dinsdag 28 augustus 2012

Horen en antwoorden - preek 19 augustus 2012




In de vertelling van het Evangelie door Marcus zijn we vandaag aangekomen bij het verhaal van de genezing van de doofstomme. Een klassiek genezingsverhaal, dat even zoveel klassieke vragen stelt hoe dit wonder nu kon gebeuren en of we het niet symbolisch moeten horen. De vraag is of we dan het verhaal goed verstaan. En of we recht doen aan het bredere verhaal dat Marcus aan het vertellen is. Ik wil u vanmorgen laten zien dat het niet alleen maar om een wonderverhaal gaat dat op zichzelf zou kunnen staan, maar dat de betekenis pas goed aan het licht komt als je het verhaal ziet als een stukje van een groter verhaal.

Dat grotere verhaal is natuurlijk het hele Evangelie, maar als we het behapbaar willen houden delen we het toch maar even in stukken. En het verhaal van de genezing van de doofstomme maakt deel uit van de verhalen in Marcus 6 tot en met 8. In beide hoofdstukken, Marcus 6 en Marcus 8, lezen we een verhaal over de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. Alle verhalen daartussen staan in het teken van die twee verhalen, om uiteindelijk te eindigen met de vraag van Jezus aan het eind van hoofdstuk 8: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ en vervolgens aan de leerlingen: ‘En wie ben ik volgens jullie?’

Daaruit begrijpen we dat het er in de verhalen van Markus 6 tot en met 8 om gaat wie Jezus is. Én het gaat erom dat de leerlingen dat begrijpen. Zij krijgen uiteindelijk die vraag: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Zij, de leerlingen, zijn het aanspreekpunt van Jezus. Het lijdend voorwerp zal ik maar zeggen. En wij, als hoorders van het verhaal van Markus, kijken toe hoe de leerlingen door Jezus worden onderwezen in wie Hij is.

Het draait dus om de leerlingen, maar het gaat over Jezus. De leerlingen, en in hun kielzog wij worden door Jezus uitgedaagd te gaan begrijpen wie Hij is. Dat bleek al in het wonder van de broden. Het gaat niet eens zozeer om de vermenigvuldiging van dat vele brood. Het gaat erom dat als de leerlingen aangeven dat Jezus maar moet stoppen met zijn onderwijzing en de mensen naar huis moet laten gaan om te eten, Hij tegen hen zegt: ‘Geven jullie hun maar te eten!’ Jezus woorden en het brood dat gedeeld moet worden is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zijn woorden geven leven. En moeten de mensen dat maar weer naar huis om praktisch in leven te blijven? Nee. Een mens kan niet leven van brood alleen, maar van ieder Woord dat door de Heer gesproken wordt, maar zonder is ook zo wat. Sterker nog, hier komt het op aan of het geloof van de leerlingen sterk genoeg is. Is geloof uiteindelijk iets dat je voor jezelf houdt, zodat na een mooie bijeenkomst met mooie woorden, ieder weer zijns weegs gaat. Of deel je het? Jezus leert hier dat door je geloof te delen, en daarmee een zinvolle invulling van je leven, je geloof juist vermenigvuldigd wordt. Daarom zijn er ook uiteindelijk twaalf manden vermenigvuldigd brood over. Voor elke leerling één. Zíj zijn het, en niet die duizenden mensen om wie het draait. De leerlingen worden uitgedaagd te begrijpen wat geloven betekent en vermag te doen. Het vermenigvuldigt zich door te delen, als mensen het niet voor zichzelf houden en ieder zijns weegs gaat.

Het draait dus om de leerlingen, en het gaat over Jezus. En dan is het frappant dat we in het verhaal van vandaag over de genezing van de doofstomme, de leerlingen helemaal niet tegenkomen. En dan gaat het er niet praktisch om of ze misschien ongenoemd zijn gebleven maar wel zijn meegegaan naar de buitengebieden toen Jezus wegging in vers 24, omdat het misschien ondenkbaar zou zijn dat ze niet mee zouden gaan of zo. Het gaat er wel om dat het verhaal zo is geschreven  dat het wel de bedoeling is dat de leerlingen zien wat er daar gebeurt. Het is niet zomaar een reisverslag van wat Jezus ook nog eens in een buitengebied meemaakte, nee, Hij laat zijn leerlingen, en in hun kielzog ons als hoorders, iets zien.

Het verhaal van de genezing van de doofstomme speelt zich af bij het meer van Galilea. Een hele omweg als ik de bijbelse atlas moet geloven. In ieder geval betekent het dat hij aan het andere einde van Meer van Galilea uitkomt. En dat herinnert de leerlingen eraan dat zij daar een paar verhalen geleden heen moesten in hun bootje, maar dat ze niet tegen de sterkte tegenwind opgewassen waren, en dat Jezus hen lopend over het meer tegemoet kwam en voor ging naar de overkant. Jezus is in heidens, niet-Joods gebied. Eng voor de leerlingen, want daar komt het op aan. Alsof je van een afgesloten rijbaancircuit waar je onder begeleiding leert autorijden, ineens op de grote echte weg moet rijden, helemaal zelf.

En daar, in dat niet-Joodse gebied brengt een anonieme groep mensen een man bij Jezus die doof was en gebrekkig sprak. Ogenschijnlijk is het slechts een lichamelijke kwaal. Maar als we het verhaal in zijn verband lezen komt iets anders naar voren. Waar deze man door zijn kwaal niet toe in staat is, is om te antwoorden. Hij kan niet horen, en daardoor kan hij niet terugspreken. Met zijn gebrekkige spraak kan hij wellicht zelf iets zeggen, maar horen en antwoorden kan hij niet. Daarmee kan hij niet antwoorden op de woorden die tot hem gesproken worden.

En daar gaat Jezus wat aan doen. Want Jezus ís het Woord. De woorden die Hij spreekt zijn woorden van God. Zozeer zelfs dat de Bijbel Jezus het Woord van God noemt. De woorden die Jezus spreekt brengen iets teweeg. Iets van God. Ze brengen bevrijding, ze openen nieuwe perspectieven, ze brengen heling.

Maar voordat de man kan antwoorden op Jezus moet Jezus hem wel eerst kunnen bereiken, aan kunnen spreken. En dat betekent dat Jezus zich wendt tot gebarentaal. En zo opent Jezus de communicatie. Door zijn vingers in de oren van de man te doen laat Jezus zien dat Hij weet wat de man mankeert. En met het speeksel, dat symbool staat om zijn genezende kracht, raakt Jezus de tong van de man aan die zo essentieel is om te kunnen praten. En vervolgens spreekt Jezus een woord, dat gemakkelijk te liplezen is: effata; dat betekent ‘ga open’. Meteen daarna gingen zijn oren open, hij kon dus horen, en kwam zijn tong los, en kon hij normaal spreken. Hij kon nu dus ook antwoorden op wat hij kon horen. En hij kon dus antwoorden op Jezus.

Maar Jezus lijkt daar meteen een stokje voor te steken. Want Hij verbiedt de omstanders om aan niemand te vertellen wat er was gebeurd. Hoor het dus goed: Jezus verbiedt het de man niet, maar wel de omstanders. Jezus openbare optreden moet in een zekere beslotenheid plaatsvinden – Hij nam de man ook apart. In de verborgenheid wordt Gods werk openbaar. In de stilte komt God ter sprake. Het heeft iets dubbels. Het gaat namelijk om geloof, en niet om spektakel. De woorden van Jezus moeten letterlijk binnenkomen, in de oren van de man. En de man moet antwoorden met zijn eigen tong. Jezus heeft niets aan meelopers waarbij Zijn woorden het ene oor in en het andere oor uitgaan, en die in hun antwoorden andere mensen napraten of niet eens weten waar ze het over hebben. Jezus maant dus tot een zekere behoedzaamheid. Luister en overschreeuw je niet. Uiteindelijk komen deze niet-Joden wel tot een antwoord, een belijdenis zou je kunnen zeggen: ‘Alles wat hij doet is goed; zelfs doven laat hij horen en stommen laat hij spreken.’

Dit verhaal horen wij. En dit verhaal horen de leerlingen. Deze mensen hier aan het meer, die niets hebben met het Jood-zijn van Jezus, die niets hebben met zijn roots, snappen waar het om gaat. Alles wat Jezus doet is goed. In het uitdragen van het Evangelie, de goede boodschap betekent dat, gaat het alleen maar hierom: alles wat Jezus doet is goed. En daar mogen wij, vanuit ons hart, op antwoorden. Jezus maakt er geen spektakel van, dus laten wij dat ook niet doen. Hoor zijn woorden, laat ze binnenkomen in de verborgenheid van je hart, en antwoord met je hart.


zaterdag 4 augustus 2012

Zin in Zaterdag (4): Beeldverbod of beeldgenot?

Op de camping zie ik de zoveelste nieuwe campinggast richtingloos rondlopen op zoek naar bereik voor zijn mobiele telefoon. Tja, de camping ligt in the middle of nowhere in la douce France. Als er bereik is, verdringen de providers zich en wisselen ze elkaar binnen de minuut af, en internet is er nauwelijks. Het is iets wat de campinggasten verbindt: we hebben nauwelijks bereik met de buitenwereld. Maar we hebben elkaar. Nieuwe gasten worden op weg geholpen door kampeerders die er al langer staan. Je helpt elkaar toch door de moeilijke tijden niet waar?!

En zo zie ik opnieuw een man naar het open veld lopen, vertwijfeld kijkend naar zijn iPhone en de lucht: een modern schietgebedje. Ik loop op hem af en zeg meelevend: 'Ja, bereik is er hier nauwelijks. Behalve bij de toiletten in de buurt van het zwembad en op het open veld buiten de camping.' Ja, ik ben net zo erg... Hij vraagt of de internetverbinding dan wel goed genoeg is om een foto te uploaden. Ik moet hem teleurstellen, maar vraag hem wel wat het belang ervan voor hem is, omdat we allemaal op de camping ook wel snappen dat deze nood op de vakantie relatief is. Hij vertelt dat hij toch wil proberen zijn 166.000 volgers iets te laten weten... Ik vraag hem hoe iemand in vredesnaam aan 166.000 volgers komt. Hij vertelt me dat hij sinds enige tijd bezig is met fotografie op internet. En dat hij enorm veel belangstelling voor zijn foto's heeft gekregen. Foto's, die hij gewoon met zijn iPhone maakt, en met apps bewerkt en deelt. Hij kwam op favorietenlijstjes te staan op internet en werd benaderd door bedrijven, die hem nu boeken voor reportages. Tot zijn eigen verbazing, maar het is wel een droom die uitkomt.

Ik hou van dit soort gesprekken; gesprekken met mensen die ontdekken hoe ze hun droom kunnen vervullen en vervolgens zelf ontdekt worden. En we raken verder aan de praat over het belang van beelden, dat steeds groter wordt. In herinner me dat ik voor mijn vakantie op internet las dat Amerikanen inmiddels zover zijn dat ze fotografen inhuren op vakantie, om vakantiefoto's voor ze te maken die ze op Facebook kunnen publiceren. Want gewone kiekjes voldoen blijkbaar niet meer. We kunnen erom lachen, en dat deden de fotograaf en ik dan ook maar even, maar het is wel een uitwas van een trend die ook bij ons steeds meer te zien is. Sociale media als Facebook draaien steeds meer om het delen van beelden. Vakantiefoto's, maar ook profielfoto's, die het stadium van veredelde pasfoto reeds ver voorbij zijn. Wat ooit als 'smoelenboek' begon met persoonlijke berichten, is nu een in eerste instantie een beeldverhaal geworden.

Is dat erg? Niet zondermeer. Juist als 'dienaar van het woord' weet ik hoe belangrijk beelden zijn. Ik presenteer mijn blogs en dus ook de links op Facebook niet voor niets met een plaatje. De beamer vertoont tijdens de preek een plaatje dat ook op de blog verschijnt naderhand. Beelden zijn 'geleiders' om je mee te kunnen nemen in een verhaal. Een reisgids zonder plaatjes is ondenkbaar. En beelden kunnen op zichzelf al een heel verhaal vertellen. Het wordt moeilijker als beelden de waarheid geweld aandoen. Dat is met woorden overigens net zo goed het geval. Met woorden kun je de werkelijkheid ook mooier voorstellen dan hij is, en in het ergste geval noemen we dat liegen of bedriegen. Maar foto's kunnen dat ook, de waarheid geweld aandoen.

Maar wat is waarheid? Dat is niet eenduidig, omdat de ene waarheid meerdere kanten heeft en meerdere, daar komt het, gezichtspunten. Ik verwonder me hoe fotografen gebeurtenissen, plekken of mensen uit een verrassende hoek in beeld kunnen brengen. Gebeurtenissen die ik zelf ook hem meegemaakt op plekken waar ik ook geweest ben en met mensen die ik goed ken; maar in een nieuw en ander beeld gevangen. Maar ze doen de waarheid daarmee niet geweld aan. Zo'n foto maakt mijn beeld compleet en vertellen misschien meer dan woorden. En ik geniet ervan. Daarom heb ik mijn gesprekspartner ook gevraagd het Romaanse kerkje van het dorpje te fotograferen, zonder restricties, gewoon volgens zijn indruk. Die foto staat boven deze blog. Een plaatje.

Wanneer doet een foto de waarheid geweld aan? Dat is nog niet zo makkelijk. Heel strikt genomen doet misschien elke foto die bewerkt is de waarheid geweld aan. Maar moeten we zo streng zijn? Ik denk het niet. Ook met woorden kleden we een verhaal aan. Dus we moeten al helemaal niet beelden tegenover woorden zetten, alsof die zuiverder zouden zijn. Misschien is dit het wel dat bepaalt of een beeld de waarheid dient of geweld aan doet. Een beeld dient de waarheid, als het behalve vorm ook inhoud heeft. En daar komt het bij beelden misschien nog wel meer op aan dan bij woorden; hoewel, nietszeggend geklets is er alom.

En als een beeld inhoud heeft is het op zijn waarheid te beoordelen. Geeft het een nieuw gezichtspunt? Of roept het beeld iets op dat 'waar' is; wat mij betreft hoe mooi de schepping is of hoe dankbaar je voor iets bent, of omdat het even verstilt en je hoofd leegmaakt en vult tegelijkertijd? Omdat het raakt aan een diepere emotie of je geloof? En wanneer is een beeld dan 'onwaar'? Simpel gezegd als dat beeld nep is. Net zoals wat iemand zegt onecht kan zijn, zo kan een beeld ook onecht zijn. Een echt beeld hoeft niet eens een 'waarheidsgetrouwe weergave van de werkelijkheid' te zijn (wat is dat eigenlijk?). Het mag best bewerkt zijn. Maar het moet wel echt zijn. En iemand die zich anders voordoet dan hij of zij is, in woord of in beeld, of die iets wil voorspiegelen dat niet waar is, doet de waarheid en daarmee zichzelf geweld aan. Uiteindelijk komt de waarheid altijd aan het licht.

De fotograaf en de dominee rondden daar op de camping in het open veld hun bespiegelen af. De dominee zei: 'Ik wil niet voor eigen parochie preken hoor, maar weet je waar je hier het beste bereik hebt? Boven in het dorpje bij de kerk...'

Ik ben voor deze blog veel dank verschuldigd aan Eelco Roos, voor zijn beelden en woorden. Hier kun je zijn website vinden. Nog een extra volger is zijn werk zeker waard.

maandag 9 juli 2012

Wie denk je wel dat je bent? - Preek 8 juli 2012




De preek vanmorgen gaat over de broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon. Hij had ook nog een paar zussen. Zo was hij bekend in de stad. Als iemand die deel uitmaakt van een groot gezin. Hun moeder? Maria. Zijn naam? Jezus. Ja, wij kennen hem als een eenling. Iemand die erop uittrok en leerlingen achter zich verzamelde. Zo maakte hij naam in de wijde omgeving. Maar hier in Nazareth, zijn geboortestad, is zijn naam verbonden met die van zijn moeder en die van zijn broers en zussen.

Even tussendoor: vreemd dat de vertalers de broers wel broers noemen, maar de zussen zusters… En opvallend dat een van de broers Judas heet, en de ander Simon… What’s in a name?

Jezus kennen wij als iemand om wie het hele Evangelie draait. Vanaf het begin, vanaf zijn geboorte of zijn herkomst, of zijn eerste publieke optreden. Maar hier in Nazareth kennen mensen Jezus van zijn afkomst. Hij is een gewone timmermanszoon. En zijn geboorte is er een van vele in het gezin, en van vele in de stad. Een jongen dus met een doodgewone, zelf lage afkomst. Een timmerman, een arbeider in eigen dienst, een zzp’er, zelfstandige zonder portemonnee.

En vanuit dat beeld van Jezus als timmerman, deel van een timmermansgezin, kijken en luisteren de mensen in Nazareth naar Jezus. Wat hij zegt horen we niet. Wel horen we wat hij doet: hij geeft onderricht. En aan de verbaasde reacties af te lezen klinken zijn woorden wijs, en brengt hij ze kennelijk in verband met de wonderen die zijn handen tot stand brengen. Stel je eens even voor: een doodgewone timmermanszoon, kundig, jawel, met zijn handen, als hij met hout bezig is. Getekende handen dus ook, van de hamers op zijn duim en het grove werk met hout. En deze man staat ineens vooraan in de synagoge te vertellen wat zijn handen nog meer kunnen. En hij verbindt dat met een breder wijs verhaal over tal van zaken die de levens van mensen raken. Zo’n man wordt gauw een opschepper gevonden, die naast zijn schoenen is gaan lopen. “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. En gewoon ben je, een timmerman.” Zo zouden mensen gereageerd kunnen hebben. Ze namen aanstoot aan hem, staat er. En in dat woord voor aanstoot nemen, zit het woord ‘schandaal’. Jezus woorden waren een schandaal. En dat woord schandaal is ook interessant, want in zijn oorspong was een schandaal het houtje in een muizenval waar de aas aan was bevestigd. De mensen voelden zich dus [KLAP] beetgenomen door Jezus. In de luren gelegd. Bedonderd. Alsof ze zeggen: ‘Maak het een beetje?’

Dat er zo op Jezus wordt gereageerd is misschien weer een steen des aanstoots voor ons. Jezus zal zijn woorden niet zomaar gesproken hebben en wij geloven dat het zin heeft om ernaar te luisteren en Zijn woorden te doen. Maar besef dan ook dat wij Jezus zien als Heer, en de mensen in Nazareth als iemand van hen, die gewoon timmerman was. Dat maakt hun reactie niet goed, maar misschien wel begrijpelijk. Vooral als we onszelf er een beetje aan gaan spiegelen…

Kijk, dat we Jezus zien als Heer heeft iets heel respectvols. Maar tegelijkertijd is hij ook mooi op afstand. Terwijl in Nazareth Jezus een van hen is, is Jezus niet een van ons. Hooguit zijn wij een van Hem, maar dat is vooral mooi gesproken, dominee! Jezus is niet een van ons, ook al is Hij mens geworden onder de mensen, dat snap ik ook wel. Maar voelt u wat ik bedoel? Hij is geen gewoon mens die deel uitmaakt van onze samenleving of kerk. Wij kunnen Jezus wat makkelijker op afstand zetten. Zodat Hij ons wat minder dicht op de huid zit. En misschien zetten we Hem met onze afstandsbediening ook wel eens uit… Als het even niet uitkomt. Of misschien nog wel vaker voorkomend: als Zijn woorden ons niet lekker liggen. We zijn snel geneigd om die woorden van Jezus uit te kiezen die ons bevallen of raken, en andere woorden waar we ons misschien zelfs aan zouden kunnen ergeren naast ons neer te leggen. We zijn niet gewend om alle woorden van Jezus, zelfs als ze dwars liggen en ons zwaar op de maag vallen, evenveel aandacht te geven. En dat kunnen we makkelijk doen, want Jezus is als onze Heer toch een beetje op afstand. Dus: misschien hebben wij wel makkelijk praten als we aanstoot nemen aan de reacties van de mensen in Nazareth. Jezus zit ons minder dicht op de huid, omdat Hij niet een van ons is in de sociale zin – Hij maakt geen deel uit van onze samenleving, of van onze kerk, als ‘gewoon’ mens – dus wij kunnen hem makkelijker op afstand zetten zonder ons er echt aan te hoeven storen als iets ons niet ligt wat Hij zegt. Maar misschien moeten we ons dan de woorden herinneren van een oude dominee: ‘Als zijn woorden je niet liggen, dan moet je misschien anders gaan liggen.’

De spiegel van Nazareth, zo noem ik het maar even, laat ons dus voelen hoe wij op onze beurt Jezus op afstand houden, als het ons niet uitkomt wat Hij zegt. Of als het ons niet uitkomt om überhaupt te luisteren. Lukt het u nog om af en toe die Bijbel binnen te laten komen en er wat uit te lezen met elkaar? En nee, dat hoeft niet per se ouderwets aan tafel; trouwens, wat is daar ouderwets aan? En het hoeft ook niet elke dag, maar toch: lukt het u nog om af en toe je af te vragen: wat zegt de Bijbel hier eigenlijk over? Als je een afweging moet maken in werk, relatie, wonen, consumeren, vrije tijd, de nood van je naasten en van de wereld, de politiek? Afwegingen dus over prioriteiten in waar je waarde aan hecht. Want dat is natuurlijk waar die Bijbel voor is bedoeld. Niet als een stofvanger voor in de boekenkast, of om op gezette tijden braaf te doorstaan, maar om te laten spreken in je leven. En ja, dan is dat soms best wel eens lastig. Er zijn zat dingen in ons leven waarvan we weten dat dat zo niet de bedoeling is. Maar doen we er dan werkelijk iets aan? Of draaien we ons alleen maar weg en zeggen we: niets aan te doen; zo is het nu eenmaal? De Bijbel is niet bedoeld als een constant vingertje dat jou op de vingers kijkt. Maar de Bijbel is wel bedoeld om je scherp te houden. Om het niet zomáár mis te laten gaan. Om na het zuur van de woorden uit de Bijbel ook het zoet te kunnen smaken dat het inderdaad beter was om toe te geven.

Ah wacht, dat is een mooie. Beter om af en toe toe te geven. Dat is moeilijk. Toegeven. Toegeven dat een ander gelijk heeft. Of gewoon een terechte kritische vraag stelt. Wat irritant kunnen die mensen zijn. Je dacht het allemaal mooi voor elkaar te hebben en het loopt lekker, en dan steekt iemand een spaak in je wiel, of staat doodleuk langs de kant van het voetbalveld je toe te schreeuwen: zeg, moet je niet de andere kant op; ligt daar je doel niet?

Bloednerveus worden we van kritiek. Ik merk dat we nauwelijks meer gevoelig zijn voor kritische vragen. Of nee, misschien juist precies het tegenovergestelde: dat we overgevoelig zijn geworden voor kritische vragen. We hebben het allemaal erg druk, en proberen met man en macht ons leven te ordenen en principes erop na te houden in opvoeding, relatie, werk en noem maar op. En we zijn daar ook zo trots op. Maar zelfs bij zorgen of als dingen tegenzitten verhindert de trots ons kritisch met anderen, of met Gods Woord, te kijken naar ons leven. Dan lijkt het alsof we afvinken: ik geloof op mijn manier, ik geef aan goede doelen, ik ga af en toe bij mijn moeder op bezoek, en verder heb ik het erg druk, dus hou je erbuiten.

We zijn vaak te druk en te vol, ook van onszelf, om gewoon eens te luisteren naar wat een ander te zeggen heeft. En die hoeft niet meteen gelijk te hebben. Net zo min als jij meteen ongelijk moet hebben. De waarheid zal wel in het midden liggen, maar dus nooit helemaal aan jouw kant. Vaak komen kritische vragen ongelegen. Zitten ze ons te dicht op de huid. Dus wie denk je wel dat je bent?! Maar ga er niet te snel vanuit dat kritische vragen bedoeld zijn om je onderuit te halen. Zouden we dat zeggen van woorden van Jezus? Nee, natuurlijk niet. Maar laten we ze dan ook horen én opzoeken. En durf het gesprek aan met anderen over uitgangspunten in jouw leven, en wat anderen in jouw leven opvalt. Natuurlijk moet dat in liefde worden gezegd; niet om je onderuit te halen of om je ongelijk te bewijzen, maar ga daar dan ook niet te snel van uit. En inderdaad, durf het gesprek aan te gaan. Want het is ook een kwestie van durven. Omdat het ook eng is. Want we denken allemaal wel ergens: doe ik het wel goed? Ga ervan uit dat je je best doet. En deel van dat je best doen is ook kritisch te luisteren én op zoek te gaan naar woorden die schuren en misschien wel minder vanzelfsprekend maken zoals je je leven hebt ingericht.

Wat win je erbij? Ik zou haast zeggen: Jezus. Hij neemt ons serieus; Hij neemt jou serieus. Het gaat Hem niet om Hemzelf, maar om Zijn gemeenschap met ons. De kerk waar Hij geen gewoon lid van is, maar het Hoofd van is. En als wij naar Hem luisteren, lopen we niet rond als een kip zonder kop, als een kerk zonder hoofd. We winnen er de liefde bij! En soms heeft die liefde wat scherpe kantjes, maar altijd is ze bedoeld om de gemeenschap van mensen met God te onderhouden en goed te houden.

Als een kritische vraag of een kritisch Woord je niet ligt, ga dan eens anders liggen.
Ga er vanuit dat de Waarheid in het midden ligt, en dus nooit helemaal bij jou.
Onderzoek alles en laat je bevragen, en behoud het goede; de liefde!

maandag 2 juli 2012

Aangeraakt - preek 1 juli 2012




Alle verhalen uit de bijbel gaan vanmorgen over vrouwen. En de vrouwen in de verhalen zijn erg kwetsbaar. Ik zeg niet dat ze kwetsbaar zijn omdat ze vróuw zijn, maar ze bevinden zich wel allemaal in een kwetsbaar gemaakte positie. In Jesaja zijn de mannen overigens net zo kwetsbaar, maar dat staat in de verzen hiervoor. Daarover zo meer. Het verhaal uit het Evangelie bestaat eigenlijk uit twee geschiedenissen die door elkaar heenlopen, maar nauw op elkaar aansluiten. Het verhaal van het dochtertje van Jaïrus en het verhaal van de bloedvloeiende vrouw. Beide verhalen gaan over kwetsbare vrouwen die aangeraakt worden. En over hoe helend die aanraking is. Hoe belangrijk het is dat mensen, vrouwen én mannen, aangeraakt worden.

En het gaat daarbij natuurlijk niet om vluchtig aangeraakt worden in de loop, zoals je elkaar onbedoeld kan aanraken in een drukke winkelstraat, of ook in de kerk. Het gaat hier om liefdevolle aanraking met volle aandacht voor elkaar. Aanraking is enorm belangrijk. Het is zelfs een eerste levensbehoefte. Voor een baby is het het enige waar het zekerheid aan ontleent. Het is zelfs zo belangrijk dat een baby zonder aangeraakt te worden overlijdt. Helaas levert de geschiedenis ons hiervoor zelfs tastbaar bewijs. Dat baby’s zonder liefdevolle aandacht en aanraking niet kunnen overleven, was de niet beoogde, maar wel gruwelijke uitkomst van een experiment van de Duitse Keizer Frederik II in de 13e eeuw. De keizer was op zoek naar de oorsprong van taal. Hij wilde weten welke taal baby’s uit zichzelf zouden spreken: Hebreeuws, de taal van het volk van God, leek hem het meest logisch. Maar Grieks, Latijn of Arabisch achtte hij ook mogelijk. En de voorwaarde voor een zuiver experiment was dat de baby’s niet beïnvloed zouden worden door de mensen die ze verzorgen. Dus dat betekende dat baby’s het zouden moeten stellen zonder menselijke aandacht. Zo wilde Frederik er zeker van zijn dat de taal helemaal uit de kinderen zelf opkwam. De methode die Frederik daarvoor bedacht had was een groep baby’s in twee groepen te scheiden. De ene groep baby’s kreeg wel de gewoon menselijke aandacht en werd geknuffeld, gestreeld en er werd tegen gepraat. De andere groep baby’s werd alleen verzorgd. De baby’s kregen eten en werden schoongemaakt. Maar zonder warme menselijke aandacht. Als Frederik in onze tijd geleefd had, dan had hij de verzorging door machines willen laten doen. Dit experiment heeft nooit een antwoord gegeven op de gestelde vraag, omdat alle baby’s uit de groep zonder warme menselijke aandacht overleden. Zonder een menselijke knuffel gaat een kind dus dood. Zo belangrijk is aanraking.

Nu is aanraking misschien niet het eerste waar u aan denkt bij God. Zeker wanneer je God op afstand beleeft, is aanraking niet iets wat bij God lijkt te passen. Dan komt hij misschien zelfs wel eng dichtbij. Toch zien we wel degelijk mensen in de bijbel aangeraakt worden door God, en we verbeelden dat ook in onze liturgie. Als we mensen zegenen bij een huwelijk of het bevestigingen in een ambt, doen we dat door handoplegging. En nee, we blijven er dan niet als predikanten met onze handen boven hangen. We raken mensen echt even aan. Het is geen vaag of zweverig iets, nee, het is een concrete aanraking. Dus, met respect voor de kapsels die zeker bij huwelijken zorgvuldig in elkaar gestoken zijn, raken we in de zegen van God de mensen liefdevol aan. En het gebaar bij de zegen aan het einde van de dienst is eigenlijk net zo’n gebaar. Een gebaar van handoplegging, zij het dan massaal. Het is niet het instralen van mensen, maar een concrete aanraking van God in de zegen. Of zoals mijn stagebegeleider indertijd zei: ‘de zegen is een knuffel van God’. 

Zo’n zegen kan ook helend werken. Denk ook maar aan de ziekenzalving, het laatste sacrament bij de Rooms-katholieke kerk, en in de Protestantse Kerk ook steeds meer in zwang. In mijn pastoraatstage maakte ik mee dat een man verbaasd was dat hij na de ziekenzalving niet meteen overleed. In de hoofden van mensen is dat toch een beetje een gelijkschakeling geworden. Nou is het ook weer niet zo dat de verwachting van de ziekenzalving is dat mensen genezen. De intentie ervan is wel dat mensen door God worden aangeraakt. En dat mensen bemoedigd worden dat God bij hen is in die vreselijk moeilijke fase van hun leven. En niet ondenkbaar is dat mensen toch opnieuw tot leven komen.

En dat geloof, dat de aanraking namens God helend kan werken, zit er ingeheid bij Jaïrus. Heel dwingend vraagt hij Jezus zijn dochter die ziek is de handen op te leggen. Typisch, de dwang waarmee hij Jezus smeekt. Je zou de indruk kunnen krijgen dat Jezus en daarmee God voor hem de laatste strohalm is, de laatste aan wie hij zich vastklampt, op wie hij zijn hoop gevestigd heeft. Maar, om even te pauzeren in dit drama: is dit wel geloof? Laten we eens even naar de formulering van zijn vraag kijken. We zien allereerst dat het geen vraag is, maar Jaïrus gebiedt Jezus om te komen. Waartoe gebiedt Jaïrus hem? Dat hij haar de handen oplegt om haar te redden en te zorgen dat ze in leven blijft. In hoeverre is hier sprake van geloof? Hoeveel ruimte laat Jaïrus hier aan Jezus? Het is op zich niet erg om je zaak te bepleiten bij Jezus of bij God. Je mag staan voor wie je bent. In de bijbel zijn tal van mensen te vinden die zelfs in discussie gaan met God. Maar hoeveel ruimte laat Jaïrus hier eigenlijk aan zijn dochter? Dit kind, dat naamloos blijft, en de ‘dochter van’ wordt genoemd, moet behouden blijven vanwege Jaïrus. Deze Jaïrus is bovendien een van de leiders van de synagoge. Om wiens behoud gaat het hier?

We pauzeren in dit drama niet voor niets bij de vraag of het verzoek van Jaïrus wel door geloof is ingegeven. Het verhaal pauzeert ook. Want er komt een vrouw die aan bloedvloeiing leidt uit de menigte op. Zij is dus onrein. Dat betekent: ze is een onaanraakbare. Al twaalf jaar stroomt het leven uit haar. En zonder aanraking ga je dood. Ik denk dat het niet voor niets is dat er staat dat ze twaalf jaar al lijdt. Net als de twaalf jaar dat het dochtertje van Jaïrus is, is deze twaalf een symbool voor de twaalf stammen van Israël. Voor het volk van God. En dat volk heeft redding nodig en nieuw leven.

Het is daarom denk ik ook dat het leesrooster de tekst uit Jesaja erbij durfde te lezen. Het komt uit het begin van de profetie van Jesaja. Het stuk van vandaag is onheilspellend en moet even in zijn verband worden geplaatst. Jesaja ziet in zijn visioen de machten van de aarde wankelen en Israël terugkeren naar het beloofde land. Daar zal het Woord van de Heer van Jeruzalem uitgaan. Van Sion gaat de Thora uit, staat er. De wereld zal geregeerd worden door de goede boodschap van God. Er zullen geen wetten van mensen meer gelden die mensen verdelen, verdrukken en verdrijven. Alleen de wet van God, die het leven schept, zal regeren. Een mooi vredesvisioen. Maar het is nog geen werkelijkheid. Wil het volk Israël ooit het lichtend voorbeeld zijn voor de wereld en wil het de wereld ooit vrede leren, dan zal het toch eerst zelf moeten leren en afleren. En dat geldt voor zowel mannen als vrouwen. Het stuk over de mannen komt eerst, en daarna over de vrouwen, dat we zojuist lazen. Het is alsof we in de bloedvloeiende vrouw iemand tegenkomen die zo uit het verhaal van Jesaja in het verhaal van Markus gestapt is. Zij is het Israël, dat geleden heeft omdat het zo op zichzelf stond, dat het onaanraakbaar werd. Geen lichtend voorbeeld meer, geen volk van de wet van God meer, maar van eigen wetten. En twaalf jaar lijdt ze net als Israël in het visioen van Jesaja.

En waar haalt ze dan hoop vandaan? Haar enige hoop is nu deze man, deze Jezus. Maar anders dan Jaïrus. Ook zij dringt zichzelf op, maar in zijn slipstream, letterlijk. Ze raakt zijn mantel aan. En daarmee laat ze nieuw geloof zien en krijgt ze nieuw leven. Want, de gebedsmantel die Jezus draagt herinnert aan de Thora, de wet van God. Deze vrouw erkent dat haar leven enkel terugkeert als ze haar leven zoekt in de verbintenis met God. Zo lang heeft ze vastgehouden aan haar eigen leven, maar nu dat leven niet te stelpen uit haar stroomt, richt ze zich tot God die haar het leven gaf. Alleen in het leven met God komt zij tot volle bloei. Ja, opnieuw, ondanks haar bloedvloeiingen, komt zij tot bloei. En Jezus verwoordt dat heel mooi. En niet eens zozeer door de klassieke zin ‘uw geloof heeft u gered’, maar door wat eraan vooraf gaat. Jezus vraagt aan de omstanders: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Een voor de omstanders ridicule vraag, want het is net als in een drukke winkelstraat; in het gedrang raakt iedereen elkaar aan. Maar Jezus voelt dat dit een andere aanraking is. Een aanraking die vraagt om een knuffel. Om vastgehouden te worden, zoals een moeder haar kind. Omdat ze anders niet zou overleven. En Jezus keert zich naar haar toe en zegt tegen haar, wat niet in onze vertaling staat: ‘dochter’. De van bloedvloeiing genezen vrouw wordt dochter en daarmee kind van God. Ze is gered door haar geloof dat bij God leven is te vinden.

En die andere dochter, of zoals haar vader dat noemt, ‘mijn dochtertje’? Zij ontglipt aan Jaïrus. Er wordt bericht dat ze overleden is. Bedenk dat deze man een van de leiders van de synagoge is, en daarmee spreekbuis van het Joodse geloof in de Wet van God. Deze man moet net als de vrouwen en mannen in Jesaja alles loslaten om nieuw voor God te kunnen leven. De wetten dienen niet om de mens te dienen, maar om God te dienen. Jezus is er voor de mensen, maar niet ter ere van hen, maar ter ere van God. En dat moet Jaïrus leren na deze dramatische pauze rondom die andere vrouw die Jezus’ gebedsmantel aanraakte en bij Gods wet leven vond. Jaïrus, hij is inmiddels naamloos in het verhaal, dat langzaam verschuift in de richting van de dochter. Maar ze heet al spoedig geen dochter meer, maar wordt eerst een kind van haar vader én moeder genoemd. En daarna door Jezus ‘meisje’. ‘Meisje, ik zeg je, sta op!’. Dit kind wordt een meisje. Haar bloedvloeiingen zogezegd, zullen beginnen en ze zal leven geven. Er is toekomst, waar mensen hun heil zoeken bij God, niet voor hun eigen eer en glorie, maar ter ere van God. Hij geeft ons het leven, Hij redt ons, Hij verlost ons en geeft ons nieuw leven. Zelfs als de dood dreigt zegt hij: je zult leven!

woensdag 27 juni 2012

Lijden in Gods schepping - preek 24 juni 2012




Ik maakte het mijzelf ooit erg moeilijk in de kerkdienst. Ik gaf de kinderen de gelegenheid om elke vraag te stellen die ze maar wilden. Het liefst over God, Jezus of kerk. En na enig aarzelen kwam er één vraag: Hoeveel is Jezus? Ik kreeg het daar wel benauwd van. Het is eigenlijk een onbeantwoordbare vraag. Het antwoord dat ik gaf was dan ook eigenlijk geen antwoord. Dus ik geef het maar voor wat het waard is: ‘Als je ’s avonds laat op een open veld naar de sterren kijkt, hoeveel sterren tel je dan? Nou, zoveel is Jezus!’ Ik zeg er nogmaals bij, anders zou ik mezelf niet durven citeren: het is eigenlijk geen antwoord. Maar hoe geef je antwoord op zo’n vraag?

Job stelt ook een onbeantwoordbare vraag. En ook hij krijgt eigenlijk geen echt antwoord. Job krijgt het nodige voor de kiezen. Hij raakt alles, maar dan ook echt alles, kwijt: naast zijn bezittingen ook zijn geliefden en zijn gezondheid. En hij stelt een simpele, maar onbeantwoordbare vraag: waarom? En Job stelt die vraag áán iemand, aan God. Waarom, God? Die vraag was misschien niet eens zo dringend geworden als Jobs vrienden niet al met goedkope antwoorden waren gekomen. Door die goedkope antwoorden werd de vraag steeds nijpender.

De vrienden van Job waren ervan overtuigd dat Job toch iets verkeerd gedaan moest hebben. Hij heeft het vast te danken aan wat hij gedaan heeft of nagelaten. Het is een hardnekkige gedachte. Die gedachte kennen we uit wijsheidsliteratuur, die ouder is dan het boek Job. Zo kom je in het Spreukenboek de terugkerende gedachte tegen dat wie goed doet, goed ontmoet en wie onrecht doet ten gronde zal gaan. Zoals je zaait, zul je oogsten. Het is een makkelijke gedachte, overzichtelijk ook. En let maar eens op: nog steeds worden mensen erop afgerekend, al is het maar onbewust. Misschien is de expliciet beschuldigende vinger niet eens de meest voorkomende en erge vorm. Wellicht is het veel erger als we mensen alleen laten in hun lijden, omdat wij er toch niets aan kunnen doen, zodat zij niet moeten klagen maar dragen en wij doen alsof we het niet zien. Dan geef je mensen óók het gevoel dat zíj er wèl iets aan kunnen doen dat ze zogenaamd lastig zijn. Je kunt wel zeggen: kan ik het helpen? Maar dat kan die ander ook niet, en die zit ermee, dus dat is geen antwoord.

Wat de vrienden van Job nalaten is het met Job in zijn lijden uit te houden, hoe zwaar dat ook is. Maar dat is het voor Job ook. En hij kan er ook niets aan doen. Dat is de essentie van het boek Job. Job kan niets doen aan wat hem overkomt. De latere wijsheidsliteratuur, waar Job onder valt, is realistischer geworden. Zo kijkt de Prediker om zich heen en constateert, zo rauw als hij dat kan zeggen, dat het misschien zelfs eerder andersom is. Met rechtvaardige mensen ziet hij het slecht gaan, terwijl de slechte mensen leven in rijkdom. Armoe, rijkdom, en alles wat je in je leven toevalt, is inderdaad meer toeval dan beloning of straf. Dat wil zeggen: er zit geen oorzaak uit ons leven achter en het is voor ons niet te bevatten, waarom het lijden bepaalde mensen op een bepaalde manier treft.

Maar Jobs vrienden, maar ach, wat heet vrienden; zij kunnen niet leven met het idee dat er geen oorzaak is te vinden in het leven van Job. En dus ondervragen ze hem. Maar wat is er wreder dan mensen die lijden bloot te stellen aan beschuldigingen? Hoe kunnen deze mensen zich weren tegen verwijten dat ze zelf aan hun lijden bijdragen? Deze beschuldigingen knagen aan hun zelfvertrouwen. Ze voelen zich al, zoals Job het beschrijft, als een blad dat voortgejaagd wordt door de wind, een blad dat verpulverd dreigt te worden in de storm.

Maar Job laat het er ook niet bij zitten. Waar Job het vandaan haalt weet ik niet, want zoveel anderen zouden van deze beschuldigingen murwgeslagen zijn. Maar Job blijft geloven dat hij er niets aan kan doen, maar de vraag wordt dan wel des te schrijnender, waarom wel? En hij kan zich alleen maar tot God richten met die vraag. Als de wereld dan zo in elkaar zit dan het kwaad goede mensen treft, waarom dan? Ja, het is een onzinnige vraag, maar toch. Hij zal het met tranen in zijn ogen gezegd hebben: het is gewoon niet eerlijk! Ook al weet hij dat het niets met eerlijkheid te maken heeft. Maar het is het toppunt van machteloosheid: hij, wij kunnen niets aan dat lijden doen. Bah!

God geeft een antwoord, vanuit een storm. Een antwoord dat geen antwoord is, op een vraag, die misschien ook eigenlijk geen vraag was, maar een uitroep. Een uitroep is het om aandacht van God. Van God verwacht Job redding. Maar God lijkt zich doof te houden. En Job staat voor zijn zaak: het ligt niet aan hem. Maar geprikkeld door zijn vrienden, die hem beschuldigden, wil hij nu volledig inzicht in waarom het lijden hem dan wel overkomt. Dat het nu eenmaal gebeurt is niet meer genoeg voor hem. Hij zou verbitterd raken als hij het daarbij zou laten, dat er nu eenmaal niets aan te doen is en dat hij het maar heeft te slikken. Hij weigert, anders gezegd, alleen te blijven in zijn lijden. Hij staat voor wat hij waard is als kind van God. Een moedig mens, die Job. Hoe zouden wij dat kunnen als je je in je lijden waardeloos voelt?

Het verhaal is daarom ook wezenlijk anders dan het verhaal van de storm op het meer. De makers van het klassieke driejarig leesrooster hebben een verbinding tussen de twee teksten gezien in het vers dat uit acht hoofdstukken later bij Job wordt geplukt: En de Heer antwoordde Job vanuit een storm. Het kwam op mij erg geforceerd over. Het irriteerde me ook. Alsof de combinatie suggereert dat de storm op het meer een actie van God is. Die irritatie legde wel het verschil bloot tussen deze twee verhalen. Naar mijn indruk gaat het verhaal van Job over het lijden mét God en het verhaal van de storm op het meer over het lijden zónder God. Je zou wel kunnen zeggen dat Jezus’ slapen op de boot ook een vorm van aanwezigheid is, maar hij doet helemaal niets. Bij Job daarentegen wordt van God gezegd dat Hij met zijn aanwezigheid reageert: Job niet zou willen zien, wreed voor hem zou zijn geworden, enfin het hele moeilijke aspect van Job dat God iets met dat lijden te maken zou hebben.

Ik zou het verhaal van de storm op het meer niet teveel willen laten kleuren door de aanklacht van Job. De leerlingen op de boot denken helemaal niet dat God iets doet. Dat is het hem nou juist: God doet niets. De leerlingen zelf ook niet. Ze zijn helemaal uit het lood geslagen. Ze lijden zonder God.

Toch krijgen beiden, Job en de leerlingen, een gelijkluidend antwoord. God wijst Job op de grootsheid van de schepping, waar Job part noch deel aan heeft. Hoe zou Job kunnen bevatten wat er in de Eeuwige God omgaat en van Hem uitgaat? Job heeft God niet verlaten. Maar hij moet wel beseffen dat zijn leven met het lijden dat hem treft onderdeel uitmaakt van een veel weidsere wereld. Als lijden je overkomt, mag je staan voor wie je bent. Je bent het waard. En ook de mensen om je heen zijn geroepen jou niet op te zadelen met de schuld dat jij maar lastig bent. Maar de keerzijde is dat jij moet proberen de wereld weidser te zien dan die zich in je lijden vernauwt. Dat is heel moeilijk als je zo bepaald wordt door pijn, eenzaamheid en verdriet. Ook de leerlingen zitten in dat bootje en zien niets meer dan dat bootje alleen. Hun ontgaat de weidsheid van de wereld, de grootheid van de schepping en daarmee het vertrouwen dat ze opgenomen zijn in het bredere verband van Gods verbond met de mens. Dat besef keert terug als Jezus de storm stilt. Dat besef keert bij Job terug als God stilstaat bij dat bredere verband van de schepping waar Hij en Hij alleen de hand in heeft en voor zorg kan dragen. Waar beide verhalen op uitkomen is dat het leven niet draait om ons lijden, maar dat dit leven met zijn lijden wel meedraait in Gods voortdurende zorg voor zijn mensen.

Daar kunnen wij handen en voeten aan geven door er te zijn waar mensen lijden, en niet over hen te oordelen. Daardoor zullen ze niet wegkwijnen in hun lijden maar via hun naasten zicht blijven houden op de hele schepping, die onder Gods hoede staat.

woensdag 20 juni 2012

Wat het doopwater oplost - preek zondag 17 juni bij een doop




Vaak wordt gezegd, ook in de kerk, dat kinderen de toekomst hebben. We drukken daarmee uit hoe belangrijk kinderen en jonge mensen zijn om de samenleving, om de kerk, door te laten gaan. En kinderen doen ook wat met ons: ze houden ons jong, houden ons flexibel en open voor nieuwe dingen en een nieuwe tijd. Jonge mensen stellen vragen die ouderen allang beantwoord hebben, zonder het antwoord nog langer te bevragen. Kinderen laten je weer zien hoe het is om je te verwonderen, en met een open blik om je heen te kijken. Kinderen leren je geloven, omdat je met geloven als een kind verder kunt kijken dan onze eigen vastgezette horizon.

Kinderen hebben de toekomst. En zonder kinderen kan het behoorlijk uitzichtloos voelen. Zeker wanneer ze je ontvallen. De toekomst glipt je dan uit de handen. Dat is de situatie waarin Noömi verzeild raakt. Het is sowieso een vruchteloze situatie. In het eens beloofde land, het land van melk en honing, heerst hongersnood. Er wordt niets goeds meer voortgebracht. En Noömi en haar man Elimelech – dat betekent ‘God is koning’ – besluiten naar het buitenland te trekken. Maar ‘God is koning’ sterft. En misschien is daarmee de hele situatie wel samengevat. Wanneer het besef dat God koning is verdwijnt, blijft Vrouwe Israël ontredderd achter. Maar ze hadden toch kinderen, ze hadden toch toekomst? Nou, ze heetten Machlon en Kiljon, dat betekent: de zieke en de broze. Dus daar kon het ook niet van komen, en inderdaad: ze stierven. Wie bleven er dan nog over? De twee schoondochters: Orpa en Ruth. Ook zij hebben een betekenis: Orpa is zij die de rug toekeert, en Ruth zij die vergezelt. Maar wat heeft Vrouwe Israël zonder God, van huis en haard en God verlaten, aan een buitenlandse vrouw die haar vergezelt?

Ik treed even buiten het beeld van dit verhaal: dit verhaal heeft betekenis gekregen rondom de verlossing van Israël uit de ballingschap. Wat kan Israël, in ballingschap van huis en haard en God verlaten, nog verwachten van de toekomst? Ze zijn zo berooid dat zelfs thuis geen toekomst is te vinden? Hoe moeten zij als ze zijn teruggekeerd weer opnieuw een toekomst opbouwen?

Dit verhaal van Ruth geeft hen moed. Als de toekomst niet van binnen komt, dan komt hij van buiten, luister maar. Deze Ruth laat haar schoonmoeder Noömi niet alleen naar huis gaan. Zij is degene die haar vergezelt. En niet zomaar tot de grens. Nee, ze zegt: ‘Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u. Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God.’ Het is de eerste keer dat het woord God in dit verhaal klinkt, en het komt uit de mond van de buitenlandse, van Ruth. Zij spreekt het vertrouwen uit, zij brengt de God van Noömi weer tot leven, in de zin dat God weer voor Noömi gaat leven. Waar alle hoop verloren is, brengt Ruth nieuwe hoop, door haar vertrouwen, en haar trouw. En sterker nog, in het vierde hoofdstuk staat dat zij Noömi liefheeft. Het is de enige keer dat dit woord voor liefde tussen twee vrouwen wordt gebruikt. Er is dus iets bijzonders aan de hand hier. Ruth laat door haar liefde en trouw iets terugkomen bij Noömi van het besef van een God die trouw is en lief heeft. En die uiteindelijk ook verlossing brengt.

De rol van Noömi is een hele bijzondere. Zij is eigenlijk het middelpunt. Om haar draait het verhaal. Want het gaat om Vrouwe Israël, om de toekomst van Israël. Het boek mag dan Ruth heten, het gaat erom dat Noömi, dat Israël toekomst krijgt. En het is Ruth die daarin de weg wijst. Ze wil aren gaan lezen, graankorrels gaan zoeken op het land. En laat dat nou bij toeval, zo vertelt het verhaal, het land zijn van familie van haar overleden schoonvader Elimelech. Nou is toeval de logica van God, dus Hij zal hier wel de hand in hebben gehad. En dan is het Noömi die zich herinnert hoe familie van haar overleden man haar kan losmaken van de toekomstloosheid, en zo losser voor haar kan zijn. Natuurlijk wel een beetje een vreemde situatie. Normaal gesproken zou de zwager van haar overleden man met haar moeten trouwen en haar alsnog mogelijk moeten maken kinderen te krijgen. Maar dit gaat een stap verder. Het is tijd voor een nieuwe generatie en toch niet. Oud en nieuw vinden elkaar. Boaz, het familielid van Elimelech, en Ruth, de schoondochter en weduwe. Ze worden allebei ‘bijzonder krachtig’ genoemd in dit verhaal. Woorden die verwijzen naar de verlossende kracht van God. Dit is een bijzonder koppel. En Boaz wordt geraakt door de trouw van Ruth, die niet haar eigen jonge nieuwe weg gaat, maar leven zoekt te geven aan de oude weg van Israël. En dus niet naar een jonge man zoekt en opnieuw begint, maar aansluiting zoekt bij de oude weg, en een opening zoekt in wat dood leek te lopen, en zo bij de oudere Boaz uitkomt. Hij kan, om het op z’n Twents te zeggen, de deur ‘los maken’, openen, naar de toekomst.

Iets van het bijzondere van Ruth zien we ook terug aan haar vraag aan Boaz, daar aan zijn bed. In onze Bijbelvertaling staat een beetje plat: ‘Wilt u mij bij u nemen?’ En als we het tussenstukje weglaten vandaag, dan krijg je ook het gevoel dat ze meteen het bed delen. Maar dat staat er niet. Er staat: ‘Spreid uw vleugel uit’. Dat herinnert aan het compliment dat Boaz zelf eerder maakte aan Ruth, toen hij haar aren zag lezen op zijn land. Hij zei: ‘Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor je schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was. Moge de Heer je daarvoor rijkelijk beloven – De Heer, de God van Israël, onder wiens vleugels je een toevlucht hebt gezocht.’ Datzelfde woord, onder vleugels een toevlucht zoeken, gebruikt Ruth hier opnieuw. Ze herinnert Boaz hiermee aan een goddelijke lading van haar verzoek. Dit gaat niet alleen over een verbintenis tussen man en vrouw. Boaz’ jawoord betekent dat hij doorgang geeft aan de wens die hij zelf uitte, namelijk dat God een toevlucht geeft onder diens vleugels en haar rijkelijk zal belonen, dat is: toekomst geven.

Dat dit onder je vleugels een toevlucht zoeken ook een menselijke intimiteit betekent, zien we later als inderdaad Boaz Ruth bij zich neemt, maar weer zit daar dit goddelijke laag bij. Het gaat hier niet alleen om twee mensen, het gaat hier om veel meer.

En dat zien we later. Als Ruth en Boaz samenzijn staat er dat de Heer haar zwanger liet worden. Net zoals wij niet kinderen nemen maar krijgen, krijgen zeker zij een kind. En zo wordt Noömi losgemaakt van de uitzichtloosheid waarin zij vastzat. Zij is het ook die het kind verzorgt als een voedstermoeder, vertaalt een andere vertaling. Zij neemt hem aan de borst. En hoe vreemd ons dat misschien ook in de oren klinkt: het gaat erom dat niet anderen opnieuw beginnen, maar dat toekomst wordt gegeven aan ons mensen. Dat niet wij ten dode zijn opgeschreven, en dat God maar met nieuwe mensen opnieuw begint. Als het leven op een dood spoor zit, moet de verlossing soms van buiten komen, om ons weer een nieuw zetje te geven. En God is niet te beroerd om daarvoor een buitenlandse te vragen, die met dezelfde trouw als Abraham huis en haard verlaat en God achterna gaat. Die het niet alleen Boaz mogelijk maakt losser te zijn voor Noömi, maar ook nog eens de overgrootmoeder wordt van koning David.

En koning David is weer de verre voorvader van Jezus. Ook daar zat de toekomst voor ons verscholen in een kind. Hij werd onze verlosser. Als ons leven op een dood spoor zit, is Hij degene die ons nieuw leven geeft. Geen mooier symbool daarvoor dan de doop. Onze kinderen worden als het ware door Jezus door het water van de dood heengetrokken, door alles wat ons leven op een dood spoor kan brengen. Dat alles lost in dat water op. Wij bestaan om te leven. Ons leven is niet ten dode opgeschreven. Er kan veel gebeuren in ons leven, maar uiteindelijk is het altijd Jezus die als losser, als verlosser, op zal treden als wij ons in liefde tot hem richten en onder de vleugels van de Heer, de God van Israël, onze toevlucht zoeken. Zo krijgen we nieuwe bezieling, nieuwe geestkracht om niet bij de pakken neer te zitten. Zo is dit verhaal van Ruth ook het verhaal van het Joodse Pinksterfeest. Een oogstfeest, maar wat vooral geoogst wordt is nieuwe geestkracht. Dezelfde Geest waarmee Jezus ons doopt.

dinsdag 22 mei 2012

Raad van Twaalf - preek 20 mei 2012





Vanmorgen vieren we een tussentijdse zondag. De zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren. Een zondag die weinig eigen betekenis lijkt te hebben. Misschien ook omdat Hemelvaart zichtbaar aan betekenis inboet. Er waren afgelopen donderdag maar weinig leden uit onze wijkgemeente aanwezig. Dat stelt natuurlijk eerst aan ons als organisatie de vraag hoe wij het feest van de Hemelvaart van onze Heer Jezus Christus aantrekkelijker voor het voetlicht kunnen brengen; en voor uw ideeën staan we open. Want Hemelvaartsdag heeft een verhaal. Een verhaal met inhoud. En deze zondag borduurt daarop voort. Deze zondag staat niet als een gewone saaie zondag een beetje wezenloos tussen Hemelvaart en Pinksteren in. Alhoewel, wezenloos… Deze zondag wordt in de traditie Wezenzondag genoemd. De zondag van de Weeskinderen. De leerlingen van Jezus blijven verweesd achter na de Hemelvaart van Jezus. Jezus is weg, en de Trooster die Hij heeft beloofd moet nog komen. Wat moeten ze zonder Jezus? En hoe vangen ze hun opdracht aan die ze hebben meegekregen van Jezus, om van zijn Opstanding te getuigen? Het vraagt om hergroepering en nieuwe verhoudingen om deze missie aan te kunnen vangen.

Maar de groep achtergebleven wezen heeft een wond. Een open wond. De groep is niet meer compleet. Judas is uit hun midden verdwenen na het verraad dat hij heeft gepleegd. Daar zitten ze als broers bij elkaar, verweesd zonder ouders, maar één broer is er niet bij. Daarmee leven ze in onmin. Er kunnen diepe wonden geslagen worden in gezinnen als er dingen gebeuren die scheiding aanbrengt tussen de kinderen. En als de ouders er dan niet meer zijn, is het helemaal moeilijk te banden te herstellen. Zeker als er verraad in het spel is. En verraad, dat hoeft niet eens een uitlevering te zijn, zoals Judas dat deed met Jezus. Verraad kan op allerlei niveaus gebeuren tussen mensen. Denk zelf maar eens aan situaties dat je je verraden voelde. Door mensen die je dichtbij voelde. In wie je vertrouwen had, dat je samen ergens voor ging. Een band, die onherroepelijk wordt verbroken als zo iemand je laat vallen. Maar vergeet ook de situaties niet dat je zelf iemand verraadde. En zeg dan niet te snel: ik niet. Want we voelen ons allemaal liever slachtoffer dan dader. En bedenk dan ook dat het niet eens nodig is om dat moedwillig te doen. Me dunkt dat we anderen vaak niet eens verraden omdat we die ander schade willen berokkenen, maar omdat we zelf in tweestrijd zitten. Dat we loyaliteit vermengen met eigenbelang, of met gevoelens die we bij onszelf niet kunnen duiden, maar die zich tegen de ander richten, die ons juist zo nabij is. Kijk naar Judas. In Handelingen lezen we een ander verhaal over het einde van Judas dan ons het meest bekend is, namelijk dat over zijn zelfmoord volgens het Evangelie naar Mattheüs. In essentie komt het wellicht wel op hetzelfde neer. Waar Judas zich bij Mattheüs verhangt, valt Judas in het Handelingenboek van de evangelist Lukas. Zijn buik wordt erdoor opengereten. Ook hier zien we hoe innerlijk verscheurd Judas geweest is na zijn verraad. Hij is gespleten doordat hij er niet uitgekomen is eenduidig te kiezen voor zijn loyaliteit voor Jezus of zijn eigenbelang, of wat hem dan ook maar dreef naast de loyaliteit. Hoezeer de Bijbel Judas ook als verrader neerzet, de Bijbel blijft oog houden voor de menselijkheid van Judas, zoals zij allemaal mensen zijn. Hier zien we niet een harde, nietsontziende en onmenselijk figuur, maar een tussen alles wat hem drijft en beïnvloedt verscheurd mens. Op de vraag ‘wil de echte Judas opstaan?’ zou hij niet eens het antwoord weten. Ook niet op de vraag ‘waarom heb je het eigenlijk gedaan Judas?’. Wij speculeren erover, maar het leek er haast op dat hij niet anders kon. Maar toch, hij is er wel voor verantwoordelijk. En hij ondergaat zijn lot.

Maar nu? Hoe kunnen de broeders nu door na het verraad van een van hen? Hoe gaan ze verder met de missie van Jezus? Ze moesten immers gaan getuigen van de Opstanding. Is de groep discipelen nu de-missionair? Kunnen ze in afwachting van de uitstorting van de heilige Geest, die hen een nieuw mandaat geeft, even niet meer verder? En waarom dan niet? Ze zijn nu toch een mooie Raad van Elf? Precies daarom. Met elf zijn ze niet compleet, en nee, ook niet met genoeg. De kwantiteit is in dit geval even belangrijk als de kwaliteit. Ze moeten met zijn twaalven zijn. En waarom? Omdat het getal twaalf staat voor Israël. Sterker nog, de twaalf geven samen ook de inhoud weer van de missie van Jezus, die zij voortzetten. Namelijk het herstel van Israël, van Gods volk. Dat Jezus twaalf mannen riep als zijn leerlingen wilde laten zien dat Jezus erop gericht is Israël te herstellen. Dat wil zeggen: de relatie tussen Israël en God moest hersteld worden. Dat gaat Jezus doen, en de twaalf vertegenwoordigen Israël en zijn ervan getuige.

Dat zien we ook terugkomen in de profielschets die de leerlingen opstellen. Het moet dus iemand zijn die steeds in het bijzijn van de leerlingen alles met Jezus heeft meegemaakt, vanaf zijn doop door Johannes tot aan zijn Hemelvaart, om samen met de andere leerlingen van zijn Opstanding te getuigen. Er is dus nog geen ruimte voor iemand van buiten. Geen nieuw bloed. Juist niet. Om nieuwe mensen toe te kunnen laten en een nieuwe tijd in te kunnen gaan zonder Jezus, maar mét de heilige Geest, moet eerst de basis op orde zijn. En dat is de groep getuigen van het eerste uur. Zij zijn de bron, zij zijn als het ware de volgende generatie, nu zij als wezen zijn achtergebleven. En die groep kan zich alleen zelf herstellen. Nieuwe mensen meteen erbij, zorgt er onherroepelijk voor dat er een nieuw begin wordt gemaakt. Maar er is geen nieuw begin. Er moet iets worden voortgezet. De schrijver van Handelingen, de evangelist Lukas, laat zo heel knap zien, hoe zijn twee boeken en dus ook de twee ‘perioden’ aan elkaar verbonden zijn. Eerst is er in de profielschets het criterium dat de nieuwe twaalfde leerling alles moet hebben meegemaakt wat in het Evangelie staat; én hij moet vervolgens ook mee getuigen van de Opstanding, wat de missie is in Handelingen. Het begin van het boek Handelingen laat bij het herstel van de Twaalf zien dat wat de apostelen gaan doen tijdens hun missie onlosmakelijk is verbonden het hun getuigenis van het hele leven van Jezus, en in het bijzonder de Opstanding.

Op basis van deze profielschets komt er een tussentijdse verkiezing, om deze groep leerlingen niet de-missionair te maken. En volgens goed kerkelijk gebruik gebeurt dat in dubbeltallen. Er zijn twee kandidaten. En onze Bijbeltekst laat ook zien wat de inhoud is achter dit gebruik van dubbeltallen. We kunnen nog zulke mooie criteria maken, en mensen daarbij zoeken, maar uiteindelijk is het God, of beter nog: Christus, die mensen roept tot een ambt in zijn kerk. Want: ‘U Heer, doorgrondt ieders gedachten.’ Het is een oudtestamentische gewoonte die we terugzien bij de selectie van David voor het koningschap: ‘Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer kijkt naar het hart.’ Het gebruik van het werpen van het lot is een gebruik dat we bijvoorbeeld nog bij de verkiezing van de Patriarch in de Servisch-Orthodoxe kerk terugzien, al was het maar om de invloed van de toenmalige socialistische regering te minimaliseren. Breder gezegd: door het lot werd voorkomen dat er partijvorming zou ontstaan in de verkiezing. Een uitgekiend systeem dus met als principe: God kiest. God roept. En het lot kiest Matthias.

Dat we uiteindelijk van de verkozen Matthias niets meer horen is niet zo erg, en misschien ook wel logisch. Er was geen gat in de groep leerlingen dat opgevuld moest worden met een nieuwe spreekbuis. Er was in die zin geen vacature in taken, of een belangrijke ministerspost die vervult moest worden. Nee, om de groep weer missionair te maken moest de ononderbroken en volledige lijn met het leven en de getuigenis van Jezus hersteld worden. En dus het getal van twaalf.

En waarom is het dan ook logisch dat we van Matthias niets meer horen. Misschien wel omdat de plek werkelijk wordt ingenomen door een andere apostel, een nieuwe, en een nieuwe spreekbuis. Paulus! Hij brengt het Evangelie naar Rome, de hoofdstad van het toenmalige Romeinse Rijk. Hij brengt het Evangelie dus werkelijk de wereld in. Maar niet zonder de basis van getuigen van het eerste uur. Dat is Paulus niet. Sterker nog, hij zal zich nog eerst moeten omkeren van zijn positie als vervolger van Joodse volgelingen van Jezus, voordat hij een apostel van Jezus kan zijn. Vandaag, wezenzondag, is de zondag van het herstel van de Twaalf. En daarmee het herstel van de missie van Jezus, die hij doorgaf, door wilde sturen via zijn apostelen. Gods volk wordt hersteld door het voortgaande werk van Jezus, in het werk van zijn apostelen, door de Geest die Hij zal zenden. Vandaag vieren we de doorstart van de missionaire beweging van Jezus, die mensen aansteekt, aanvuurt, inspireert. Laten we de Geest niet afwachten, ook niet naar de hemel blijven staren, maar doorgaan en zoeken naar de wortels van ons geloofsverhaal in het Evangelie van Jezus Christus. Zo blijven we met beide benen op de grond staan, en geworteld in het Evangelie. We hebben niets aan hoogdravende, zweverige luchtkastelen, maar wel aan een gegrond en geworteld verhaal. Dichtbij de Bijbel en dichtbij onszelf. Met de Geest van boven. Kom Schepper Geest, daal op ons neer!