bedoelt
En wat ziet de blinde? Jezus vraagt het hem. 'Ziet u iets?' Niet als controle, maar om ons te laten zien dat er een proces gaande is. 'En hij begon weer te zien en zei: 'Ik zie mensen, het zijn net bomen, maar ze lopen rond.'' Wat hier gebeurt verwijst naar de schepping. Op de derde dag schiep God de bomen. Bomen lijken op mensen, in hun contouren en in hun karaktertrekken. Maar we zijn er nog niet. De mens wordt op de zesde dag geschapen. En zo legt Jezus hem weer de handen op de ogen. En toen zag hij alles heel helder. Nou, en wie ziet hij als hij genezen is? Jezus, de nieuwe Adam, de nieuwe mens. Alles ziet deze man voortaan 'door Jezus Christus, onze Heer'. Jezus geeft hem een nieuwe bril. Zijn blik op de wereld. Door de ogen van God. Je verstaat pas wat God zegt als je ziet wat Hij bedoelt.

Jezus zien 
En dan zie je Jezus. Er is een verhaal in het evangelie naar Mattheüs dat Jezus mensen prijst dat ze hem te eten gaven, drinken, hem als vreemdeling opnamen, hem kleedden, hem bezochten toen hij ziek was en toen hij gevangen zat. En de mensen vragen hem wanneer ze hem dan hongerig, dorstig, als vreemdeling, naakt, ziek en gevangen hebben gezien. En dan zegt Jezus: 'Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.'

Door Gods bril kijken
Als we werkelijk zien wat God bedoelt in alles wat Hij tot ons zegt, dat zien we Jezus in de hongerige, de dorstige, de naakte, de zieke, de gevangene, én de vreemdeling. Die ís niet Jezus, dat snap ik ook wel, maar in hem of haar zien we wat Jezus bedoelt dat ons te doen staat als wij zien wat hij zegt.

Dan zie je de toekomst!
Soms lijkt het alsof je maar beter doofstom kan zijn. Dan hoor je niet wat God zegt, en kun je tenminste ook niks missen. Maar dan zie je ook niet met de bril van God de kansen, de toekomst, de mens in anderen, allemaal mensen die mogen leven in het Koninkrijk van God. Als ze het willen zien.