zondag 13 maart 2011

Ben je al één?

Tekst: Genesis 2: 15-3:9 en Mattheüs 4: 1-11

Het thema van de Veertigdagentijd die jaar is Ontmoeting. Op weg naar Pasen lezen we over ontmoetingen die Jezus heeft en over de plekken waar ze plaatsvinden. Zo willen we Jezus beter leren kennen, om de betekenis van zijn sterven en opstaan voor ons leven nog dieper te kunnen doorgronden.

Over sterven gesproken, dat is ook het vooruitzicht dat Genesis stelt aan hen die van de boom van kennis van goed en kwaad eten. De sfeer is in deze tijd van veertig dagen bezinning omgeslagen van een sfeer van vreugde over Jezus’ aanwezigheid in onze wereld naar een sfeer van bezinning over onze eigen rol in deze wereld. Maar daarover straks meer.

Dit verhaal van die boom van kennis en kwaad gaat namelijk niet meteen verder; er komt eerst een intermezzo. En dat begint met: “God, de Heer, dacht: Het is niet goed dat de mens alleen is.” Hier is de God aan het woord die in het eerste scheppingsverhaal van Genesis 1 zei: “Laten wij mensen maken naar ons evenbeeld, die op ons lijken”. God zei dat in het meervoud: Laten wíj mensen maken. God is in zichzelf dus al gemeenschap. En wanneer Hij mensen maakt naar zijn evenbeeld, zijn zij dus ook geschapen om niet alleen te zijn. Het is niet goed dat de mens alleen is. Dat heeft Hij goed gezien.

Maar het eerste dat God doet is zorgen dat er een hele dierentuin aan Adam passeert om ze namen te geven, met de bedoeling dat die zijn alleen zijn opheffen. Maar zij bleken geen helpers te zijn die bij hem passen. Huisdieren zijn fijn en geven gezelschap, maar ze praten niet terug. Ze helpen niet in het alleen zijn. Er komt pas leven in de brouwerij als Eva er is, en hoe. Zij ís het leven, zo is haar naam. Ze is een rib uit zijn lijf, maar ach, daar went hij maar aan. Zij is zijn gelijke. Juist omdat zij uit hem gevormd is, vindt hij zijn gelijke in haar. Geen hulpje in de huishouding, maar een levenspartner, met wie hij één lichaam wordt. En dat lichaam is naakt, kwetsbaar, en ze schamen zich niet voor elkaar.

Maar ja, tot zover het Paradijs alweer. Het is niet goed dat de mens alleen is, maar op hun samenzijn rust ook niet altijd een zegen. Wonderlijk dat de schrijver van het verhaal over de boom van kennis van goed en kwaad na de inleiding op dat verhaal eerst vertelt over dat het niet goed is dat de mens alleen is. Alsof in dat samenzijn ook de kiem zit om tot een dergelijke daad te komen als het eten van de verboden vrucht. Ik focus me vanmorgen niet op de slang, en al helemaal niet of hij wel kon praten in tegenstelling tot alle andere dieren – hele kerken zijn om die reden gescheurd – maar het gaat mij om het spel tussen deze twee mensen. Met het feit dat de mens van ene twee wordt, ontstaat er een spel, wat uiteindelijk tot resultaat heeft dat ze zich wel voor elkaar schamen. Ja, het begin allemaal heel mooi, dat ze van tweeën één zijn, maar in wezen zijn ze van ene twee. Eén mens werd Adam én Eva. En in dat spel beschamen ze elkaar. Soms denk je maar beter alleen te kunnen zijn, hoe ondragelijk ook, als je ziet hoe mensen elkaar zoeken, vinden en verliezen, maar ook elkaar in het hart raken. Wie grote nood in zijn leven kent of kende, weet dat je in de nood je vrienden leert kennen. Dit is een positieve verwoording van het eigenlijke feit, dat je leert wie je vrienden niet blijken te zijn. En het is een cynische verwoording van een andere mogelijkheid, die mensen ervaren, namelijk dat je mensen leert kennen die je op het zwakste moment van je leven je de grond in boren, je naakt en kwetsbaar maken, die je beschamen uit de meest egoïstische en zelfzuchtige motieven, waarbij ze ook nog eens het gevoel hebben in hun recht te staan. Dan is het paradijs gauw over.

Hoe komen we weer in het paradijs? Dat is eigenlijk het programma van deze Veertigdagentijd. Het mooie dit jaar is dat op het leesrooster van Paasmorgen weer Genesis 2 staat, alleen dan de verzen vóór dit verhaal. Het stuk van het moment dat de mens geschapen werd in het paradijs. In zijn eentje nog ja, maar uiteindelijk ligt de verlossing ook in die Ene, en in het in je eentje zijn.

Dat wil ik laten zien aan de hand van het tweede verhaal. Dat is een verhaal dat jaarlijks terugkeert aan het begin van deze bezinningstijd: het verhaal van de verzoeking in de woestijn. De eerste ontmoeting vindt plaats tussen Jezus en, volgens het verhaal, de duivel. Die duivel dat is de Verzoeker, de diabolos, degene die alles in de war schopt. En zoals ik al vaker heb gezegd, ik geloof niet zo in de duivel; wij zijn mens genoeg om zelf alles in de war te schoppen. Hier is Jezus 40 dagen alleen met zichzelf. En nog wel in de woestijn. Dat is een plek, ik heb het meer gezegd, waar het erop aankomt. Er is een hele scherpe lijn tussen leven en dood. Alles is daar absoluut: snikheet en kurkdroog. Zoals water, ook zo’n absolute plek, klets- en kletsnat is. Geen discussie mogelijk. En precies om die discussie gaat het. Accepteert Jezus in de woestijn dat er over de basis van het leven geen compromissen te sluiten zijn? O, Hij zal zich heen en weer geslingerd hebben gevoeld door verlangens en door pijn. En die voel je juist in de eenzaamheid. Maar wil Hij een goed begin maken, dan kan Hij dat maar één keer doen. Nu of nooit. Hoeveel mensen falen niet op dat moment? Hoeveel halve keuzen worden er niet gemaakt, met hoeveel compromissen proberen we niet uit te stellen wat onvermijdelijk de waarheid is? Met hoeveel leugens bedriegen we onszelf en de ander? De waarheid is hard. Ja. Maar de waarheid heeft ook een hart. De waarheid wordt vaak gezien door ons als een offer, omdat we onszelf iets zouden moeten ontzeggen; illusies op de eerste plaats. Maar daarnaast heel veel dingen die we niet mogen; en we horen de tien geboden: gij zult dit niet en dat niet, en dat wel. Maar de waarheid is in wezen zuiverend, louterend. Zo is het, en niet anders. Kijk maar naar Jezus en hoe hij de verzoeking doorstaat. Er kwamen engelen om voor hem te zorgen. De waarheid brengt je terug naar de basis, en terug naar je eentje.

Het is niet goed dat de mens alleen is, nee. Maar in zijn eentje zal hij toch zijn keuzen moeten maken om samen te kunnen zijn. Andersom is dat ook het geval, als de ander je ontvalt. Afgelopen vrijdag was het een jaar geleden dat Hans van Mierlo overleed. En zijn vrouw, schrijfster Connie Palmen, zat bij het tv-programma De Wereld Draait Door vanwege de presentatie van een boekje met het onvoltooide deel van diens memoires. Ze vertelde dat ze ongelofelijk kwaad was nog steeds, en dat ook nog eens op haar meest dierbaren. De zoektocht naar het waarom van die kwaadheid is onvoltooid, maar het begin lag bij haar gevoel voor haar eigen autonomie, haar op zichzelf staan. Ze was zo kwaad omdat door het wegvallen van haar man, haar autonomie ineens weg was, haar zelfstandigheid, haar vermogen om zelf te bepalen wat ze kiest, wie ze kiest, hoe haar leven loopt. Ze vervolgde dat ze veel eenzaamheid heeft ervaren, maar dat de grootste autonomie ligt in eenzaamheid. En dat een kunstenaar alleen maar tot een schilderij of een boek of wat ook kan komen, een preek, als je de eenzaamheid voor lief neemt. Iedere levenskunstenaar, laat ik het zo maar noemen, ontdekt dat de grootste autonomie, het grootste zelfverstaan, ligt in eenzaamheid. Alleen jijzelf kunt de richting van je leven bepalen. En dat bedoel ik niet in de zin dat je alles zelf in de hand hebt, natuurlijk niet. Maar je kunt pas met twee zijn als je al één bent. Die grote wijsheid kan iedereen leren die ooit met zichzelf is geconfronteerd door een breuk in het leven. En die breuken kunnen van allerlei aard zijn, en iedereen maakt ze mee. Een overlijden, een ontslag, een scheiding, een ziekte, iets dat definitief onvoltooid of mislukt is, een doorgeprikte illusie, een enorme teleurstelling. Zo’n breuk bepaalt je bij jezelf, doet je alleen voelen, maar, hoe wreed ook, in dat alleen zijn ligt ook de uitweg. Die ligt niet in anderen en het ligt ook niet aan anderen. Ja, natuurlijk kunnen andere mensen je van alles aandoen, maar uiteindelijk ben jijzelf degene die daarmee in het reine moet komen. Een ander kan dat niet voor je doen.

Daarom begin Jezus’ missie in zijn eentje in de woestijn. Hij zal later nog veel mensen ontmoeten, maar ook alleen sterven. Om dat aan te kunnen moet Hij met zichzelf in het reine komen. Zonder deze verzoeking in de woestijn had Hij niet kunnen doorzetten daar in de Hof van Getsémané. Zonder ons eigen zelfverstaan kunnen wij niet door alle breuken van het leven heenkomen. Daarom vallen er ook veel mensen, die het niet meer trekken. Dat is een dorre en lange woestijn, en enorm alleen, maar het is de enige manier om op te staan. Dan kun je weer komen tot je eigen keuzen, tot je eigen wensen en verlangens in het leven, tot je eigen missie. En dan kun je weer terug samen leven met mensen. En ik geloof in die mensen, omdat ik Jezus hetzelfde zag doen, en zag opstaan. Ik geloof in die mensen, hoewel het weliswaar niet goed is dat de mens alleen is, omdat je wel goed bent in je eentje. Gemaakt om samen te zijn, ja zelfs in elkaar op te gaan en van tweeën één te zijn, maar dat kan pas als je al één geweest bent.

Jezus gaat ons voor. En de tocht van veertig dagen eindigt wat Genesis betreft weer in het Paradijs. Begint het verhaal dan weer van voor af aan? Ja en nee. Ja, ook dan gaat Genesis verder zoals we dat nu gelezen hebben. Maar ook nee: het is een belofte. Een belofte dat we weer in dat Paradijs komen met vallen en opstaan. Dat wie valt door alle breuken in het leven, dankzij of ondanks hem- of haarzelf, weer zal opstaan, en weer nieuw kan beginnen, al één, en dan van tweeën één. “Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn”, zei God. En “God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag het zeer goed was.”

vrijdag 4 maart 2011

Geloven in een relatie – maar wel in je eentje

16 februari eerste thema-avond over hoe je geloven vorm kunt geven in een relatie, als je partner niet (actief) gelooft

“Het is moeilijk om naar de kerk te gaan als mijn partner blijft liggen” O “Geloof is voor mij belangrijk in een schoolkeuze, maar voor mijn partner minder” O “Mijn partner wilde wel trouwen in de kerk, maar deed dat voor mij” O “Ik kan veel met mijn partner delen, maar over geloof praten we bijna nooit” O “Mijn partner wil niets met het geloof te maken hebben, maar het is wel belangrijk voor mij”

‘Geloven op jezelf’. Ga er maar aan staan. Het is niet makkelijk om iets van je geloof te maken als het helemaal van jezelf moet komen. Daarom is het fijn als er mensen zijn met wie je over geloof kan praten, met wie je iets kunt ondernemen rondom geloven en daarin inspiratie kunt zoeken, of waarmee je naar de kerk kan gaan. En dat is zeker zo in een relatie.

We komen echter veel mensen tegen die weliswaar een partner hebben waar ze heel gelukkig mee zijn, maar waarmee ze het geloof niet kunnen delen, omdat hij of zij niet (meer) actief gelooft. Dan is het misschien moeilijk om over geloof te praten en moeilijk om naar activiteiten te gaan of naar de kerk te gaan – want ga je dan in je eentje?

Op belangrijke momenten in het leven als huwelijk, doop en uitvaart komen deze verschillen ook aan het licht. Hoe praat je er dan over dat geloof voor jou hierin ook belangrijk is?

Hoe leg je uit wat je drijft om je in te zetten voor het geloof en voor de kerk?

Hoe kun je als je kinderen hebt of krijgt je kinderen iets meegeven van je geloof en hoe laat je ze deelnemen aan de activiteiten van de kerk?

We willen elkaar opzoeken op een eerste themavond, om eens te kijken hoe we geloven ervaren in onze relatie en of we wellicht op enigerlei vorm elkaar zouden kunnen bemoedigen, ondersteunen en aanmoedigen om ons geloof uit te kunnen oefenen. We zullen hierbij verschillende werkvormen gebruiken. Tijdens deze avond zullen we kijken wat voor een eventueel vervolg we zouden wensen.

Op woensdag 16 februari 2011 bij ds. Otto Grevink thuis, 20.00u

zondag 27 februari 2011

Zorgen moet je doen, niet maken

Tekst: Jesaja 49: 13-18 en Mattheüs 6: 24-34

Was het maar zo makkelijk. Was het maar zo makkelijk dat we ons geen zorgen hoefden te maken. Dag in, dag uit maken we ons zorgen om van alles en nog wat. En vult u zelf maar in waar u de afgelopen week zorgen om gehad heeft. Dat kunnen materiële zorgen zijn om geld en goed – rekeningen die nog betaald moeten worden, problemen en uitdagingen op het werk, allerlei praktische zorgen over hoe je dingen regelt en op elkaar afstemt, niet in de laatste plaats werk- en privézaken – maar ook zorgen om mensen. En vaak mengen die zorgen zich, omdat zorgen om mensen vaak ook gepaard gaan met hun zorgen om bijvoorbeeld een baan en allerlei andere praktische zaken die vastzitten aan iemands problemen. Je kunt er heel druk mee zijn. En dan zegt Jezus: maak je geen zorgen. En aan het eind: zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden. Ja ja.

Alle stukjes van de Bergrede hebben een soort extremiteit in zich. En soms klinken ze een beetje wereldvreemd. Of het nu om de zaligsprekingen gaat, of om de verschillende verscherpingen van de wet van Mozes; je kunt gauw het gevoel krijgen: ja, maar zo werkt het niet in de wereld. En dat klopt ook. Zo werkt het niet in de wereld. Wie zich dus klem voelt zitten tussen de praktijk van het leven van alledag en deze teksten, zit dus precies op de goede plek. Het beeld dat Jezus door de Bergrede schetst van het leven in het Koninkrijk van God is niet over het beeld heen te leggen dat wij van de wereld hebben en van wat wij om ons heen zien elke dag. Niks van wat Jezus in de Bergrede zegt is dan ook vanzelfsprekend. En daarom moet het besproken worden, benoemd. En gedaan. Want woorden hebben in de Bijbel altijd de bedoeling om werkelijkheid te worden, om gestalte te krijgen, in mensen en hun daden. Jezus is de verpersoonlijking daarvan. Hij wordt wel het vleesgeworden Woord genoemd. Dat betekent dat wat in de Bijbel gezegd wordt, in Hem gestalte krijgt, zichtbaar wordt. En Hij zegt het voort.

Wie zich dus, al is het maar een beetje, klem voelt zitten tussen Jezus’ oproep en het leven van alledag, zit dus op de goede plek. En van daaruit wil ik met u zoeken naar waar het dan op aan komt in het leven hier in deze wereld, levend vanuit het perspectief van dat Koninkrijk van God.

Wat doen zorgen met mensen? Twee dingen: zorgen maken ons afhankelijk, en zorgen ondermijnen ons vertrouwen. Het eerste, dat zorgen ons afhankelijk maken, kun je meevoelen als je denkt aan momenten dat je grote zorgen had om praktische dingen. Dat bepaalde doelen niet gehaald worden op het bedrijf, je werk- en privézaken niet op elkaar kunt afstemmen, je twijfelt over of je op je plek bent in een baan of in je studie, of om de hoogte van je pensioen, voor nu of later, om de staat van je auto en hoe lang die nog meegaat, het onderhoud van je huis en verzin maar zelf wat je op dit vlak tegenkomt. Op zich is het niet erg als je deze zorgen hebt, maar ze kunnen als het ware onafhankelijk worden van al het andere, hun eigen leven gaan leiden, en jou afhankelijk maken. Zodat je er vaak aan denkt, ook ’s nachts, of op andere manieren niet lekker in je vel zit. En dat frustreert, jezelf en mogelijk ook de mensen om je heen, op wie je je afreageert.

Nu is het mogelijk dat je denkt die zorgen beheersbaar te houden door hard te werken, maar er kan een moment komen dat blijkt dat je helemaal niet meer de regie hebt. Dat je eigenlijk alleen nog maar aan het reageren bent, in plaats van aan het ageren. Alles wat je doet wordt dan een reactie op iets dat gebeurt, in plaats van dat je zelf je zorgen de baas bent. En dan wordt het alsof je iemand bent met schulden die de ene schuld inlost door de andere en daardoor eigenlijk in een steeds lastiger pakket komt; met steeds hogere schulden en een steeds hogere rente.

Het tweede, dat zorgen ons vertrouwen ondermijnen, gaat dieper. Wie afhankelijk wordt van zorgen, dus afhankelijk wordt van iets buiten hem, is overgeleverd aan de grillen van die zorgen. Net zoals je je overgeleverd kunt voelen aan dat bedrijf, of juist een klant, die verkeerde rekeningen stuurt of ze niet betaald, of verkeerde dingen regelt, waar je je mateloos aan kunt ergeren. Ook deze zorgen zijn op zich niet zo erg, maar wel als ze je gaan beheersen. Want dan wordt jouw welbevinden, jouw levenscomfort, afhankelijk van iets buiten je waar je geen grip op hebt. En in het ergste geval tast het je zelfvertrouwen aan, omdat je niet meer in staat bent goed voor jezelf te zorgen. Nu is het zeker waar dat je niet alles in de hand kunt hebben, maar het gaat erom hoe afhankelijk je je daarvan opstelt, of voelt. En ik denk wel eens, kijkend naar de publieke opinie in ons land, dat alle angst en agressie en alle strijd tussen bevolkingsgroepen mede is ingegeven door een gebrek aan vertrouwen. Omdat het leven zo complex is geworden, wereldwijd en omdat mensen zich afhankelijk voelen van grote onpersoonlijke instituten als overheden, energiemaatschappijen, pensioenfondsen, banken en noem maar op. En mensen die daar tegen te hoop lopen voelen zich een speelbal van de maatschappij, maar ontberen het zelfvertrouwen om deel te nemen aan die samenleving, met oog voor de hele samenleving.

Maar het meest kwetsbaar zijn de mensen die aan die zorgen ten onder gaan, en overspannen raken. Nu is niet elke overspannenheid hetzelfde, en liggen er altijd tal van persoonlijke factoren en ervaringen aan ten grondslag. Maar als aanleiding nekken concrete zorgen en gebrek aan vertrouwen en zelfvertrouwen iedereen die overspannen raakt. En door alle persoonlijke ervaringen en geestelijke verwondingen heen is het dat vertrouwen dat uiteindelijk de doorslag gaat geven naar herstel. Dat je weer op eigen benen kunt staan. En vooral: dat je vindt dat je dat ook weer mag. Dat je iemand bent, te midden van het speelveld tussen mensen en belangen. Dat je daarin een eigen plekje hebt en kunt vertrouwen dat het goed komt, ook buiten jouw invloed om.

Wat Jezus hier zegt is niet zozeer een moreel appèl. Als Jezus zegt dat we niet twee heren moeten dienen, niet God én de Mammon, dan interpreteren we dat altijd als een gebod tegen geldwolven en mensen die alleen maar achter hun carrière aangaan, maar dan vatten we het te eng op. Jezus snapt heel goed dat zorgen groot kunnen zijn. En dat verwijt Hij ons niet. Maar kunnen we zo leven? En krijgen we zo perspectief op het Koninkrijk van God? Nee. En niet omdat we ontrouw zijn aan God, maar omdat we ontrouw zijn aan onszelf. Wie gespleten leeft, omdat hij te afhankelijk is van zorgen om werkelijk te kunnen leven voor het aangezicht van God – wie zo gespleten leeft, is ontrouw aan zichzelf, en kan daardoor geen zelfvertrouwen opbouwen en vertrouwen geven. Geen eigen plek innemen en die plek aan anderen en andere dingen geven. Die is overgeleverd aan het leven in twee werelden, waarvan geen van tweeën de zijne is.

Zelfvertrouwen en vertrouwen begint gek genoeg door de erkennen dat je niet alles in de hand hebt. Maar daardoor blijf je niet afhankelijk, maar wordt je juist onafhankelijker van zorgen. Dat betekent niet, en dat is wel eens een valkuil van mensen, dat je geen boodschap meer hebt aan bepaalde zaken. Die mensen laten als waren ze herboren, zich niets gelegen liggen aan een ander, gaan hun eigen weg, en wanen zich onafhankelijk. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Jezus zegt hier niet dat het allemaal vanzelf wel goed komt. Hij zegt er iets bij: zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden. Dat klinkt alsof je het ene moet doen, en het andere ervoor in ruil krijgt. En dan kun je terecht denken: zo werkt de wereld toch niet? Nee, inderdaad, maar zo is het ook niet bedoeld. Eerst het Koninkrijk van God zoeken en zijn gerechtigheid, en al die andere dingen erbij krijgen, betekent simpelweg: zorgen moet je doen, niet maken. Of, nog anders gezegd: niet zorgen óm maar zorgen voor. Wie zich eindeloos zorgen maakt om dingen voelt zich uiteindelijk machteloos, alleen in staat om te reageren, en tenslotte zelfs dat niet meer. Wie zorgt voor, zorgt in de eerste plaats goed voor zichzelf. En me dunkt dat dat ook een christelijke deugd is. Dat is geen egoïsme, maar een gezond stuk zelfverstaan. Je bent ook een deel van de schepping. En je mag er zijn. Natuurlijk nooit los van anderen, en zeker niet van God, maar wel met een eigen plek. Vanuit dat beginpunt – te zorgen voor jezelf – kun je zorgen voor de wereld, en de mensen om je heen. Dan ben je niet meer afhankelijk, kun je je betrokkenheid tonen en je grenzen stellen. Die grens ligt namelijk daar waar iemand of iets jou afhankelijk maakt. Niemand of niets mag jou knechten, al betekent dat altijd dat je ook niet alleen op de wereld leeft.

Zorgen moet je doen, niet maken. Ook dat klinkt simpel, was het maar zo makkelijk. Maar vertrouw behalve op jezelf ook op God. Wanneer we denken dat Hij er niet is, zijn we als de mensen van Sion in Jesaja, die zeggen: ‘De Heer heeft mij verlaten, mijn Heer is mij vergeten.’ Dat is het gevoel. Maar dat betekent in dit geval dat we zo afhankelijk zijn geworden van onze zorgen, dat we niet meer zien dat het niet alleen van ons afhangt, maar dat God voor ons zorgt. Hij is de ultieme bron van ons zelfvertrouwen en vertrouwen. Hij laat ons het leven leven zoals het is: wie van jullie kan ook maar één el toevoegen aan zijn leven, en: wat zul je je zorgen maken om morgen? Morgen zorgt wel voor zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last. Verder reiken kunnen we toch niet. Denken we dat wel, dan worden we afhankelijk van iets waar we toch geen invloed op hebben. Maar God is bij ons. Vandaag, morgen, overmorgen, altijd.

En als we dan te moe zijn, laten we ons dan laten troosten door Jezus, die zegt: Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.

zondag 20 februari 2011

Vrijheid door kwetsbare radicaliteit

Tekst: Exodus 22: 21-27, Mattheüs 5: 33-48, 1 Korinthiërs 4: 6-16

In de afgelopen weken, wanneer wij elkaar troffen, hebben we gelezen en gesproken over de eerste brief van Paulus aan de Korinthiërs. We hebben Paulus ontdekt als iemand die voor de kern van de zaak gaat. Die er niet omheen draait. Daarom komt hij soms wat radicaal, misschien zelfs fundamentalistisch over. Maar, we hebben Paulus daarin ook leren kennen als iemand die zich niet op zichzelf beroept. Hij is geen beterweter. Niet iemand, die zichzelf aanmeet hoger op de morele ladder te staan. Alles voert hij terug op het fundament van zijn geloof, Jezus Christus zelf. Als Paulus zich het gezag aanmatigt van een apostel te zijn, dan wel een apostel van Christus, en in de zin van een apostel, iemand die gezonden is. En een boodschap moet je nooit identificeren met de boodschapper, maar met degene die de boodschap heeft gezonden. Daar is het Paulus om te doen, om Christus zelf. Hijzelf is niet zo begaafd, en al helemaal niet wijs, nee, maar die wijsheid komt van de Geest van Christus. Paulus spoort ons aan ons door die Geest te laten enthousiasmeren, te láten leiden, ons te laten inspireren en zo vrij te kunnen leven. ‘Want wat geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefheeft.’

Maar Paulus stelt ook vast dat gelovigen vaak de neiging hebben te zeggen dat ze de wijsheid al bezitten. En dat gelovigen de neiging hebben om dat op te hangen aan iemand die deze wijsheid verkondigt. Vanaf het begin van de brief loopt Paulus al te hoop tegen diegenen die claimen ‘van Apollos’ of ‘van Paulus’ te zijn. Het is echter niet de verdeeldheid op zich die Paulus tegenstaat, maar iets dieper liggends. En daar komt hij in het gedeelte van vandaag uit zijn brief over te spreken. Paulus schrijft: “6 Broeders en zusters, ik heb hiervoor over Apollos en mijzelf gesproken. Dat heb ik gedaan omwille van u. U moet namelijk uit ons voorbeeld deze regel leren: houd u aan wat geschreven staat. U mag uzelf niet belangrijk maken door de een te verheerlijken boven de ander. 7 Wie denkt u dat u bent? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt? 8 Maar natuurlijk – u bent al helemaal verzadigd, u bent al rijk, u bent al koningen geworden zonder ons. Was u maar koningen geworden, dan zouden wij het ook zijn. 9 Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen”…

Paulus werpt de Korinthiërs tegen dat zij zich gedragen als koningen. Dat is een Grieks beeld, dat gaat over de wijze. ‘De wijze mens is een koning, onafhankelijk van anderen en waarlijk vrij” aldus een Griekse filosoof. Paulus beschrijft gelovigen dus als mensen die voelen dat ze een wijsheid bezitten over hun geloof, die hen onafhankelijk maakt en waarlijk vrij. Het klinkt ook alsof deze gelovigen zich vrij menen te hebben gemaakt, en nu niet meer gebonden zijn aan iets. Maar is wie wijs is vrij, in de zin van dat hij niet meer gebonden is aan waarover hij wijsheid heeft, en erboven staat. Prediker zei: Wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart. Betekent wijsheid niet in plaats van onafhankelijkheid juist verantwoordelijkheid, en dus ook lijden? Verantwoordelijkheid in eerste instantie voor wat je weet. Want je kunt niet meer zeggen dat je het niet wist. Betekent kennis van het geloof niet dat je veel duidelijker ziet waar het leven knelt? Betekent kennis van het geloof niet dat je je eigen onvermogen ziet? Betekent kennis van het geloof niet dat je juist met onopgeloste vragen zit, en dat je het juist allemaal niet zo zeker weet.

Juist in onze houding naar Paulus bemerk ik wel eens een zeker superioriteitsgevoel. Omdat we nu wel beter weten, het niet meer van deze tijd is, of te radicaal. Ik hoop in de overwegingen over deze brief u een beetje meegenomen te hebben in hoe je ook naar Paulus kan kijken, want uiteindelijk wil Paulus ons niet beschamen, maar als een liefhebbende vader zijn voor de kerk.

Niet voor zijn kerk, maar voor de kerk. Dat is de kerk van Christus. En dat brengt ons weer terug naar die verdeeldheid die hij ziet. Het zou ook een mooi Nederlands verhaal zijn van voor elke tien Nederlanders elf kerken. Of: 1 Nederlander een gelovige, 2 Nederlanders een kerk, 3 Nederlanders een scheuring. We staan nu voor de uitdaging in onze nieuwe Protestantse Kerk om bruggen te slaan tussen onze gemeenten. En dat niet alleen tussen hervormden en gereformeerden en luthersen, maar ook onderling. We zijn geroepen om verbondenheid te zoeken met andere gemeenten. Niet om in elkaar op te gaan, maar wel om niet gescheiden te leven. Dat begint bijvoorbeeld al bij de predikanten. De predikanten van ’s Gravenmoer tot aan Doeveren komen samen in de zogeheten werkgemeenschap De Langstraat. Ik mag voorzitter daarvan zijn. En vanuit onze landelijke kerk worden we aangespoord om na te denken over teamvorming. En misschien voelt u dezelfde schrik die enkele predikanten ook om het hart sloeg. Moet ik in andere gemeenten gaan werken en anderen in de mijne? Hoezo ‘Ik ben van Apollos, en ik van Paulus’? Maar daar gaat het niet om. Het gaat er niet om dat alle predikanten overal inzetbaar moeten zijn op bijvoorbeeld een bepaalde specialisatie. Welnee. Het gaat er toch ook niet om dat alle gelovigen zich in alle kerken moeten thuisvoelen? Waar het wel om gaat is dat we elkaar niet mijden en op zoek gaan naar de meerwaarde van het samen kerk zijn. Het gaat niet om specialisatie van predikanten, maar wel om differentiatie. Waar een bepaalde predikant goed in is, kan ook ten dienste staan van andere gemeenten. Niet om de werkdruk te verzwaren, maar wel om meer mensen ervan laten profiteren. Maar een van de predikanten verwoordde het zo: tja, we zijn natuurlijk gewend geraakt aan ons eigen koninkrijkje, en om daarin alles te doen. En, zo herder, zo gemeente. Ook als gemeenten zijn we geneigd op ons eigen koninkrijkje te passen en dat af te schermen. Geen invloeden van buiten. Maar zo kunnen we geen gemeente van Christus zijn, die zijn kerk zegent met een variëteit aan gaven en uitingen. We hoeven niet alles samen te doen en we hoeven niet eens extra dingen te doen, maar in de som van onze gemeenten beleven we meer van de kerk van Christus dan in alle afzonderlijke gemeenten bij elkaar. En daartoe zijn wij geroepen. Dus we kunnen nimmer spreken over concurrentie tussen gemeenten en over concurrerende activiteiten, zoals nu wel eens wordt gedaan. Dat is uit den boze in de ene kerk van Christus. Alsof de ene hand van het ene lichaam misgrijpt naar wat de andere hand pakt. Zijn zij elkaars concurrenten?

Evenzo geldt dat voor de oecumene. Wie mijn bevestiging meemaakte weet dat ik me verbonden voel met de wereldkerk, getuige de voorgangers uit de verschillende andere kerken. We stonden deze week in de Waalwijkse Raad van Kerken voor de vraag wat nu te doen, nu de oecumene nauwelijks meer vorm krijgt. Omdat ik het onvoorstelbaar vind dat we de roeping van onze Heer ‘Opdat zij allen één zijn’ naast ons neerleggen, ben ik deze week ook hiervan voorzitter geworden. Wanneer we geen boodschap meer aan elkaar zouden hebben, dan zouden we de ene kerk van Christus geweld aan doen, en daarmee Christus zelf. Hoezeer wij als protestanten onderling nog verdeeld zijn, en hoezeer de rooms-katholieken dat ook zijn.

U begrijpt dat ik met deze voorbeelden wil aangeven dat de kerk, en onze gemeente als een stukje daarvan, niet van ons is, maar van Christus. Paulus zegt niet voor niets: ‘Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken.’ Dat lijkt onze vrijheid aan te tasten. Het klinkt toch wel mooi als je door gelovige wijsheid weet hoe de wereld in elkaar steekt en erboven staat? Maar wat beeld je je dat in? ‘Houd u aan wat geschreven staat’ zegt Paulus. Dus al die voorschriften die we in Exodus en in Bergrede lezen blijven belangrijk. Ook in de radicaliteit van de Bergrede? Jazeker wel. We lezen in de Bergrede stukken waarin Jezus de voorschriften van de Thora aanscherpt. Hoe is daarin vrijheid te vinden; het klinkt allemaal zo strikt?

Waar het om gaat is dat tegenover dat koningschap van mensen Paulus de kwetsbaarheid van de apostelen zet als datgene waarin hij een voorbeeld wil zijn. Kwetsbaarheid is onze kracht; en in kwetsbaarheid is een nieuwe vrijheid te vinden. Jezus voorschrift over het liefhebben van je vijand is er zo één. Juist door te beseffen dat je het leven niet in handen hebt, vind je een nieuwe vrijheid. Dat je het leven niet in handen hebt is pijnlijk, en kan leiden tot pijnlijke ervaringen. Maar de weg naar de vrijheid is er niet een langs de overwinning, maar door het lijden heen. De radicaliteit die Jezus tentoonspreidt, maar die je ook aantreft bij Paulus, is geen fundamentalisme dat andere mensen veroordeelt of knecht, maar een nieuwe radicaliteit die ons strak houdt, die ons op de weg houdt naar de vrijheid. De reden voor Jezus om de regels van de Thora aan te scherpen is niet dat hij het mensen moeilijker wil maken, of macht over ze wil hebben, maar om ze af te houden van pogingen om het op een akkoordje te gooien met een bepaald voorschrift. Dat we het niet zo nauw moeten nemen. Nee, dat moeten we wel. Niet vanuit een oud moreel superioriteitsidee, met hoge standaarden waar niemand aan kan voldoen, en dus ook niet aan voldoet en dat goedpraat. Maar vanuit een nieuwe radicaliteit, door het lijden heen, niet om elkaar te oordelen of te veroordelen, maar elkaar bij te staan in ons lijden. Dan vinden we vrijheid, die geen koningschap ons geven kan. Dan vinden we rijkdom, die geen geld ons geven kan. Dan vinden we liefde, die geen overwinning op anderen of onszelf ons geven kan. Houd u aan wat geschreven staat, zegt Paulus die over de liefde schreef:

1 Al sprak ik de talen van alle mensen en die van de engelen – had ik de liefde niet, ik zou niet meer zijn dan een dreunende gong of een schelle cimbaal. 2 Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. 3 Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven, al gaf ik mijn lichaam prijs en kon ik daar trots op zijn – had ik de liefde niet, het zou mij niet baten.
4 De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. 5 Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, 6 ze verheugt zich niet over het onrecht maar vindt vreugde in de waarheid. 7 Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze.
8 De liefde zal nooit vergaan. Profetieën zullen verdwijnen, klanktaal zal verstommen, kennis verloren gaan – 9 want ons kennen schiet tekort en ons profeteren is beperkt. 10 Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. 11 Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten. 12 Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. 13 Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.

zondag 6 februari 2011

'Je bent van Mij'

Tekst: Jesaja 43: 1-13a, Matteüs 5: 13-16 en 1 Korinthiërs 3: 9b-17

In de afgelopen week sprak ik iemand die tegen me zei: ‘Ik hou niet zo van Paulus, maar zoals jij het uitlegde kon ik er wel wat mee.’ Dat is fijn om te horen, vooral omdat het weer een uitdaging geeft om ook met de tekst van vandaag aan de slag te gaan. En ik hield die opmerking daarbij in mijn achterhoofd: ik hou niet zo van Paulus. En ik denk dat meerderen van ons dat in meerdere of mindere mate zullen meezeggen. Paulus is geen topfavoriet, niet in hoe hij in zijn geloof staat, en niet hoe hij in het leven staat. Waar zou dat door komen? Ik denk, met de tekst van vandaag in de hand, dat dat zou kunnen komen omdat hij ons soms wat fundamentalistisch in de oren klinkt. Ook vandaag spreekt hij over het fundament van ons geloof – Jezus Christus zelf, zegt hij. Maar hij spreekt daarbij op een toon dat hij van geen wijken lijkt te weten: hij heeft als ‘kundige bouwmeester’ dat fundament gelegd. Maar doen we daarmee Paulus recht? Waar gaat het hem om?

Allereerst valt op dat hij zich weliswaar een kundig bouwmeester noemt, maar daaraan gaat vooraf dat hij dat een taak noemt, die God hem, staat er, uit genade heeft opgelegd. Als je wilt begrijpen wat hij daarmee bedoelt moet je terug naar hoofdstuk 2, waar hij zegt: “2:1 Broeders en zusters, toen ik bij u kwam om u het geheim van Christus te verkondigen, beschikte ook ik niet over uitzonderlijke welsprekendheid of wijsheid. […] Bovendien kwam ik bij u in al mijn zwakheid en was ik angstig en onzeker. De boodschap die ik verkondigde overtuigde niet door wijsheid, maar bewees zich door de kracht van de Geest.” Naar mijn overtuiging is hier niet iemand aan het woord die zich het gezag van God aanmatigt, maar is hier iemand aan het woord die zijns ondanks woorden spreekt die hemzelf overstijgen. En iedere verkondiger mag om die reden bescheiden zijn.

En de enige manier waarop Paulus of elke andere verkondiger dat kan doen, is door te bouwen op het fundament dat Jezus Christus zelf is. Dat Paulus daar zo op hamert, is niet omdat hij wil dat iedereen hem daarin volgt. Juist niet. Wie in een bijbel mee kan lezen in hoofdstuk 3 ziet dat onze tekst is ingeklemd tussen het begin en het eind van een betoog van Paulus waarin hij beschrijft hoe de gelovigen in Korinthe verdeeld zijn. En dat de één de ene verkondiger aanhangt en de ander de andere. De één zegt: ik ben van Apollos, en de ander: en ik van Paulus. Hij eindigt dat betoog in vers 21 met: “3:21 Niemand van u moet zich daarom laten voorstaan op een ander mens, want álles is van u; of het nu Paulus, Apollos of Kefas is, de wereld, leven of dood, heden of toekomst – alles is van ú. Maar u bent van Christus en Christus is van God.”

Laat voor nu in ieder geval duidelijk zijn dat Paulus niet fundamentalistisch is in die zin dat hij zich een goddelijk gezag aanmatigt en weet wat juist is. Nee, hij wil geen volgelingen van hemzelf. Sterker nog, hij wil iedereen opheffen tot zijn eigen positie. Hij wil niet tussen Christus en de gelovigen in staan. Tegenover zijn bescheidenheid naar hemzelf toe, zit een enorme drive om anderen even dicht bij dat fundament te brengen. En misschien ligt daar wel onze gevoeligheid nog meer. De woorden: alles is van ú, klinken ook een beetje pushend. Alsof we voor de leeuwen worden geworpen, ook moeten weten wat en hoe we kunnen geloven, ja sterker nog: daar iets over zouden moeten kunnen zeggen. En daar zijn we in onze tijd best verlegen in geworden. Hoe vaak praten we over ons geloof, en dan ook nog eens tegen vreemden? Niet meteen op de hoek van de straat, maar gewoon over de schutting met de buren, of met vrienden en kennissen? Dit bedoel ik niet oordelend, maar wel constateer ik een zekere verlegenheid; we durven niet zo goed meer, en volgen liever mensen die het wel goed weten te verwoorden. Alsof zij het allemaal zo zeker weten…

En toch ook: wat Paulus zegt klinkt ook weer een beetje claimend, want, zegt Paulus in het vervolg: ‘álles is van u, maar u bent van Christus.’ Het zijn woorden die ook klinken in de profetie van Jesaja. Daar zegt de Heer: “Je bent van mij!” En later nog eens een schepje er bovenop: “Ik, ík ben de Heer.” In het doopgesprek vielen we over die laatste zin, omdat hij zo stellig klinkt: “Ik, ík ben de Heer.” Daarom lezen we ook het stuk ervoor, vanaf vers 1. En als je het daarin leest, dan klinkt het juist mooi: ‘Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!’ Een mooie dooptekst. Hier klinkt het helemaal niet zo claimend: ‘je bent van mij!’ Want: “Moet je door het water gaan – ik ben bij je; of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.” Dat is de doop. En meer nog: “Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren, de vlammen zullen je niet verschroeien.”

Dat verbindt zich mooi met wat Paulus zegt over het vuur. Hij spreekt over hoe mensen bouwen op het fundament, en hoe het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is. Dit klinkt weer heel oordelend, maar dat zijn weer onze oren en niet de woorden van Paulus. Als Paulus zegt dat de één met goud, zilver en edelstenen bouwt en de ander met hout, hooi of stro, en dat het vuur zal bepalen welk bouwwerk het meeste waard is, dan is het heel logisch om te denken dat dus het bouwwerk van hout, hooi of stro wel zal branden. Maar dat is wereldse wijsheid, en zo redeneert Paulus niet. Paulus zegt telkens in deze hoofdstukken dat wat wijs is voor de wereld dwaas is voor God en andersom. Anders gezegd: we kunnen niet zeggen welk bouwwerk beter is – dan gaan we weer zeggen: ik ben van Apollos, en ik van Paulus – maar welk bouwwerk beter is kan enkel dat vuur laten zien, want het oordeel, de beoordeling is aan God.

En hoe is die beoordeling: met vuur. Maar, let wel: Paulus zegt: “Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen.” Vuur is in de bijbel geen symbool van de dood, maar van loutering. Net als het water van de doop, iets waar je doorheen gaat om er nieuw uit te komen. Vuur kan zuiveren, net zoals je iets kunt steriliseren in vuur, of in nog hogere warmte.

In plaats van een oordelend en afkeurend karakter is dat vuur dus bedoeld als redding. En zo zijn beide teksten bedoeld: niet om ons fundamentalistisch in een hokje te plaatsen, maar om onze redding te laten zien. ‘Je bent van mij’ is niet claimend en pushend, maar liefdevol bedoeld. Als de ene geliefde tegen de andere zegt: ‘Je bent van mij’, dan klinkt dat in de oren van de wereld misschien als claimend, maar in de oren van de liefde klinkt het anders: als een geliefde zegt ‘je bent van mij’ dan bedoelt die geliefde ermee dat zij voor haar geliefde in staat. Dat als anderen aan haar geliefde komen, zij aan haar komen. Dat zij er altijd zal zijn voor haar geliefde. Daarom zegt de Heer: “Want ik, de Heer, ben je God, de heilige van Israël, je redder. Voor jou geef ik Egypte als losgeld, Nubië en Seba ruil ik tegen jou. Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en ik hou zoveel van je, dat ik de mensheid geef in ruil voor jou, ja alle volken om jou te behouden. Wees niet bang, want ik ben bij je.”

Dat is de betekenis ervan als God spreekt in Jesaja: “Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!” En: “Ik, ík ben de Heer.” En daarom is het zo mooi als we, in al onze verlegenheid, kunnen zeggen: “Ja, ik ben van u.” Er is er maar Eén waarop we werkelijk kunnen bouwen, die onze redding is, en dat is de Bron, het fundament, degene die ons geschapen heeft, gemaakt en gevormd, zo zegt vers 7, en dat is: God. Als we vandaag Eva, wat een mooie naam dan ook, dopen, en het leven daarmee vieren, en haar ouders verwelkomen in onze gemeente, dan mogen we alle verlegenheid van ons afgooien. Het gaat er niet om dat je het even mooi weet te zeggen als een ander, of even gelovig bent als een ander; niemand staat tussen jou en Jezus in. En Hij is je redding, hij staat voor je in, hij houdt van je, en in die zin: je bent van Hem. Weet je geborgen.

En durf van daaruit er ook uit te leven, in woord of daad, op jouw manier. Wees het zout van de aarde, zoals Jezus zegt. Het is een tekst die verbonden is met het doopritueel zoals dat in de rooms-katholieke traditie gebeurt, wanneer een kind ook zout op de lippen krijgt. Hier zeggen we het: dat Eva een meid mag zijn met pit, dat haar leven behoed blijft voor bederf; dat betekent dat ze kritisch durft te zijn en zich niet automatisch conformeert aan het gewenste gedrag en de gewenste mening. Zoals wij allemaal door God aangespoord worden in de woorden van Jezus het zout van de aarde te zijn. En het Licht dat jullie meekrijgen in de doopkaars is het licht dat alles met leven te maken heeft: met het uitbannen van duisternis en angst. Licht geeft zicht voor onderweg. En licht werkt ontmaskerend, niet alleen ’s ochtends voor de spiegel, maar ook in het leven waarin onrecht en leed wordt bedekt.

Dus: als Paulus een beetje pittig klinkt: terecht. En laten wij ook zo zijn: mensen met pit, niet bedoeld als gedreven door een wens om scheiding aan te brengen tussen mensen en tegen elkaar op te bieden, maar gedreven door de Geest die ons brengt bij Jezus die zegt: wees het Licht voor de wereld, breng elkaar aan het licht, vertroebel niet, verduister niet. Dan ben je een tempel van God, en zul je zien en laten zien dat de Geest in ons midden woont. We hoeven niet verlegen te zijn, want het is God die onze redding is, die ons wast door het water en zuivert door het vuur. En wij: wij zijn zijn getuigen.

zondag 30 januari 2011

Hoe vind je wat je zoekt?

Tekst: Sefanja 2:3 en 3: 9-13, Mattheüs 4:24-5:12 en 1 Korinthiërs 2: 6-16

‘Zoek de Heer’. Daar beginnen de lezingen vandaag mee.
‘Zoek de Heer’.
Nadat we vorige week door Paulus in hoofdstuk 1 werden aangespoord om na te denken over onze roeping, gaan we nu de andere kant op en staan we stil bij hoe we God kunnen zoeken.

Hoe zoek je God? Dat is niet makkelijk, want in deze wereld lijkt Hij vaak niet te vinden. God is niet iets of Iemand die uit deze wereld opkomt. En hoe moet je iets vinden als je niet weet wat je zoekt? Je kunt wel geloven dat er iets is, maar hoe weet je nu wat dat iets dan is? Hoe verkrijg je de wijsheid om te weten wat dat iets dan is? Hoe verwerf je de kennis om God te kennen?

Laat ik het ook eens andersom vragen: hoe leg je geloof uit aan iemand die er niets bij voelt? Hoe leg je uit dat dat verhaal van Jezus van Nazareth die gestorven is aan het kruis en is opgestaan jou zo raakt dat het je leven zin geeft. En meer nog: hoe leg je uit dat de God van wie Jezus getuigt, bestáát? Hoe leg je uit dat waar je in gelooft werkelijkheid is? En niet zomaar een mooi verhaal? En dan gaat het mij nog niet eens zozeer om wat je gelooft, maar dat je het gelooft, en dat het voor jou werkelijkheid is. Hoe leg je dat uit aan iemand die er niets bij voelt?

Als gelovige kun je ervaren dat je bij anderen op een muur botst als het gaat om geloof. En dat heeft dan niet eens zozeer te maken met onwil of met het ontbreken van tolerantie. Het heeft te maken met onbegrip. Dat anderen zich niet kunnen voorstellen dat je dat gelooft. Wanneer je daar gevoelig voor bent kan het geloof erg ongeloofwaardig voelen. En toch, je gelooft het, maar hoe laat je dat een ander nu kennen?

Het is daarom dat wij als gemeenten geloven dat het zin heeft om missionaire jongerendiensten te organiseren, zoals vanavond. De teksten die vanavond gezongen worden raken aan die thema’s die bij ons in de kerk aan de orde komen. Ze hebben als het ware een brugfunctie om vanuit het gevoel van die teksten door te gaan op het verhaal van ons geloof. Daarmee hopen we mensen in hun gevoel te bereiken die anders niet zouden begrijpen waar het in het geloof nu om gaat.

Want leren geloven is niet makkelijk als je van buiten komt. Het doet heel vreemd aan. En dan niet zozeer om onze vormen van liturgie of van ons taalgebruik. Maar het geloof doet heel vreemd aan als het gaat om hoe we in de wereld staan. De bergrede waar we net uit lazen is zo’n voorbeeld. Gelukkig de treurenden, want zij zullen getroost worden. Gelukkig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden… Als je dat toch leest als buitenstaander, dan denk je toch: droom lekker verder. Zo zit de wereld niet in elkaar. En als je even later Jezus hoort zeggen dat je je vijanden moet liefhebben en moet bidden voor wie je vervolgen, en dat je je andere wang moet toekeren als je geslagen wordt; dan voel je toch zelf al enige vervreemding, laat staan als iemand dit hoort die volstrekt onbekend is met het geloof. Mooie dromen, maar dat is toch geen werkelijkheid?

De wijsheid die achter dit soort geloofsuitspraken zit klinkt dan ook vaak nogal dwaas in de oren van de wereld. Wie durft er nu de treurenden te feliciteren omdat ze getroost worden? Wie haalt het in zijn hoofd zijn andere wang toe te keren? De logica van het geloof is niet de logica van de wereld. In de logica van het geloof zijn de laatsten de eersten, en wordt het zwakke sterk en het dwaze wijs.

Hoe kun je in de wereld waarin geloof dwaasheid is God leren kennen? Voor Paulus is dat de centrale vraag. En hij heeft daar een heel concreet beeld bij: het kruis van Christus. In de ogen van de wereld is het kruis het symbool van mislukking en vernedering. Wie zo gestraft wordt is alle waardigheid ontnomen. En zo iemand dan ook nog koning noemen is dan natuurlijk helemaal dwaasheid. Maar niet voor Paulus. Voor hem is het een overwinningssymbool. Ja, niet het kruis op zich natuurlijk, dat is inderdaad een vreselijke dood geweest, maar de uitwerking ervan werd redding in plaats van ondergang. Het is de wereld op zijn kop.

Maar hoe begrijp je dat? Hoe kun je in godesnaam begrijpen wat in het geloof allemaal wordt omgekeerd, wat zo dwaas, onlogisch klinkt? Paulus zegt dat we dat niet uit onszelf kunnen. Hij zegt: jij bent toch de enige die jezelf kunt kennen? Dan is God ook de enige die zichzelf kan kennen. Dus God is de enige die jou hem kan leren kennen. En hoe doet Hij dat? Met zijn Geest. Het is zijn Geest die je meeneemt in de zoektocht naar Hem. Daarom kun je Hem ook vinden zonder dat je weet wat je zoekt.

Dat klinkt alleen nog steeds erg ver weg. Misschien is het voorstelbaar te maken op deze manier. Hoe kun je een ander persoon leren kennen? Niet door alles over hem te weten te komen buiten hem of haar. Wel wanneer je in de ontmoeting met die persoon in de ban van hem of haar komt. Wanneer iemand je intrigreert, je nieuwsgierig maakt, je laat verlangen. Dan neemt die ander je in beslag, neemt die ander je mee, en zo leer je die ander kennen. En vaak begint dat niet bij onszelf. Er moet iets in die ander zijn dat iets wakker roept in ons, ons raakt. Wanneer er geen klik is zal het niet lukken.

Zo is het ook met God. Er is iets in God dat mensen in beslag neemt, meeneemt, en dat noemen we de Geest. Als mensen enthousiast zijn, dan zijn ze letterlijk in-God. Dat betekent enthousiasme. Of wanneer mensen geïnspireerd zijn, dan zijn ze letterlijk in-de-Geest, in Spirit. Het is Gods Geest die ervoor kan zorgen dat we Hem kennen. We hoeven dus ook geen halsbrekende toeren uit te halen om het geloof te bewijzen. Want het geloof is niet te bewijzen naar menselijke maatstaven. En iemand overtuigen in de rationele zin zal ook niet lukken. Jouw inspiratie kan wel andere mensen aansteken, en zo het onbegrijpelijke doen laten kennen. Want het is niet van deze wereld, zegt Paulus. Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefhebben, citeert hij.

Wanneer mensen het dwaas noemen om te geloven, en dat heb je misschien wel eens meegemaakt, dan is het belangrijk om deze moeilijke zin van Paulus tot je te nemen. Hij zegt in vers 14 en 15: Een mens die de Geest niet bezit, aanvaardt niet wat van de Geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid. Hij kan het ook niet begrijpen, omdat het geestelijk moet worden beoordeeld. Maar een mens die de Geest wel bezit, kan alles beoordelen, en zelf wordt hij door niemand beoordeeld. In deze zinnen zit nogal wat ruis waardoor we het gauw verkeerd verstaan. Gaat het hier nu over een oordeel, en hoezo kunnen gelovigen niet worden beoordeeld? Wat Paulus hier bedoeld is dit: wie gelooft hoeft zich niet te verantwoorden, dat wil zeggen, niet naar wereldse maatstaven. Want dat kan toch niet. Het is onverklaarbaar en onverstaanbaar voor wie de Geest niet bezit. Daarom zegt Paulus dat het gééstelijk moet worden beoordeeld. De nadruk ligt dus in de zin niet op beoordelen maar op het geestelijke. Pas als je voelt wat iemand beweegt kun je met hem of haar in gesprek en ook best kritische vragen stellen – er is dan een zekere geestelijke verbondenheid. Als iemand niet voelt wat een ander beweegt of begeestert en die dat maar belachelijk vindt, geeft die persoon wel een oordeel, maar hoeft die ander daar geen boodschap aan te hebben, want die kan er niets mee, net zoals diegene die het oordeel velt niets met het geloof kan. Snap je het verschil?

Laten we dus niet te gauw bang zijn dat het geloof niet overdraagbaar is aan mensen. Want het klopt dat wij dat niet kunnen. Het is wel mogelijk op een geestelijke manier. Dat betekent dat het van ons afstraalt, hopelijk ook nu en ook vanavond bij de Blofdienst, en als je iemand ontmoet die je naar je geloof vraagt. Het betekent ook dat in onze zoektocht naar God wij niet God actief aan het zoeken zijn, maar zoeken gegrepen te worden door Gods Geest. Dat is een fundamenteel andere houding. Ik kom zoveel mensen tegen die actief naar God aan het zoeken zijn en alles lezen wat los en vast zit. Nu is daar op zich niets mis mee, maar tussen de bladzijden door moet wel ruimte zijn om gegrepen te worden in plaats van om het in je greep te krijgen. Ik bedoel dit: ik kom mensen tegen die zeggen: Ik wil geloven in een God die zo en zo is, of: Dit of dat kan ik niet geloven. Natuurlijk is het goed om onze geloofsbeelden te blijven herijken, maar nooit naar onze maatstaven, maar naar geestelijke maatstaven. Want God is er, was er en zal er zijn. Hij zal zich vaak verbaasd hebben over de beelden die wij van Hem allemaal hebben en het is goed dat we blijven nadenken. Maar hoe meer zal hij zich verbazen over mensen dat ze niet willen dat iets waar is dat wel waar is. Het is niet aan ons om te bepalen wat we kunnen geloven, maar aan God. Anders definieer je je eigen godsdienst zonder God buiten je, en weet je eigenlijk niet meer wat je nog van hem kunt verwachten. Paulus zegt: God neemt je door zijn Geest in bezit en laat je zien wat je kunt geloven. En niet andersom: wij hoeven God niet te zeggen hoe Hij is, en hoe niet. Er staat immers geschreven, zegt Paulus: Wie kent de gedachten van de Heer, zodat wij hem zouden kunnen onderwijzen?’ Anders gezegd: God heeft geen instructeurs nodig.

Wanneer we aangeraakt worden door Gods Geest, blijkt geloof geloofwaardig, zullen we de diepten van God leren kennen, leren voelen, en zal het van ons afstralen naar wie er open voor staan, en hoeven we niet te vrezen voor het oordeel van wie het niet begrijpen. Want wat geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, dat heeft God bestemd voor wie hem liefhebben.

zondag 23 januari 2011

Denk eens na over uw roeping

Tekst: Jesaja 49: 1-7, Mattheus 4: 12-22 en 1 Korinthiërs 1:26-2:5

‘Denk eens aan uw roeping, broeders en zusters’. Dat is de opdracht die de lezing uit de brief van Paulus aan de inwoners van Korinthe vandaag ook aan ons geeft. Denk eens na over uw roeping. Maar dat is niet makkelijk, want weten we eigenlijk nog wat daarmee bedoeld was, met roeping? Is roeping iets wat ons allemaal aangaat, of is roeping enkel iets voor ambtsdragers, in het bijzonder voor predikanten en priesters? Dat laatste zou je gauw denken, want dat is eigenlijk het enige waar we de term roeping nog bij gebruiken. En misschien ook wel bij sommige leiders, die met een zekere zelfopoffering zich geroepen voelen om een volk te dienen. Roeping klinkt heel groot, en heel vergaand. Voor weinigen weggelegd, door velen vermeden. Verhalen klinken misschien door van profeten die door God geroepen werden en die zich daar heftig tegen verzetten. Roeping lijkt iets heiligs te hebben. En de lezing uit het Evangelie draagt daar misschien ook aan bij, omdat deze vissers alles achterlieten toen ze geroepen werden door Jezus. Johannes en Jakobus lieten zelfs hun vader Zebedeüs achter. Maar als je bij Paulus leest, dan krijg je toch de indruk dat roeping iets is voor alle gelovigen. Sterker nog, dat het besef geroepen te zijn wezenlijk is voor de levenshouding van een christen. Hoe kan dat voor ons bestaan nog gelden?

Is het nog denkbaar dat we ons leven verstaan als een roeping? Hoe kijk je tegen datgene aan wat je doet, betaald en onbetaald, en hoe je je leven inricht? In veel gevallen zal er sprake zijn van een keuze. Een keuze om een opleiding te doen of een baan te nemen, maar ook een keuze om ergens te gaan wonen, een keuze voor een levensgezel en een keuze om kinderen te nemen. Of krijg je kinderen?.. In hoeverre wordt één van die keuzen geleid door een gevoel ertoe geroepen te zijn? Veelal is verstand toch ook bepalend voor een keuze. En komen overwegingen langs over carrièreperspectief, planning van het leven, en eigen wensen en verlangens. Is daarin plaats voor zoiets als roeping?

Als je geroepen wordt, hoor je de stem van een ander, en kun je al dan niet daarop reageren. Het geloof dat God mensen roept betekent dus dat God roept, en mensen daarop reageren, door die roepstem al dan niet te volgen. Dat betekent dus een houding van overgave richting God. Je stelt je daarmee afhankelijk op van God. We moeten dat echter niet meteen te zeer verbinden met beelden uit het Evangelie, dat Jezus mensen wegroept uit hun werk en hun familie, en dat roeping zou betekenen dat je alles ervoor moet opgeven. Het klopt alleen wel dat het een soort wegroepen is. Voor Paulus is dat een wegroepen uit het wereldse. Hij noemt in ons stuk uit de Korinthebrief een aantal maal de wereld, in wiens ogen diegene zwak en dwaas is die voor God sterk en wijs is. Letterlijk staat er dan een woord dat vlees betekent. God roept mensen weg van het vlees. Dat betekent niet dat Paulus hiermee al het lichamelijke veroordeelt. Hij bedoelt hiermee aan te geven dat de wereld vergankelijk is. En dat alles wat we in de wereld kunnen vergaren en najagen vergankelijk is. Paulus gaat het erom dat hij ons gelovigen richt op het onvergankelijke, datgene dat blijft. Het gaat dus niet om die baan of dat leven of die relatie op zich. Het gaat erom dat met het eventuele verdwijnen daarvan jijzelf niet verdwijnt. Dat je niet jezelf helemaal afhankelijk maakt van de vorm van je leven die je voor jezelf bedenkt en verwerft. Natuurlijk is het vreselijk als je je baan verliest, of een relatie, of een huis, of een bepaalde kring van mensen waar je je in begeeft; maar het zou nog veel erger zijn als er daarna niets van jou overblijft. Als je zo één bent geworden met wat je hebt en wat je doet, dat jijzelf net zo vergankelijk bent geworden als het leven dat je nastreeft. Begrijp Paulus goed, er zit geen oordeel in over een rijk en welvarend leven; er zit wel een roep in om je leven te richten naar het onvergankelijke. Dat geeft je leven richting.

En Paulus’ voornaamste argument daarvoor is het kruis waaraan Christus is gestorven. Dat kruis is voor Paulus het failliet van alle zelfingenomenheid en eigen gelijk van mensen. Dat kruis, zegt Paulus, is voor de Joden aanstootgevend en voor de niet-Joden dwaas. En het gaat hem met name om die laatsten. Wat voor de wereld dwaas is, is voor God wijs. In de ogen van de wereld is het kruis het failliet van Jezus. Het is Hem niet gelukt. Hij heeft de mensen niet kunnen overtuigen. Hij is ten onder gegaan aan zijn eigen idealisme. Einde verhaal. Voor christenen is het juist het begin van het verhaal. Dat kruis werd een overwinning. Met die kruisiging groef de wereld geen graf voor Christus, maar zijn eigen graf, voor al het leven in eigen hand nemen, voor al het zelf oordelen, voor al het zelf beter weten, met alle kwaad en geweld van dien.

Van hieruit zegt Paulus dat een gelovig leven in basis bestaat uit een je geroepen weten tot een onvergankelijk leven. Dat betekent vooral dat je gelovige leven niet geleid wordt door vergankelijke dingen, hoe belangrijk ze ook kunnen zijn. Het is belangrijk om een baan te vinden, een huis te vinden, een relatie te vinden en wat niet al, maar het is niet alles; in ieder geval niet de basis van je leven. In basis gaat het er eerst om: waar ben ik toe geroepen? En dan krijgen al die andere dingen daarin hun plek.

Nu klinkt die vraag ‘waar ben ik toe geroepen?’ misschien heel vaag. Ik wil proberen hem zo concreet mogelijk te maken. Een gevoel van roeping strijdt bijvoorbeeld met een overvolle agenda die jou regeert in plaats van andersom. Ik bedoel hier nu niet mee dat iedereen die een volle agenda heeft alles moet opzeggen, maar het gaat me om het gevoel daarbij. Als je van binnenuit meent dat je die agenda moet volgen – omdat je je daartoe geroepen voelt – is dat iets heel anders dan dat je vindt dat je dat nu eenmaal moet om redenen die buiten jou liggen – omdat anderen dat van je vragen, omdat het goed voor je carrière is, omdat je je wil bewijzen en dat soort redenen. Als die redenen geen interne motivatie hebben, als je niet van binnen voelt dat je dat zelf waardevol vindt om wie je bent, dan is het zo vergankelijk als wat en wordt je geleefd in plaats van dat je zelf leeft. Wanneer iets dus niet lukt vanwege een te volle agenda, is het dus een mooie testcase of die agenda aan jouw roeping voldoet. Wie de schuld aan de agenda geeft dat hij dingen die hij echt belangrijk vindt niet kan doen, moet zich afvragen of hij leeft volgens zijn roeping of volgens de wereld. Nu snap ik ook wel dat je niet altijd de vrijheid hebt om andere keuzen te maken, en de wereld is geen speeltuin, maar juist daarom is het zo belangrijk bij die roeping stil te staan. Niet om te kunnen doen waar je zin in hebt, maar wel om trouw te zijn aan de plaats die jij in de wereld hebt gekregen.

En daar komt God aan het licht. Hij is degene die je geschapen heeft en die je, volgens de mooie woorden van psalm 139, beter kent dan jij jezelf kent. Roeping gaat dus niet aan de ene kant over iets wat volstrekt niet bij je past en dat je dingen moet doen die je helemaal niet wilt, maar het gaat aan de andere kant ook niet over zomaar je eigen gang kunnen gaan. Roeping gaat allereerst om waarde hechten aan wat onvergankelijk is, en niet aan alles wat vergankelijk is. Dat is niet leidend, het onvergankelijke is leidend. Wilt u een heel concreet voorbeeld? Lees dan 1 Korinthiërs 13: Al sprak ik de talen.., al had ik de gave…, al bezat ik..., al verkocht ik…, al gaf ik…, had ik de liefde niet, het zou mij niet baten. […] Alles verdraagt ze, alles gelooft ze, alles hoopt ze, in alles volhardt ze. De liefde zal nooit vergaan.

Als roeping in eerste instantie gaat over waarde hechten aan het onvergankelijke, dan krijgt het vergankelijke vanzelf zijn plek. Waar je woont, wat je beroep is, of je kinderen zult krijgen. Maar het is leven in afhankelijkheid. Niet op de toon van ‘Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heren hand’. Dat is een mooi lied, maar wie de zinnen daarna leest zal ook aanvoelen dat daar zoveel meegaandheid in zit, dat elk initiatief van ons en elke eigen gedachte en worsteling bij onze roeping daar niet bij past. Het is daarom ook niet voor niets een lied dat op een sterfbed is geschreven. In ons leven zijn we natuurlijk initiatiefrijk en wachten we niet zomaar af. Dat bedoelt het geroepen zijn door God ook niet. Geroepen worden is actief luisteren, en acteren en reageren op wat het leven je brengt. En daarbij niet je plannen bij het leven centraal stellen, maar het leven zelf. Wat vraagt het leven van mij nu? Waar word ik toe geroepen mij voor in te zetten? Dat betekent niet al je schepen achter je verbranden, nee. Die twaalf apostelen en de eerste vissers in het bijzonder, waren allereerst de twaalf die door Jezus werden uitgekozen, en niet de enige twaalf die wilden. Nee, zij kregen een bijzondere taak, de rest niet. En bovendien, toen Jezus gestorven was hebben ze hun oude beroep weer opgepakt. Dus geroepen worden is niet je schepen achter je verbranden, ook niet uit een soort heiligheidsgevoel van alles opgeven. Nee, je hebt je verantwoordelijkheden, die hebben we allemaal, maar daar moet je juist vrede mee krijgen vanuit een besef waartoe je geroepen bent. En geloof me, voor ieder van u is er een roeping. God schrijft niemand af. Handel vanuit wat je waardevol vindt en wat kan. Dan volgt de rest van het leven uiteindelijk vanzelf. Vrede en rust vinden we niet in onafhankelijkheid, maar juist in afhankelijkheid; de basis van het vermogen om lief te hebben. ‘Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ikzelf gekend ben. Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.’