vrijdag 14 januari 2011

Bløfdienst 30 januari 19.00u: Thuiskomen in de kerk met muziek van Bløf

Kerkdienst met live-band toont diepere betekenis van liederen van populaire Nederlandse band

Op zondag 30 januari om 19.00u vindt een bijzondere dienst plaats in de Gereformeerde kerk Waalwijk. Na de veelbesproken U2-dienst is er nu de Bløfdienst, die wederom geleid zal worden door ds. Jan Andries de Boer. Nieuw is dat in deze dienst de liederen van de populaire Nederlandse band ten gehore worden gebracht door een liveband, Te Boven. De liederen krijgen in de Bijbeluitleg een diepere betekenis rondom het thema ‘Welkom thuis’. Deze muzikale dienst wordt georganiseerd door de Protestantse Gemeente Waalwijk i.w. Entree is vrij (collecte). In de kerk aan de Ambrosiusweg is plaats voor 450 mensen.

Inmiddels voor de vijfde keer organiseert de Protestantse Gemeente Waalwijk i.w. een missionaire jongerendienst op de laatste zondag van januari. De bedoeling van de dienst is om jongeren van binnen en buiten de kerk op een voor hen herkenbare manier te vertellen over het verhaal van het geloof. Het begon in 2007 met de U2-dienst, die een bomvolle kerk en enthousiaste reacties opleverde. Voorganger was ds. Jan Andries de Boer, oud-predikant van de Gereformeerde kerk Waalwijk, die nu predikant in Broek op Langedijk is. Hij komt door heel Nederland met deze U2-dienst, en sinds een paar jaar ook met een dienst met liederen van de populaire Nederlandse band Bløf. Bij beide diensten reist inmiddels een live-coverband met hem mee. In het geval van de Bløfdienst is dat de coverband Te Boven. Met eenzelfde passie als het ‘echte’ Bløf zingen zij intens de meer en minder bekende nummers. De liedjes blijken uitermate geschikt om een stukje van het verhaal van het geloof te vertellen. Er zal in de dienst dan ook stilgestaan worden bij enkele Bijbelverhalen. Hoewel, stil is het nooit; de band zal op de achtergrond meespelen. Dat maakt de dienst tot een intense muzikale ervaring en een welkom thuis.

Voor meer informatie: www.rockdienst.nl (de voorganger), en www.teboven.com (de band)

zondag 2 januari 2011

Over goede voornemens en dankbaarheid

Tekst: Jesaja 60: 1-6 en Mattheüs 2: 1-12 en 1 Korinthiërs 1: 4-9

Waarmee kunnen we het nieuwe jaar beginnen?
Beginnen we met goede voornemens, voor onszelf en elkaar?
Voornemens over afvallen, stoppen met roken, meer balans tussen werk en privé, een nieuwe opleiding, met een schone lei beginnen en vul zelf maar aan?
Waar komen die traditionele voornemens toch altijd vandaan?
Ik wil niet stilstaan bij de evenzeer traditionele wetmatigheid dat van veel van die voornemens vaak niets terecht komt.
Want hoezeer ze ook misschien in het luchtledige soms gedaan worden, ze zeggen wel iets.
Voornemens zeggen iets over hoe we ons leven waarderen, hoe we onszelf waarderen.
Dat kan negatief zijn, maar ook positief.
Dat negatieve heeft vaak de overhand. Niet meer roken, minder drinken, meer thuis zijn enz.
Maar daarmee geef je jezelf meteen een brevet van onvermogen, reden waarom ze vaak ook niet lukken.
Vanuit een positieve waardering is veel meer te realiseren.
Bij een positieve waardering van iets gaat het niet om wat je niet wil doen of wat je niet wil zijn, maar wat je wel wil doen en wel wil zijn.
Het is moeilijk je ergens toe te zetten als je je ergens tegen afzet.
Mensen zijn vaak geneigd tot kritiek op hoe iets niet moet, maar dat blokkeert de energie om er iets anders van te maken.
Het is goed om op zoek te gaan in het nieuwe jaar naar die positieve waardering.
Waar hecht ik waarde aan? Wat vind ik belangrijk om te doen, wat vind ik belangrijk om te zijn en uit te dragen?
Het heeft pas zin om stil te staan bij hoe je leven anders loopt dan je zou willen, als je op het spoor bent gekomen wat de waarden zijn die je na wilt streven.
Welke waarden zijn van jou, maken deel uit van wie je bent?
Pas als je weet wat je belangrijk vindt in het leven, niet vanuit teleurstelling in je leven en in jezelf, maar omdat je dat positief waardeert, dán kan het je lukken een voornemen te realiseren.
Dan maakt het namelijk deel uit van wie je bent.
En is het geen jezelf opgelegd iets omdat je dat nu eenmaal graag zou willen zijn, maar niet omdat het van binnenuit komt.
Goede voornemens beginnen dus met waardering, ook al zijn dingen nog niet zoals je zou willen.
Dan toch beginnen goede voornemens bij hoe je positief je leven zou willen veranderen.
Alleen dan kun je het leven toelaten, omdat je jezelf niet forceert maar activeert, vanuit positieve energie.

Paulus begint zijn op zich vrij kritische brief met een positieve waardering, namelijk in dankbaarheid tot God.
Dat is het begin van zijn brief, en het zet meteen de toon.
In dit stukje dankbaarheid komen meteen een aantal thema’s uit zijn lange brief aan bod.
Door de dankbaarheid krijgen ze niet een negatieve lading maar een positieve.
En alleen zo kunnen we iets met deze brief.

De eerste brief aan de inwoners van Korinthe staat op het leesrooster voor de komende weken.
Die brief is geschreven rond het jaar 50 na Christus.
En hij is gericht aan de inwoners van een stad, die nog maar redelijk recent herbouwd is.
Hij ligt zo op de lijnen van volken en religies dat het een hele kosmopolitische stad is.
In Handelingen staat dat Paulus er een Joodse gemeenschap bezoekt en later lezen we dat hij er een christelijke gemeente sticht.
Die zal maar klein zijn geweest, hooguit een tweehonderd man.
Dus stel je geen christelijke stad voor met veel kerken, maar een stad met een diversiteit aan religies en gebruiken.
De christenen hadden bovendien vaak een heidense, dat wil zeggen niet-Joodse, achtergrond,
Dat betekent dat het heel lastig is voor de gelovigen om een eigen identiteit op te bouwen te midden van al die diversiteit.
En mogelijk gaf dat ook een beetje een sfeer dat ieder het zijne gelooft. De één heel strict, en de ander heel vrij.
Het gezag van Paulus als apostel, gezonden door Christus zelf, is dus niet onomstreden.
Zo moet Paulus echt in het verweer komen en opkomen voor wat hij waard is.

Maar niet zonder dankbaarheid.
En in die dankbaarheid duidt hij ook zaken aan, die hij later met de Korinthiërs wil bespreken.
Het is dus niet zomaar een algemene dankbaarheid, maar echt een dankbaarheid met het oog op de mensen aan wie hij schrijft.
Paulus is dankbaar om de genade.
Genade is de bevestiging van God dat wij mogen bestaan zonder dat we daar iets voor hoeven te doen. Genade is gratia, gratis. Genade is dat God ons buiten alles wat wij inbrengen en doen aanneemt als zijn kinderen.
Een mooie opening voor een brief dus.
Hij eindigt de dankbaarheid ook met Gods trouw.
Die twee, genade en trouw, kaderen al het andere dat hij zegt in. God is ons welgezind en blijft bij ons.

Door God bent u in elk opzicht rijk geworden, zegt Paulus.
Dat is mooi gezegd aan een gemeenschap van christenen, die helemaal niet zo rijk zijn in vermogen.
Paulus gaat van het positieve uit.
Hij benadrukt ook dat hun geloof hun uitwerking niet mist, en God zijn gemeente veel gaven schenkt.
Ook hier moeten we weer niet denken aan materiële rijkdommen, maar aan geestesgaven, datgene waarmee mensen begiftigd zijn. Hun kwaliteiten, hun bijzonderheden, hun talenten, waarmee ze boven zichzelf uitstijgen.
Die gaven staan in verband met hoe de mensen getuigen met wat ze zeggen en met hun kennis.
Die kennis blijft een teer punt voor Paulus in een Griekse omgeving. Kennis wordt al gauw iets dat mensen zich toeëigenen en waar ze hun heil en verlossing in verwachten.
Dat kan op twee manieren: door heel strak aan die kennis een aantal leefregels te ontlenen en zich allerlei goede zaken ontzeggen, of aan de andere kant een gevoel hebben dat door het geloof hen niets te maken valt en ze alles kunnen doen en laten wat ze willen.
Dit is een punt dat Paulus vaak maakt en dat hij nog meer zal maken.
En hier in de dankbaarheid wijst hij daar alvast op vooruit.
Het is prachtig dat mensen zoveel kennis opdoen van het leven en van het geloof. Maar daar moeten we God voor danken en we moeten het niet ons eigendom maken.
Je moet bereid blijven je te laten gezeggen door God, het leven en de ander.
Nimmer is jouw kennis de waarheid, noch is het zo dat een ander je niet iets waars kan zeggen, hoe ongelegen ook, omdat je je eigen gang wilt kunnen gaan.
Alle kennis komt van God, en daar mogen we dankbaar voor zijn; en daar vervolgens ook dankbaar mee omgaan.
Ons geloof is ons gemeenschappelijk goed; het is van niemand, we hebben het van God gekregen.
Daarom kunnen we er met elkaar over spreken, en elkaar over aanspreken.
In dankbaarheid.
En dat het een gave is, zien we volgens Paulus in de geestesgaven die de gelovigen van God ontvangen.
Daarin is de gemeente rijk.
Er zal veel creativiteit en inspiratie door die gemeente gewaaid hebben.
Maar die creativiteit en inspiratie is iets van God. De woorden zeggen het al. Creatie en spirit is iets van God. Net als enthousiasme, wat betekent: in God zijn.
Zo kun je nog zoveel kennis en creativiteit hebben. Het komt pas op zijn plek als de gelovigen er dankbaar van gebruik maken.
Dan kan het zich ook vermeerderen, door het te delen.

En zo zal de gemeente ook één zijn. Niet als eenheidsworst of gelijkgestemden, wel als een gemeenschap die met elkaar de gaven deelt. En die bovenal daar dankbaar voor is.
Omdat de gemeente van Korinthe intern zo verdeeld is over vraagstukken van leer en leven benadrukt Paulus dat hier in zijn dankbaarheid.

Dankbaarheid is het kernwoord van waaruit al het andere wordt besproken. Alles wat Paulus over het leven bespreekt, hoe we met elkaar omgaan, en alles wat Paulus bespreekt over de leer, wie Jezus is en wat Hij voor ons betekent, staat in het licht van de dankbaarheid, dat niet wij het zijn die bepalen hoe ons geloof eruit ziet en wat we moeten doen, maar dat we dat van God krijgen.

Het is dezelfde dankbaarheid die de drie wijzen laten zien. Waar koning Herodes probeert het kind te pakken te krijgen, knielen de wijzen alleen maar eerbiedig neer. En ze zijn zo voor ons tot een voorbeeld aan het begin van het nieuwe jaar. Voor ons geloof en voor ons leven. Wanneer we het nieuwe jaar beginnen in dankbaarheid voor wat we gezamenlijk krijgen, dan kunnen we de kracht vinden om gezamenlijk ook iets goeds te maken van het nieuwe jaar. Dan gaat het niet om mijn en jouw voornemen, maar om hoe ieder een klein deel kan uitmaken van dat ene goede voornemen: dat God zijn belofte vervult, van vrede en voorspoed. Ook in onze samenleving kunnen we door dankbaarheid voor wat we krijgen de positieve energie opbrengen om wat van deze samenleving te maken. Niet vanuit angst, zoals koning Herodes, maar uit de eenheid van mensen, die allemaal zoeken te leven en de belofte van hun leven vervuld verlangen te zien.

Wees dankbaar en wees één!

zaterdag 25 december 2010

Jozefs rol in het kerstverhaal – en de onze - kerstmorgen 2010

Tekst: Micha 5: 1-4a en Mattheüs 1: 18-25

Vanmorgen lezen we eens niet het kerstverhaal uit Lucas, met de herberg en de kribbe. We lazen het kerstverhaal uit Mattheus. En waar Lucas zich focust op Maria met het bezoek van de engel Gabriel en de lofzang van Maria, focust Mattheus zich op Jozef. En dat heeft een reden. Mattheus schrijft zijn evangelie voor de Joden, de mensen die bekend zijn met wat wij het Oude Testament zijn gaan noemen. En Mattheus wil in zijn evangelie laten zien dat de belofte die God doet aan zijn volk in dat Oude Testament, dat die belofte met de geboorte, het leven, sterven en opstaan van Jezus uitkomt. Daarom lees je heel vaak bij hem: Zo werden de woorden vervuld die die en die profeet gesproken heeft, toen hij zei; en dan volgt een citaat uit het Oude Testament. Het gaat Mattheus dus om een belofte die God aan zijn volk doet, en die op het punt staat vervuld te gaan worden met de geboorte van Jezus. Een belofte, zeg ik maar even kort door de bocht, van vrede en voorspoed. En God doet zijn belofte nooit zomaar, maar altijd aan mensen, en ook met de bedoeling dat die mensen het waar gaan maken. Wij mensen zijn de handen en voeten van God. Als God een belofte doet, moeten mensen niet afwachten, maar er werk van maken dat die belofte uitkomt. Het is daarom ook een kritische belofte; het is een belofte die ook iets zegt over hoe de huidige tijd er aan toe is, en hoe wij met elkaar omgaan. Kritisch over hoe de wereld nog verschilt van de belofte die God gedaan heeft. En zo is die belofte altijd de inzet van wat profeten, zoals Micha, de mensen voorhouden: sta je de vervulling van de belofte in de weg, of maak je de weg ervoor vrij? En hoezeer God wil dat mensen het waarmaken; God is niet zo aan handen en voeten gebonden, dat Hij niet uiteindelijk zelf kan ingrijpen. Maar hij doet altijd op een menselijke manier; en dat zien we in Jezus. De vraag is nu hoe wij daarop reageren.

Even tien stappen terug. Mattheus begint zijn evangelie met een heel geslachtsregister van namen die voor zijn hoorders, de Joden, heel vertrouwd zijn. Ze kennen de namen uit het Oude Testament. Ze kennen de verhalen. En met een beetje creatief boekhouden komt Mattheus dan op veertien generaties van Abraham tot koning David, veertien van David tot aan de Babylonische ballingschap en veertien van de Babylonische ballingschap tot Jezus. Waarom is die geslachtslijn nu zo belangrijk? Die geslachtslijn is zo belangrijk omdat het de lijn is van de belofte die God aan mensen heeft gemaakt. God beloofde Abraham dat hij de aartsvader zou worden van een groot volk dat gezegend zou zijn. In Davids koningschap zou die belofte al wat zichtbaar worden, maar zijn nakomelingen zorgden ervoor dat het koninkrijk gesplitst werd en dat de delen onder invloed kwamen te staan van vreemde heersers. De Babylonische ballingschap zou je het tussentijds failliet van de belofte kunnen noemen. Dit is de tijd waarin Micha spreekt, uit de eerste lezing. En daarna duurt het nog veertien generaties voordat we bij Jezus uitkomen, en de belofte alsnog nieuw leven in wordt geblazen. En dat lijntje naar Jezus loopt niet via Maria, maar via Jozef. Hij is een afstammeling van David. En daarom is Jozef in de inleiding van zijn evangelie voor Mattheus dus zo belangrijk. Hij heeft Jozef nodig in de lijn van belofte. Maar, dat zeg ik nou wel: aan de andere kant heeft hij Jozef ook weer niet nodig. Want Maria blijkt helemaal niet zwanger van Jozef, maar zwanger door de heilige Geest. Het is helemaal niet zo interessant om je af te vragen hoe dat kan. De vraag is eerder wat Mattheus ermee wil zeggen. Want hij geeft Jozef wel een belangrijke rol. Hij is de vader in de lijn van David. Maar hij is wel de vader van een kind dat niet van hem is. Dus de vraag die deze zwangerschap aan Jozef stelt is: Jozef, kun jij van een kind houden dat niet van jou is?

Deze vraag gaat verder dan het praktische. Dat blijkt ook uit de droom die Jozef krijgt. Jozef is natuurlijk beducht voor wat mensen zullen zeggen van deze zwangerschap voordat hij met haar getrouwd is. En kom dan maar eens aan met het verhaal over de Geest. Het was het makkelijkst geweest voor hem als hijzelf de vader was. Maar dat is niet zo. En hoe bouw je dan een band op met dat kind? De engel in de droom laat hem zien waar die band ligt. Die band ligt in een belofte van God, verwoord niet alleen door Jesaja, maar ook door Micha vandaag, van een vrouw die zwanger wordt en een kind baart. Wil hij die belofte mede waarmaken, wil hij zijn bijdrage leveren aan een wereld van vrede en voorspoed, dan is hij geroepen om vader te zijn over dit kind, dat niet van hem is. Maar waarom zo moeilijk? Waarom kan Jozef niet gewoon de biologische vader te zijn? Is dit alleen maar omdat het leven, zoals bij zovelen, nu eenmaal zo loopt, of heeft God dit zelfs zo bedoeld? Ja, God heeft het zelfs zo bedoeld.

Om dat te snappen gaan we naar Micha. Micha is heel kritisch. Heel kritisch over de tijd waarin hij leeft, en met name ook kritisch naar de geslachtslijn van afstammelingen van David. De koningen in die tijd zijn afwezige en besluiteloze koningen geworden die hun oor laten hangen naar vreemde heersers. En omdat deze koningen van David afstammen is de inzet van Micha’s kritiek dus ook die belofte die door de lijn van David vervuld zou worden. Want het zijn de mensen die het moeten doen. En die doen het dus niet. Dus is de vraag: moet God er maar niet een eind aan maken? De lijn van David lijkt dood te lopen op mensen die de vrede en voorspoed alleen maar in de weg staan. En als je de harde woorden elders uit Micha leest, dan denk je ook haast dat God deze lijn van belofte afschrijft. Is het werkelijk voorbij? Of begint God eindeloos opnieuw met mensen, hoe hardleers ze ook zijn, hoezeer ze ook falen, maar begint God toch iedere keer weer opnieuw met mensen tegen beter weten in? Nee, dat doet God niet. Er is een derde weg, tussen afschrijven en telkens weer opnieuw proberen tegen beter weten in in.

Die derde weg is: de geslachtslijn, de lijn van de vervulling van de belofte van vrede en voorspoed, onderbreken of doorbreken. Kijk maar hoe Micha begint in de lezing van vandaag: God belooft dat er iemand geboren zal worden die voor Hem over zijn volk zal heersen. Maar dat kind wordt geboren in Bethlehem. Dus niet in de machtige stad Jeruzalem, bij de hofkliek, maar terug in Bethlehem. Ja, terug, daar begon het ooit, met die herdersjongen
David, daar waar zijn stammoeder Ruth ook haar heil zocht, daar in dat Broodhuis, dat betekent Bethlehem. Bethlehem is de plaats van een nieuw en oud begin. Er zijn meerdere herders vandaan gekomen, en God keert naar die plaats terug. God gaat niet door op de oude lijn in die zin, maar Hij begint opnieuw. Soms moet je, hoe pijnlijk ook, een bloedlijn doorbreken, om het leven de kans te geven tot vervulling te komen. Maar dan wel altijd vanuit de basis. Je kunt een boom moeten rooien, maar uit die tronk komt een nieuw jong boompje op. Je kunt nooit helemaal opnieuw beginnen, en dan moet ook niet, want je bent geworden die je bent, en dat is ook wat waard. En God hecht waarde aan zijn volk, hoezeer ze Hem ook in de steek hebben gelaten. Maar Hij moet wel opnieuw beginnen. Om mensen echt de kans te geven er iets van te maken. En dat doet pijn. En dat merkt Jozef als eerste. Hij staat erbij te kijken. Niet dat hij nou zo belangrijk had willen zijn, o helemaal niet. Maar daar in dat geringe Bethlehem gebeurt iets waar hij part noch deel aan heeft, maar er wel mee zal moeten samenleven. Jozef, kun jij van een kind houden dat niet van jou is? De engel zegt eigenlijk: Jozef, dit kind is jou gegeven als een nieuwe kans. Voor jou, voor je volk, voor de wereld. Het is mijn cadeau voor jullie. En breek je hoofd er maar niet over hoe dat kan. Hou van dat kind omdat ik het je gegeven heb. Zie het ook maar als een geruststelling: het is je volk niet gelukt er zelf wat van te maken; nu geef ik het jouw volk via jou cadeau. Je zult eindelijk vrede ervaren.

En zo komt de vraag van dit verhaal ook bij ons terecht: kunnen wij van een kind houden dat niet van ons is? Kunnen wij over onze trots heenstappen dat het van onszelf moet komen? Kunnen wij accepteren dat geluk ons gegeven wordt en dat we het niet hoeven te verwerven? Kunnen wij ontroerd bij de kribbe neerknielen en stil zijn… en God danken dat Hij ons een nieuwe kans op geluk geeft? Kunnen we dan die belofte weer opnieuw ter hand nemen? In de vrijheid dat we weer een nieuw begin mogen maken, met het verleden achter ons dat ons gevormd heeft, maar ons niet meer knecht? Zullen we vandaag dan nog aan de slag gaan en laten zien dat we van dit kind houden, door ons in te zetten voor die belofte van vrede en voorspoed? We zullen veilig wonen, zegt God, want Hij zal heersen tot aan de einden der aarde, en Hij brengt vrede.

vrijdag 24 december 2010

Een klein lichtje in het donker - Kerstnacht 2010

Tekst: Lucas 2: 1-20

Ook dit jaar doven we de lichten tijdens de overweging bij het kerstverhaal.
Want dat vindt u sfeervol en gezellig.
En het kan ook goed voelen om in het donker naar het licht te kunnen kijken.
Dat geeft in dat donker een beetje houvast, een stukje zekerheid, rust.

Maar voor wie in het licht staat in een donkere ruimte is het wat beangstigender.
Dan zie je niet wat er iets verder weg om je heen gebeurt.
Het is net als met een zaklamp in het donker bos.
Met een zaklamp zie je in het bos veel minder dan wanneer hem uitdoet,
en enkel vertrouwt op de maan en de sterren.
Maar wie een zaklamp aandoet in het bos, doet dat doorgaans uit angst te struikelen, te vallen of uit te glijden.
Vanwege die angst doet iemand dan juist een zaklamp aan.
En wordt het alleen maar enger.

Er zijn mensen die niets moeten hebben van die kleine lichtjes met Kerstmis.
Zoals die man die zei altijd het licht aan te willen doen waar mensen het gezellig maken met kaarsjes.
Hij vond dat veel te donker.
De man vertelde: het is al zo vaak zo donker om mij heen,
en het is zo vaak zo donker en somber in mij,
dat zelfs het licht in mijn ogen
mijn humeur niet kan verlichten.
Daarom doe ik altijd zoveel mogelijk lichten aan.
Ik ben niet bang in het donker hoor,
ik ben bang van het donker.
Ik voel me dan zo alleen.
En ik heb dan niks aan kleine lichtjes buiten mij.
Ik wil het licht óm mij heen.
Als een koesterende deken…

Hoe die man zo geworden is?
Ach, ieder mens heeft zijn eigen levensverhaal.
Hij is niet de enige die bang is van het donker,
en voor wie Kerstmis te donker is.
Omdat het licht niet in hen schijnt maar buiten hen.

Ik heb deze man meegenomen in het Kerstverhaal.
We begonnen in Jeruzalem.
En ik liet hem van alles zien van Jeruzalem;
een koningsstad.
Met de tempel.
Met een groot paleis.
Met veel mensen.
En veel licht, ook ’s avonds: overal brandden fakkels.
Dit is mijn stad, zei de man.
Veel licht, en druk.
Net zo onrustig als ikzelf ben.
Hier hoef ik niet bang te zijn.
En nog wel de stad die Koning David gesticht heeft!

Ja, zei ik, dat is zo.
Maar ik wil je nu meenemen naar een andere stad van David,
toen hij nog geen koning was.
En we reisden af naar Bethlehem.
We gingen door open velden.
Het enige licht dat er was waren de sterren.
We kwamen nauwelijks mensen tegen.
Enkel wat herders, ruwe mensen die door weer en wind hun schapen hoeden.
De stemming van de man daalde zienderogen.
Hij werd somber, en hij werd bang.
Ik zag tranen in zijn ogen, omdat hij het licht van de sterren niet kon vangen.
En aarzelend en angstig zette hij steeds voorzichtiger zijn stappen.
Even leek de man op te fleuren toen we langs herbergen kwamen.
Kleine plekjes waar het, net als in Jeruzalem, erg druk was met mensen.
En: er brandde veel licht.
De man wilde daar graag naar binnen, maar er was geen plaats meer over.
Dus ik kon hem meenemen naar de plek die ik hem wilde laten zien.
Buiten Bethlehem kwamen we aan bij een tochtige donkere plek,
waar we geritsel hoorden, en wat malende kaken van wat later ezels en runderen bleken te zijn,
en zachte geluidjes van een baby en van een moeder en een vader die het voorzichtjes wiegen.
Ze hadden genoeg aan elkaar en de sterren boven hen; er was nauwelijks meer licht.

De man was ontroerd.
Hij voelde het ineens warmer worden in hem, en lichter.
Ik liet hem de baby even vasthouden, maar vooral, ik liet hem ernaar kijken.

Toen begreep hij waarom mensen genoeg kunnen hebben aan kleine lichtjes.
Hij kon het niet begrijpen met zijn verstand, maar dat hoefde ook niet.
Hij voelde alleen maar, daar bij die kribbe in die stal.
Hij voelde de onrust in hem zakken.
Hij voelde de spanning van hem afglijden.
Hij kon zich overgeven aan wat er gebeurde en wat hij voelde.
En vooral: hij was niet meer bang voor het donker om hem heen,
omdat dat lichtje nu voor hem scheen.

Een paar maanden later zag ik de man weer.
Hij had vakantiefoto’s bij zich.
Hij was gaan varen.
Hij liet een foto zien van een vuurtoren.
Hij zei: kijk, dit is Jezus voor mij, een vuurtoren.
Hij draait rond met zijn lamp,
en komt zo automatisch ook bij waar ik op zee voer.
Jezus is niet een lamp die continue mijn richting uit schijnt.
Jezus is geen lamp die het donker om mij heen wegneemt.
Jezus is het licht dat af en toe mijn richting uit schijnt,
zodat ikzelf weer verder kan.
En ik weet dat dat Licht blijft schijnen.
En niet alleen voor mij, maar voor iedereen draait Zijn licht de wereld rond.
En zo komen we veilig in de Haven.

Ik las hem het refrein en een couplet uit een nieuw liedboekje met hedendaagse teksten op bekende melodieën.
Het boekje heet ‘Licht’ en de teksten zijn van Coot van Doesburgh, die liedjes voor bekende artiesten schreef en een musical vertaalde.
De tekst die ik las is geschreven op “’t is geboren ’t goddelijk kind’.

Het gaat komen het eeuwig licht
om ons leven weer bij te schijnen,
warme gloed voor het evenwicht.
Vier dus allen de komst van ’t licht

’t Duurde lang voor de somb’re geest.
’t Leek of alles zo zwart zou blijven.
Maar die tijden zijn nu geweest.
Vier dus allen die stralend feest.

Het gaat komen het eeuwig licht
om ons leven weer bij te schijnen,
warme gloed voor het evenwicht.
Vier dus allen de komst van ’t licht

Jezus als Licht voor de wereld schijnt als een vuurtoren in ons leven,
om ons leven weer bij te schijnen.
Zodat wij weer verder kunnen.
We hopen dat dat Licht,
dat deze avond u naar deze Kerk aan de Haven leidde,
u het vertrouwen mag geven dat u ook in het donker uw weg vindt.

woensdag 24 november 2010

Afscheid nemen bestaat niet - gedicht en meditatie bij de gedachteniszondag

Tekst: Lucas 20: 27-40 en Exodus 3: 1-15

Afscheid nemen bestaat niet.
Mensen gaan, maar verlaten ons niet.

Ik zal je weer zien,
zoals je voor me was,
een engel.

Ik mis je,
maar je bent er,
voor altijd.

Zo is ook Gods Naam
en zo zijn wij geschapen.
We leven,
en naar Zijn beeld,
voor altijd.

In Zijn huis zijn vele woningen.
Er is ook een plekje
voor jou
en voor mij.

Voor Hem zijn wij kinderen gebleven
met de toekomst nog voor de boeg.

Hoeveel wij ook hebben meegemaakt
hoeveel littekens wij ook hebben
hoezeer wij ook door schade en schande
wijs moesten worden
en het nog niet zijn;
het leven begint pas.

Toch lijken wij te verliezen:
de ander, onszelf, het leven.

Maar voor God blijven we leven,
en blijf jij leven,
ook voor mij.

Kinderen trouwen niet.
Hun Vader is hen trouw
en dat is hen genoeg.

Wij sterven niet,
ook al lijken we te verliezen.
De mooiste verliezers
dat zijn wij

Je zult me zien
Ik zal er zijn



Gemeente van onze Heer Jezus Christus,


Over een week is het de eerste Adventszondag.
Nog een week, en dan vieren we in de kerken weer de verwachting van nieuw leven.

Vandaag staan we stil bij het verlies in het leven.
Ik zeg bewust niet: verlies van het leven.
De bijbel vertelt vandaag juist dat in God het leven voortduurt.
Zoals Hij is, zo heeft Hij het leven geschapen.
Ik zal er zijn, is zijn Naam.
Hij is een God van levenden, zegt Jezus in herinnering aan de woorden van God bij de brandende braamstruik.

Daarom gedenken wij vandaag onze overledenen.
Het is geen herdenking, maar een gedachtenis.
Het verschil tussen een herdenking en een gedachtenis is,
dat de herinnering levend is en levend blijft,
een levend verleden.
Dat de betekenis van iemand blijft,
dat je verbondenheid met hem of haar niet ophoudt,
ook al gaat het leven door en krijgt het leven een nieuwe invulling,
ontstaan er nieuwe verbintenissen.
Maar dat gaat niet zonder wie je geworden bent
door wie je hebt verloren.

We gedenken mensen die we verloren zijn in het leven,
dierbaren die overleden,
dierbaren die we verloren zijn aan het leven.
Dat kunnen mensen zijn die je uit het zicht bent verloren,
of met wie geen contact meer mogelijk is
of met wie het contact een andere invulling heeft moeten krijgen.

De vraag die de Sadduceeën stellen aan Jezus,
neemt Jezus breder op dan alleen een strikt theologische vraag naar het al dan niet opstaan van de doden.
Jezus spreekt ons aan in ons verlangen dat de verbondenheid met wie we verloren in het leven niet ophoudt.
Dat we elkaar weer zullen zien.
Maar hoe dan?
Het leven gaat door voor wie achterblijft,
of nadat je iemand verloren bent aan het leven,
hoe pijnlijk en moeilijk dat ook is.
Wat blijft er dan over van die band met wie je verloor?
Die was er, die voel je, maar zal die er ook zijn?

Jezus wil met de opstanding van de doden zeggen dat God het verdriet van het verlies mee incasseert.
En dat Hij het daar niet bij laat.
Hij houdt het levend.
Het verlies is niet voor niets geweest.

Hij noemt ons in ons verlies geen man of vrouw van, geen vriend of vriendin, geen kinderen van, geen ouders van,
maar hij noemt ons kinderen, die als engelen zullen zijn.
En Hij zegt: ík zal er zijn.
Ik hou jullie levend.

Onze verbondenheid met elkaar
ligt niet primair in onze aardse verbintenissen en verhoudingen,
die verloren, gebroken of geschonden kunnen worden,
maar in de verbondenheid met God,
die ons bij elkaar brengt.
Daarom blijft denk ik de vrouw in het denkbeeldige verhaal ook kinderloos.
Jezus kan ermee laten zien dat de uiteindelijke band tussen mensen niet ligt in elkaar, maar in God.

Hij is de God is van Abraham, de God van Izaäk en de God van Jakob.
Zowel God bij de braamstruik als Jezus noemt ieder apart,
maar door de volgorde laten zij zien dat er ook een onderlinge verbondenheid is.
Zo is de God van Abraham, de God van Izaäk en de God van Jakob,
ook de God van u, de God van jou, de God van je geliefde, de God van je vriend, de God van je dochter, de God van …
Vul hun namen maar in en gedenk ze als kinderen van God.
Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven.

Daarom:

Afscheid nemen bestaat niet.
Mensen gaan, maar verlaten ons niet.

Ik zal je weer zien,
zoals je voor me was,
een engel.

Ik mis je,
maar je bent er,
voor altijd.

Zo is ook Gods Naam
en zo zijn wij geschapen.
We leven,
en naar Zijn beeld,
voor altijd.

In Zijn huis zijn vele woningen.
Er is ook een plekje
voor jou
en voor mij.

Voor Hem zijn wij kinderen gebleven
met de toekomst nog voor de boeg.

Hoeveel wij ook hebben meegemaakt
hoeveel littekens wij ook hebben
hoezeer wij ook door schade en schande
wijs moesten worden
en het nog niet zijn;
het leven begint pas.

Toch lijken wij te verliezen:
de ander, onszelf, het leven.

Maar voor God blijven we leven,
en blijf jij leven,
ook voor mij.
Kinderen trouwen niet.
Hun Vader is hen trouw
en dat is hen genoeg.

Wij sterven niet,
ook al lijken we te verliezen.
De mooiste verliezers
dat zijn wij

Je zult me zien
Ik zal er zijn

dinsdag 16 november 2010

Hou vol - preek bij Haggaï 2: 1-9

Tekst: Haggai 2: 1-9 en Lucas 20: 27-38

Onze kennismaking met de kleine profeet Haggai begon vorige week met een verhaal over welke plek kerken zouden kunnen hebben in nieuwbouwwijken. We spiegelden de situatie van de terugkerende ballingen in Jeruzalem met een verruïneerde tempel met die van een moderne nieuwbouwwijk in aanbouw. Welke plek geef je een kerk als een woonplaats helemaal nieuw of opnieuw gebouwd moet worden? En het ging er daarbij niet zozeer om of wij voldoende over hebben voor de kerk, van onze tijd en ons geld, maar dat het besteden van geld en tijd allereerst aan een geloofsgemeenschap heilzaam is. Het ging niet om een God die zichzelf belangrijker vindt dan al het andere en een voorkeurspositie opeist. Het ging dus ook niet om een verplichting elke week naar de kerk te komen. Waar het om ging en gaat is dat gezamenlijkheid belangrijk is te midden van een wereld waarin ieder voor zich zijn eigen huis en haard opbouwt. Waarom? Omdat het leven begint bij dat wat heilig is. En heilig betekent apart gesteld. Heilig is datgene, Diegene, die wat er ook gebeurt in je leven en wat er ook wordt van je leven, de bron van je leven is. Je begint niet zomaar te leven, te werken, naar school te gaan en te ontspannen. Je bent al iemand, met verlangens, met principes, met dingen die je belangrijk vindt, met karakter; kortom, je bent al iemand voordat je begint met leven. En dat is de kern van je bestaan. En die komt ergens vandaan bovendien. Maar hoe vaak maak je mee dat er voor die kern geen plaats is in wat je allemaal doet in je leven. Op je werk moet ook gewoon het werk gebeuren en staan contacten met anderen in het teken van het werk. Ook op school moet er gewoon schoolwerk gedaan worden, of je nu wil of niet, en is er niet altijd ruimte voor wat jij persoonlijk nodig hebt, of waar je tegenaan loopt. Natuurlijk kun je fijne vrienden hebben, die echt naar je luisteren, en wat een zegen is dat. Maar ook zij hebben hun grenzen. Ook zij hebben hun eigen leven, en ook hun eigen verlangens, hun eigen wensen en noem maar op.

Daarom is het goed en heilzaam om bij de bron van het leven, bij dat wat los van alles wat wij geworden zijn, stil te staan bij wat heilig voor ons is. Die kern in ons, die erin is gelegd door onze Maker. Samenleven lukt alleen als er een ziel in zit. En die ziel zit er niet in als we ieder voor zich met ons eigen leven bezig zijn. Een samenleving heeft een hart nodig, een kern van toewijding, een midden dat verbindende kracht heeft. Natuurlijk, we leven niet ieder op onszelf. We zijn geen egoïsten, maar waar draait ons netwerk van collega’s, vrienden, kennissen en contacten nu eigenlijk om? Zijn wijzelf de kern van dat netwerk? Of heb je een rechtstreeks lijntje met de eigenlijke kern? Als een spinnenweb stel ik me zo’n netwerk voor. En waar we vorige week mee begonnen zijn bedoelde te zeggen dat Haggai oproept het heilige in het midden te zetten. Zodat we daar altijd op kunnen terugvallen, en niet ergens diep in ons netwerk hoeven te zoeken en het uiteindelijk op onszelf aankomt. Het heilige als het hart van ons samenleven, omdat het zinnig is over dingen na te denken die we meemaken, waar we tegenaan lopen, samen en voor God, die de bron van ons leven is.

Alle oproepen van Haggai tot de restauratie van de tempel zijn niet bedoeld om te strijden met al onze wensen en verlangens in ons leven, maar om ze te aarden. Om op de aarde van het verruïneerde Jeruzalem een oriëntatiepunt neer te zetten, net zoals een nieuwbouwwijk verlangt naar een horizon. Wat dat betreft vind ik het altijd mooi om naar Utrecht te gaan. Van welke kant je ook komt, je ziet de Domtoren. En voor mij betekent dat dat er in de chaos van het verkeer tussen mensen en mijn eigen weg daarin er altijd een oriëntatiepunt blijft, maar ook een thuis, een plek van waarden, een plek waar het niet om status gaat of wat er van me geworden is, maar wel om wat me heilig is. Een plek waar de tijd even stilstaat.

Haggai vervolgt in hoofdstuk 2 op een andere toon. Allereerst spreekt hij op de eenentwintigste dag van de zevende maand. Dat is de dag van het hoogtepunt van het Loofhuttenfeest. Het zet daarmee zijn profetie in het teken van Exodus, het verhaal van de bevrijding uit Egypte. Het Loofhuttenfeest is het feest waarop koning Salomo de eerste tempel inwijdde. Het bouwen van loofhutten onderstreept de afhankelijkheid van de bevrijding en van de belofte van het beloofde land. Het gaat om leven in verwachting. In afwachting van Gods aanwezigheid op aarde.

En in het licht van dat feest wijst Haggai op de tempel. Hij zegt: “Wie van jullie heeft deze tempel nog in zijn vroegere luister gezien? En hoe ziet hij er nu uit? Jullie denken zeker dat het niets meer kan worden.” Dat is toch een hele andere toon dan in het vorige hoofdstuk. Toen was het meer gericht op: begin eens bij het begin, bij de bron, het heilige in het leven, voordat je je verdere leven opbouwt. Nu lijkt hij oog te hebben voor het heilige dat in ons leven verloren gaat. Dat hij oog lijkt te hebben voor een God, die niet aanwezig lijkt te zijn, niet daar in de tempel, niet in zoveel kerken die sluiten, niet in ons eigen leven, waarin we God op grote afstand kunnen voelen staan. En dat het dan op onszelf aankomt. En dat lukt ons best, maar toch: wijzelf zijn niet de bron van ons bestaan.

En als je dan denkt aan een kerk die minder zichtbaar wordt, minder belangstelling krijgt, kan de moed je in de schoenen zakken. Ook omdat de inhoud van het geloof ter discussie wordt gesteld en we het daarin onszelf ook niet makkelijk maken als kerk. In de lijn van onze tijd, met een discussie in onze synode over de vraag of God nu bestaat of gebeurt, wat eerder strikvragen dan gespreksvragen lijken, stellen de Sadduceeën aan Jezus een onmogelijke vraag: als een vrouw meerdere mannen heeft gehad volgens de gebruiken dat de broer van haar overleden man met haar trouwt, wiens vrouw is zij dan bij de opstanding? Voel even hoe die vraag aankomt. Het is een vraag die alleen al pijn kan doen, zoals dit soort vragen aan elkaar in de kerk ook pijn kunnen doen. Het zijn vragen waarmee mensen worden klemgezet. Je voelt je ook een beetje dom dan. Maar meer nog: geraakt in iets dierbaars. Als u het niet meevoelt, zie het dan als een vraag die bedoelt te zeggen: zie je dan niet dat wat je gelooft niet kan? En heel specifiek hier kun je geraakt worden in het verlangen je geliefden terug te zien na dit leven. Zie dan één ding hier: het gaat niet om de vraag, en het antwoord van Jezus gaat ook niet over de vraag, maar over de manier waarop de Sadduceeën de vraag stellen. Want als je heel nauwkeurig kijkt is het antwoord van Jezus in eerste instantie eigenlijk maar heel mager. Hij draait erom heen en zijn bewijsvoering is uiterst zwak. Dat hij verwijst naar dezelfde Mozes waar de Sadduceeën zich op beroepen, omdat Mozes spreekt over de Heer als de God van Abraham en de God van Isaak en de God van Jakob, tja, over de doden niets dan goeds. Maar het tegendeel bewijzen doet het niet. Toch geven enkele schriftgeleerden hem gelijk. En dat is om de laatste zin: “Hij is geen God van doden, maar van levenden, want voor hem leven zij allen.” Juist omdat dat geen antwoord is op de vraag is het waar. En zo is het vaak met geloof. Als je moeilijke vragen krijgt moet je niet antwoorden op de vraag, maar moet je zeggen wat je gelooft. Dat is niet erom heen draaien. Dat is zeggen waar het om gaat. Jezus wil niet de vraag van de Sadduceeën beantwoorden, want die zet Hem klem. Maar als het om vragen van levenden en doden is hij heel helder: God is een God van levenden en voor Hem leven zij allen. Hoe en wat? Geen idee. Het gaat om de kern, en hoe je van daaruit nu kunt leven.

Zo zijn we terug bij Haggai die de mensen wil bemoedigen van wie de moed in de schoenen zakt bij het zien van vergane glorie van de tempel. Hij zegt: hou vol, want, zo spreekt de Heer, ik ben met jullie, ik ben in jullie midden, zoals ik jullie beloofd heb toen jullie weggingen uit Egypte. Precies, hoe het ook gaat met kerken, en hoe we ook God op afstand kunnen voelen, God is in ons midden. Denk aan het spinnenweb. In alle contacten met mensen valt nooit alles terug op onszelf, maar altijd op het midden, het heilige, onze bron, en ook onze plaats waarin we onze overledenen gedenken, om in de lijn te blijven van de vraag aan Jezus. Dat doen we volgende week, en deze week staan we stil bij de oogst van het afgelopen jaar en wat we daarvan weg kunnen geven. In dat licht bezien klinkt het stuk van Haggai vrij materialistisch, als al het goud en zilver naar de tempel moet. Maar zo materialistisch bedoelt Haggai het niet. Allereerst staat er in de oorspronkelijke tekst niet dat Gods huis gevuld zal worden met pracht én rijkdom. Rijkdom is een toevoeging van vertalers. Ook als het gaat om vrede én voorspoed in vers 9 gaat het alleen maar om vrede. Nergens bedoelt Haggai dat alle rijkdom naar de tempel moet. Wel is het kennelijk nodig de wereld flink op te schudden en de rijkdommen naar het midden te halen. Maar dat is omdat we ook daarin moeten stilstaan bij wat van ons is en wat van ons allen. Anders gezegd: het gaat ook hier niet om een kerk waar je financieel alles voor over moet hebben. Het gaat er wel om dat de kerk een plaats is waar je je kunt bezinnen of alle rijkdom zijn juiste bestemming krijgt. Het gaat niet om rijkdom en voorspoed, maar om pracht en vrede. Dat wil zeggen: om een plek die staat, waar het heilige kan wonen, kan bestaan, en om vrede tussen mensen, omdat wij niet op onszelf staan, en tegenover elkaar, of in wat voor verbanden dan ook met elkaar te maken hebben, maar omdat we allemaal teruggaan naar dat midden. Naar die bron, en die is het waard om te wonen onder ons. Houd vol, God zal steeds in jullie midden aanwezig zijn, wees dus niet bevreesd.

zondag 7 november 2010

Het heilige als ontbijt - eerste preek bij Haggai

Tekst: Haggai 1 en Lucas 19: 41-48

Hoe belangrijk is het om in een nieuwbouwwijk een kerk te bouwen? Nog specifieker, hoe belangrijk is het om van het begin van de bouw van een nieuwbouwwijk af aan, een kerk te bouwen? Hoe belangrijk is het om in de chaos en de modder van een nieuwe wijk als kerk present te zijn en, hoe marginaal ook, samen te komen? Je zou je heel goed een kerkenraadsvergadering kunnen voorstellen waarin gezegd wordt dat we eerst maar eens moeten afwachten wat het wordt. En vooral ook: of er behoefte is aan een kerk. Hele begrijpelijke vragen als je je bedenkt dat er nog maar weinig jonge mensen geïnteresseerd lijken te zijn in de kerk en dat de middelen schaars zijn. En toch, de praktijk leert dat je als kerk een voedingsbodem vindt in een nieuwe wijk als je er vanaf het begin bij bent. En: dat je er op een later moment niet meer inkomt. Als er al letterlijk nog bouwgrond zou zijn, dan is die in ieder geval er figuurlijk niet meer. Het is wat dat betreft net als met openbaar vervoer in een nieuwbouwwijk. Als openbaar vervoer er niet vanaf het begin is, dan zullen mensen later niet meer overstappen; ze zijn dan gewend aan de auto. En zo is het met kerken ook: mensen zullen hun heil ergens anders gezocht hebben.

Maar, is hier dan slechts sprake van een goed marketingconcept, als je vanaf het begin van de bouw van een nieuwbouwwijk present bent, of gaat het dieper? Natuurlijk gaat het dieper. In de praktijk blijkt dat de kerk in nieuwbouwwijken een heilzame functie heeft. Wat mij in de praktijk trof was dat nieuwbouwwijken geen geschiedenis hebben. Ze staan op oude grond, maar die is volledig omgeploegd en elke markering in het landschap van het verleden is gewist. Dus de bewoners komen te wonen in een nieuwe wereld. Hierin moet alles nog ontdekt en ontwikkeld worden, zoals er nog niet automatisch een huisarts is, een school en een winkel. De nieuwe samenleving in een nieuwbouwwijk heeft dus nog geen wortels. En in die ontworteling heeft de kerk veel te bieden. Door op een herkenbare plek mensen uit te nodigen en mede structuur aan te brengen in de wijk schieten bewoners wortel in de wijk. Ik heb kerken ontmoetingen zien organiseren voor de bewoners met de huisarts, de politie, de school en allerlei andere voorzieningen; maar ook: met de boeren die voorheen het land bewerkten, om toch wat geschiedenis aan het gebied te geven. En dat heeft meer dan een maatschappelijk doel. Het schept ook samenleving. Het laat de inwoners uitstijgen boven hun eigen en individuele niveau en het schept daarmee verbondenheid. En voor wie er gevoelig voor is schept het ook een gelovige verbondenheid. Mensen kunnen in een dergelijke ontwortelde wijk gevoelig worden voor hun gelovige roots. Roots die ze vaak een aantal woonplaatsen hebben losgelaten, om verschillende redenen. Maar hier, in een nieuwbouwsituatie, en vaak ook met jonge kinderen, worden mensen bepaald bij wat voor hen heilig is: wat hun waarden en normen zijn, hoe ze willen leven, en hoe dat hun individuele leven overstijgt.

Deze beelden uit een vorige werkkring doemden bij mij op bij het lezen van Haggai. Deze tiende van de zogeheten twaalf kleine profeten in de bijbel preekt in een tijd tijdens de Babylonische ballingschap, dat de Perzen de macht hebben overgenomen van de Babyloniërs. Een deel van de Judese ballingen is toen teruggekeerd naar Jeruzalem. En Haggai ziet drie dingen gebeuren: de tempel is een ruïne, de Judeërs bouwen wel aan hun eigen huizen, maar, en dat is het derde: het lijkt hen niet te baten. In vers 6 staat: Jullie hebben veel gezaaid maar weinig geoogst; jullie eten maar raken nooit verzadigd, jullie drinken maar nooit is het genoeg, jullie kleden je maar krijgen het nooit warm; de dagloner krijgt zijn geld maar het verdwijnt in een beurs vol gaten. En Haggai zegt dat tussen twee keer de zin: Welke weg zijn jullie ingeslagen? Letterlijk: zet je hart op je wegen. Met andere woorden: voel eens waar je mee bezig bent. Wat voel je dan? Het zou wat erg makkelijk zijn om te wijzen op een economie van het genoeg, waarin we moeten leren genoeg te hebben. Nog makkelijker zou het zijn om te zeggen dat de hebzucht om almaar meer te hebben geleid heeft tot een economische crisis van jewelste, waarin de pensioenen gekort worden voor wie ze nu ontvangen en het voor mijn generatie nog maar de vraag is of we zelf ooit iets van ons sparen terugzien, als de dagloner uit vers 6 die zijn geld krijgt maar het in een beurs vol gaten ziet verdwijnen. En die vergelijking zou op nog veel meer verspilling kunnen slaan. Maar zo simpel zou Haggai het nu ook niet zeggen.

Haggai doelt op iets anders. Hij zegt in vers 9: “Jullie hebben veel verwacht, maar hoe weinig is het geworden, en wat jullie wèl binnenhaalden, is door mijn adem vernietigd. En waarom? – spreekt de Heer van de hemelse machten. Omdat mijn huis nog altijd een ruïne is, terwijl ieder zich uitslooft voor zijn eigen huis.” Ook hier moeten we oppassen. Voor je het weet lezen we erin dat God de economische crisis zou hebben veroorzaakt uit een soort verongelijktheid, of als een God die straft en zijn recht opeist. En dat is natuurlijk niet zo. Ik denk niet dat Haggai gelooft in een God die de welvaart van de Judeeërs heeft gebroken omdat Hij vindt dat Hij belangrijker is. Haggai wil laten zien dat er iets heel wezenlijks ontbreekt in het leven van de Judeeërs, waardoor zijzelf niet verder komen. Hun leven is getroffen door droogte. Niet omdat God dat veroorzaakt, maar omdat zij geen aandacht besteden aan hun gelovige wortels. Nu kunnen we heel modern zeggen dat iedereen dat voor zichzelf moet weten en iedereen zijn eigen wegen vindt. En natuurlijk leven wij in een tijd dat kerkgang niet meer alleen zaligmakend wordt gevonden. Natuurlijk zijn er andere wegen om met geloof bezig te zijn. Maar wat zo vaak ontbreekt in moderne individuele vormen van geloof is gezamenlijkheid. Is dat zo belangrijk dan? Ja natuurlijk, je leeft toch niet in je eentje? En wat je aan normen en waarden zegt te hebben, heeft toch betrekking op de samenleving, en niet op jouw persoonlijke heiliging dat jij exact weet hoe je moet leven. En op je allerindividueelste zoektocht naar geluk, ben je toch ook gebaat bij andere gelukszoekers, al is het maar om samen tegen dezelfde dingen aan te lopen? Of het nu gaat om werk en werkeloosheid, ouder worden, liefde zoeken, hebben of verliezen; of het nu gaat om gevoelens van bedreiging van de samenleving, om recht en onrecht, om milieu en de toekomst van onze kinderen: ieders geluk is er bij gebaat eerst aandacht te besteden aan wat ons gezamenlijk heilig is. En dat is waar het Haggai om gaat. Niet om een God die tevreden moet worden gesteld omdat hij anders kwaad wordt en ons het goede onthoudt. De tempel die Haggai gerestaureerd wil hebben staat direct ten dienste van ons eigen geluk. Je gaat niet naar de kerk omdat het moet. Je bent uitgenodigd om naar de kerk te komen, omdat daar, hier, we gezamenlijk beleven wat ons heilig is. Daarom kun je het ook niet missen. Omdat het leven anders droog gaat aanvoelen, stroef gaat lopen, je alleen maar op jezelf bent teruggeworpen.

De kerk is geen verplichting, maar wel het startpunt. Net zoals je zonder ontbijt niet goed op gang komt, zo ook niet zonder een gezamenlijke beleving van wat je heilig is. En nogmaals, dat betekent geen wekelijkse verplichting om naar de kerk te komen, al ligt het aanbod er. Maar het betekent dat je die gezamenlijkheid op wat voor manier dan ook wel zoekt. En de geloofsgemeenschap is een plek om daaraan vorm te geven op tal van wijzen. En soms is het nodig, zo laat Jezus zien, om daar met een behoorlijke stofkam doorheen te gaan. Dan blijken tempels en kerken niet meer bezig met wat heilig is. Want het gaat niet om de kerk, noch om haar wetten en regels, maar om wat heilig is. Want dat is onze corebusiness, onze kerntaak: het heilige zoeken en beleven.

Dat is een niet geringe taak. En aan het heilige vuur kun je je vingers ook flink branden. Geloofsgemeenschap zijn is een zware opdracht. Dat beleven we ook als mensen pijn lijden aan die gemeenschap. Daar kun je niet aan voorbij gaan, want het heilige is in het geding. Aan twee kanten, zeg ik er nadrukkelijk bij. Want beide kanten verliezen iets en hebben ook iets te winnen bij elkaar. De tijd kan ook wonderen doen, maar gemeenschap blijft een roeping.

Poeh. Ga er maar aanstaan. Gemeenschap is een zware hobby, zo lijkt het. Maar het is geen hobby. Het is net zo noodzakelijk als een ontbijt. Maar dat het soms zwaar op de maag valt kan je met loden schoenen door de gemeenschap doen lopen. En Haggai ziet dat. In vers 12 staat: ‘En het volk werd vervuld van vrees voor de Heer. Maar Haggai, de bode van de Heer, zei in opdracht van de Heer tot het volk: ‘Ik ben bij jullie – spreekt de Heer’’. Ik ben bij jullie is de bemoediging van God. De toevoeging: spreekt de Heer, vaak bij Haggai aangevuld met: ‘van de hemelse machten’ versterkt dat. Het is geen machtswoord, van ‘pas op, ik ben heel sterk’, maar een bemoediging voor wie het in die geloofsgemeenschap ontbeert aan kracht, zelfbewustzijn en moed. Door tal van tegenwerking lijkt de droom van de ballingen op een illusie uit te draaien. Waar vind je bondgenoten om je dromen te ondersteunen? Haggai wijst op de tempel. En vandaag wijzen we naar de geloofsgemeenschap. In God vinden we een bondgenoot voor onze dromen, tegen alle desillusies van het leven in of alle dreigende mislukkingen, dankzij of ondanks ons. En al is die gemeenschap niet perfect, we zoeken het heilige. En dat heilige van de God van de hemelse machten bindt ons. Zo kunnen wij aan het Avondmaal, een gemeenschappelijk begin punt. Om van daaruit ieder ons leven weer in te gaan. Daarin zijn we genodigd door Jezus Christus, die misschien daarom wel niet voor niets zo perfect uit de verschillende verhalen naar voren komt. Omdat Hij als God Dichtbij ons laat zien dat God bij ons is, gelukkig maar. Als het van ons zou moeten komen, zou op ‘ieder voor zich’ geen zegen rusten.