dinsdag 25 september 2012

Omarmd door de Vader -preek 23 september 2012





Uit de drukte van ons leven komen we hier in de kerk. Uit de drukte van ons leven, waarin we van alles moeten doen en kiezen, komen we hier in de kerk, om even geleid te worden. Het is eigenlijk een raar uurtje als je het zo bekijkt. Normaal bepalen we zelf wat we doen, of ondergaan we gelaten wat er moet gebeuren, maar hier kiezen we er even voor om zelf geleid te worden. De orde van dienst is voorgegeven. De liederen komen voort uit onze traditie. De lezingen komen van het leesrooster. En we zijn er stil van, of zingen mee, of bidden mee; we luisteren. En alles wat we doen, inclusief de overweging, komt voort uit die voorgegevenheden waar we ons aan overgeven. Omdat we geloven dat het zin heeft. Omdat we geloven dat buiten al onze eigen gedachten, drukte en afwegingen het zin heeft om even te luisteren naar de Bron van ons bestaan.

Dat is wat anders dan de leerlingen doen. Zij lopen Jezus achterna naar Kafarnaüm. Maar het is bepaald geen navolging van Jezus. Ze redetwisten met elkaar. Als Jezus dan vraagt waaróver ze redetwisten, dan zwijgen ze. Want het is niet bepaald verheffend waarover de leerlingen redetwisten. Ze hadden namelijk met elkaar ruzie gemaakt over wie de belangrijkste van hen was. Ze zwijgen erover, maar Jezus heeft wel door waar het over ging, en hij geeft antwoord. Hij plaatst een kind in hun midden en zegt: ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt mij niet op, maar hem die mij gezonden heeft.’

Om dit gedrag van de leerlingen nu af te doen als haantjesgedrag is te makkelijk. Het gaat dieper. Het gaat niet simpel om ego’s die met elkaar strijden, al gaat het wel om de ego’s. Het gaat er hier om dat de leerlingen kennelijk vanuit de overtuiging leven dat je zelf een plekje in de wereld moet veroveren. Desnoods ten koste van anderen. Dat laatste, daar zijn we het gauw over eens, kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Alhoewel, is het niet zo dat we ons eigen plekje moeten veroveren, en ja, dat er dus ook slachtoffers bij vallen als onbedoelde maar onvermijdelijke bijwerking?

De beide teksten van vandaag gaan tegen dat levensgevoel in. Ze spreken tegen dat je leven bedoeld is om tot jezelf veroordeeld te zijn. En dat je dus jezelf maar moet zien te redden, desnoods ten koste van anderen. En het gaat er daarbij pas in tweede instantie om dat anderen daar slachtoffer van worden. Het gaat er allereerst om dat God ons niet het leven heeft gegeven om tot onszelf veroordeeld te zijn. Maar dat is niet wat veel mensen voelen in deze tijd. De jongste generatie is volgens onderzoek opgevoed in vrijheid en voorspoed. Fantastisch natuurlijk. Wie wil dat nou niet? Maar de keerzijde ervan is dat er geen stop op deze generatie zit. Ze wordt door onderzoekers de grenzeloze generatie genoemd. Alles kan, alles mag en niets heeft consequenties. Hun ouders leven vanuit het idee dat ze voor altijd jong blijven, en dat dus alles mogelijk is, als je maar wil. De andere kant van de medaille van deze onbegrensde mogelijkheden is dat je wel erg op jezelf bent aangewezen. En wat als je dat niet lukt? Nee sterker nog, onderzoek onder deze jongeren wijst uit dat de samenleving weliswaar helemaal erop is ingericht grenzeloze mogelijkheden te bieden aan mensen die zichzelf kunnen redden, maar dat de helft van de jongeren daarin niet mee kan. Terwijl alles in werk en inkomen gericht wordt op vrijheid en flexibiliteit, is er geen plaats voor mensen die gewoon structuur nodig hebben, grenzen. Ook om ervoor te zorgen dat als er mensen buiten de boot vallen, zij niet op zichzelf aangewezen zijn. Maar wie neemt er verantwoordelijkheid voor anderen, als mensen niet eens verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf?

Wat ik hier zeg is niet extreem, helaas. Maar het is ook geen veroordeling. Kijk maar naar Jezus’ reactie op het twistgesprek tussen de leerlingen om wie de belangrijkste is. Jezus pakte een kind op en zette het in het midden neer. En dan, staat er, sloeg Hij zijn arm eromheen… In vergelijkbare verhalen in Matteüs en Lukas doet Jezus dat niet. Hier bij het oerverhaal van Marcus wel. Deze kinderknuffel is de reactie van Jezus op de ambitie van de leerlingen om groot te zijn. En het moet welhaast een peuter zijn geweest of in ieder geval een jong kind, want hoe snel weren we een omhelzing van een volwassene al af, omdat het niet stoer is. We willen onszelf profileren, we willen ‘ik’ zijn. En we profileren onszelf in wat in plaats van een economie een egonomie wordt genoemd, met mooie profielen op sociale media, waarin we aan iedereen die het wil weten willen laten zien hoe goed we het voor elkaar hebben. Ja, ik ben echt niet blind voor de keerzijde, hoezeer ik er zelf in actief ben.

Hou me ten goede, het is niet slecht om jezelf te ontwikkelen. Daarin kom je als kind van God tot je recht. Een zeker individualisme bevrijdt ons van de te strakke grenzen die een gemeenschap kan opleggen. Maar laten we met het badwater het kind niet weggooien. In de omarming van dit kind nodigt Jezus ons uit om ons over te geven aan hem. Geloof je werkelijk dat alles van jezelf moet komen? Arm kind toch. Dat hoeft toch niet? Echt niet? Nee, natuurlijk niet. Je bent een kind van God en dat zul je altijd blijven. En een kind gedijt het best bij grenzen. Niet omwille van de ouders, maar omwille van het kind.

En in Deuteronomium stelt God duidelijke grenzen. De tekst klinkt ons, geïndividualiseerde mensen, erg beknellend in de oren. We maken zelf wel uit wat goed is. En wie is dat voor een God, dat Hij ons zoveel grenzen en geboden oplegt? Het antwoord is heel simpel: die God is je Vader. En hoe je het ook wendt of keert, Hij is en blijft je Vader. Je kunt je Vader nooit inwisselen. Ga zo met deze tekst om. Niet als een woord van iemand die jou in zijn kamp wil krijgen en haatdragend is tegenover het vijandige kamp, maar als een woord van een omhelzende Vader. En je hebt maar één Vader, sterker nog: er is maar één Vader. Onvervangbaar. Wat iemand anders ook zegt, en hoe mooi hij het ook voordoet; wanneer iemand zichzelf op de voorgrond zet met mooie praat waarin the sky the limit is, en hij wil je meekrijgen, bedenk dan dat iemand nooit je Vader kan vervangen. Dat is de vertaling van dit Bijbelstukje in onze tijd. Ja, onze God is een jaloers God, maar zou je dat als moeder en vader niet zijn als je kind een andere vader of moeder denkt te hebben gevonden? En is dat dan egoïsme? Nee, natuurlijk niet. Het gaat om het kind.

De omhelzing van het kind door Jezus is een uitnodiging aan ons om ons over te geven. Het is een omhelzing van Onze Vader. Jezus zegt: ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.’ We zijn niet tot onszelf veroordeelt, maar laten we daar dan ook niet teveel heil van verwachten. Het is goed jezelf te ontwikkelen, ook in je individuele persoonlijkheid, maar vergeet niet waar je vandaan komt. Ervaar het niet als een beklemmende omhelzing van God, dat Hij grenzen en richtlijnen stelt, maar ervaar die omhelzing als een kind, van God. Deze richtlijnen zijn wegen, die verder lopen dan de wegen die we zelf bedenken, en die dood lopen. Wat blijft er dan aan vrijheid over? Een heleboel, want een goede Vader laat zijn kinderen uitvliegen, zijn eigen successen boeken, maar ook zijn eigen fouten maken. Denk wat dat betreft aan het beeld van de Vader in de gelijkenis van de verloren zoon. Eén zoon bleef dicht bij zijn vader, de ander vloog uit en verbraste alles. Maar hij werd thuis door zijn Vader met open armen ontvangen.

Zo zijn wij kerk. Niet van eigen individuele regels en voorkeuren, maar samen, in de naam van Jezus. Niemand is boven een ander gesteld, en de ambtsdragers zeker niet. Zij zijn dienaars, van het Woord, van de gemeenschap, of van de Tafel, waaraan wij delen om uit te delen. Geven wij onze individualiteit daarmee op? Nee, wij geven ons over, en zeggen even, dit uurtje of misschien nog wel meer momenten in de week: dit is mijn leven, God, omarm het met uw zegen. Zonder dat kunnen we niet. Dan worden we gedragen door Zijn zegen, en zullen we tot zegen zijn in de wereld.

dinsdag 18 september 2012

Energie voor vrede - overweging in de vredesweek 2012


Dit jaar is het thema van de Vredesweek Energie voor vrede. Dit jaar wordt onze aandacht gevraagd voor hoe grondstoffen grond kunnen zijn tot conflicten. En we willen nadenken over hoe deze juist bron van vrede kunnen zijn.

We weten allemaal hoe belangrijk het is dat mensen voldoende te eten en te drinken hebben. Dat zijn de grondstoffen die we nodig hebben om te leven. Zonder voldoende voedsel en drinkwater kun je erop wachten dat er conflicten uitbreken vanwege schaarste.

Maar overvloed kan eveneens een bron tot conflict zijn, namelijk als de overvloed op de ene plaats gewild is op een andere plaats waar er schaarste is. Dan wordt de overvloed op de ene plek een heel waardevol bezit. Ook daar kun je wachten op conflicten tussen mensen die de macht willen krijgen over dat waardevolle bezit.

De overeenkomst tussen deze twee voorbeelden van schaarste en overvloed is dus dat mensen strijden om dat wat heel veel waard is en gewild is in de wereld.

We focussen ons vanavond op grondstoffen die veel waard zijn in de wereld, waar veel vraag naar is in de wereld, maar die een bron tot conflict zijn op de plek waar deze stoffen in de grond zitten. Aan welke kant staan wij in dit verhaal? Wij staan aan de vragende kant. Wij hebben die grondstoffen nodig voor de producten die wij willen kopen en de levenswijze die wij erop na willen houden.

Het bekendste voorbeeld is natuurlijk olie, dat slechts op bepaalde plekken in de wereld te vinden is, maar overal in de wereld nodig is om economie en ons in beweging te houden. En dan gaat het ons nu niet om de vraag of de grootmachten van deze wereld ingrijpen in bepaalde gebieden omdat ze ook belang hebben bij de olie die er wordt gewonnen. Het gaat ons erom dat intern in deze gebieden de aanwezigheid van olie bron kan zijn tot conflict tussen mensen. En dat geldt niet alleen voor olie. Dat geldt ook voor bepaalde metalen die nodig zijn voor de accu’s van onze mobieltjes en van de nieuwe elektrische auto’s. En het geldt voor steenkool, dat gebruikt wordt voor de opwekking van onze elektriciteit. En vergeet ook de edelmetalen niet als goud. Of edelstenen als diamanten, waarvan de mijnen plaatsen van conflicten zijn.

Dat deze conflicten uitbreken is toch eigenlijk vreselijk zonde. En dan doel ik nog niet eens op het kwaad op zich, maar op het feit dat deze grondstoffen toch eigenlijk gratis rijkdommen zijn, bodemschatten worden ze terecht genoemd, waarmee landen zich juist zouden kunnen ontwikkelen. Dankzij die bodemschatten zouden landen zich zo kunnen ontwikkelen dat kinderen naar school zouden kunnen gaan en mensen de mogelijkheid zouden kunnen krijgen  om zich te ontplooien. Het is toch eeuwig zonde dat behalve schaarste, ook overvloed, dat behalve armoede, ook rijkdom, bron tot conflict is. Het is toch zonde dat van de opbrengsten van deze grondstoffen in conflictgebieden in plaats van eten, kleding, onderwijs en gezondheidszorg, wapens worden gekocht om de grondstoffen te verdedigen of nog meer te bemachtigen?

Gaan wij helemaal aan deze schuld voorbij? Niet helemaal. Hoezeer wij ook weinig aandeel hebben in de keuzen die de krijgsheren en de multinationals maken, doordat we mee profiteren van de grondstoffen worden we wel medeplichtig. Dat is heel moeilijk, want probeer er maar eens wat aan te doen. Je kunt een bank kiezen die niet investeert in conflictgebieden, overstappen op groene stroom in plaats van stroom uit kolen, maar daar houdt het wel zo’n beetje mee op? En, los van het milieuaspect, zit het hem niet in de grondstoffen zelf, maar in het systeem eromheen, of de chaos die door conflicten wordt gecreëerd.

Maar we kunnen ons wel ervan bewust worden en langzaam het tij keren, waar we mensen die er wel wat aan kunnen doen kunnen bewegen om hun energie in vrede te steken, en niet hun winst uit conflicten te halen. Daarom is het vredeswerk ook zinnig om te steunen. We kunnen en hoeven het niet alleen te doen. Laten we ons ervoor inzetten dat we wijs omgaan met onze rijkdommen, en dat het ten goede komt aan mensen.

Het boek Job is op zoek naar die wijsheid. Job ziet de mens zoeken naar bodemschatten, naar rijkdom. Maar, zegt hij: waar is de wijsheid te vinden? Waar moet je die zoeken? Wijsheid staat, als ik het heel kort zeg, voor de geestkracht van God. Vrouwe wijsheid, een vrouwelijk beeld, is het beeld voor de Geest van God, die in het Oude Testament ook vrouwelijk is. Zonder de wijsheid, zonder de Geest is er niets. Het is de Geest die over de oervloed zweefde. Die maakte de wereld zinvol. Die maakte dat de wereld meer was dan een hoop materie. De Geest schiep er orde in. En zo kreeg alles een zin, een doel. Daarom geloven we dat het leven niet te vinden is in grondstoffen op zich, want we zien hoeveel conflicten erdoor kunnen ontstaan. Er is wijsheid voor nodig om ze goed te benutten. En dán, en alleen dán, kunnen mensen er werkelijk een goed leven door krijgen.

En die wijsheid, die is bij God te vinden. En daarom zijn we dus ook hier. We worden er vandaag weer aan herinnerd dat je geen goed leven vindt door enkel te denken hoe je zoveel mogelijk winst uit bodemschatten kunt halen. Economische groei moet niet betekenen dat de aarde, en dus ook de schepping wordt uitgeput. Onze energie en onze geestelijk groei moeten we halen ontzag voor God, vertelt Job. Dat is wijsheid. Het kwaad mijden – dat is inzicht. Korte termijn winst weegt niet op tegen het verlies van zoveel meer langduriger geestelijke winst als we goed omgaan met de bodemschatten die we gratis krijgen.

Die langduriger geestelijke winst kunnen we behalen door ontzag voor de Heer en het kwaad te mijden, zegt Job. Jakobus maakt dat heel concreet door te zeggen: minacht elkaar niet op basis van armoede. Kijk dus niet naar een ander met een blik van wat er bij hem te halen valt. Nee, heb uw naaste lief als uzelf. Dat is het Koninklijke gebod, zegt Jakobus. Als een mens dus wijsheid zoekt en vindt bij God, dan moet ons dat actief maken. We moeten laten zien wat de wijsheid inhoudt. Jakobus zegt: zonder daden is geloof zinloos. Geloven dat het beter zou zijn als we anders met grondstoffen om zouden gaan, maar ja, we kunnen er niets aan doen, dus laat anderen maar goed doen, en wij leven gewoon door; dat is geen geloof zegt Jakobus. Als iemand zegt: ‘De een gelooft, de ander doet’, dan antwoordt Jakobus: Laat mij maar eens zien hoe je kunt geloven zonder daden. En: Wilt u het bewijs dat geloof zonder daden nutteloos is? Werd het onze voorvader Abraham niet als een rechtvaardige daad toegerekend dat hij zijn zoon Isaak op het altaar wilde offeren? U ziet hoe geloof en handelen met elkaar hand in hand gaan, en hoe het geloof vervolmaakt wordt met daden.

Het gaat hier niet om de moeilijk te verkroppen vraag van God aan Abraham zijn zoon te offeren. Het gaat er wel om dat God Abraham rechtvaardig verklaart om wat hij doet, en niet alleen omdat hij gelooft.

Voor ons betekent dat dat ons leven betekent ons bewust te worden van onze rijkdom en hoe we die gaan inzetten. Dat vraagt misschien om offers, maar het is de grondstof van ons geloof, en daarmee van ons eeuwig leven. 

zondag 2 september 2012

Visioen van de toekomst - preek 2 september 2012





Waar gaan we in het nieuwe seizoen naartoe? In de afgelopen week is het kerkblad uitgekomen en heeft u een programma gekregen van allerlei activiteiten die rondom ons geloof worden georganiseerd. Ook vond u in het kerkblad een vooruitblik op de Startzondag. We zijn immers niet alleen een gemeente rondom kerkdiensten, maar we delen met elkaar ons geloof. En we geloven dat dat geloof relevant is voor ons dagelijks leven. Nu is dat geloof constant in beweging, omdat ons leven constant in beweging is. Elke fase in je leven stelt nieuwe vragen, elke gebeurtenis in je leven ook. En tijden veranderen. De manier waarop mensen met elkaar om gaan en met elkaar communiceren. De vraagstukken die in de wereld spelen. De staat van het land waar we in leven. En het geloof beweegt mee in de tijd. Als het goed is, zeg ik er meteen bij. Ook al heeft geloof iets wereldvreemds, en legt geloof zich niet altijd neer bij wat er in de wereld gebeurt, het is wel belangrijk dat geloof een boodschap heeft aan de wereld om een boodschap te hebben voor de wereld. Hier moeten wij ons geloof leven. Met alles wat wij meemaken en waar we voor staan in het leven van alle dag. Het geloof gaat over jouw leven en over mijn leven, en de zin die het daaraan geeft, omdat God ons dit leven heeft gegeven. Korter kan ik het niet zeggen.

Maar hoe staan we daar dan in als kerk? Dat gelovigen meedeinen en meebewegen in de veranderende tijden zien we, maar hoe antwoorden we als kerk daarop? Dat is nog niet zo makkelijk. Veel in de kerk is zo geworden als het nu is: de liturgie, de taal waarin we spreken in de kerk, de omgangsvormen, de communicatievormen, en noem maar op. En dat is ons dierbaar. Tegelijk zien we ook dat veel uitingen van de kerk niet meer aansluiten bij het leven van veel, vooral jongere, mensen. En hoewel onze gemeente heel open en gastvrij is en met beide benen in de wereld staat, lopen ook wij het gevaar de aansluiting te missen. Nee, laat ik het positief zeggen: onze gemeente heeft door haar open en gastvrije houding, en omdat ze met haar beide benen in de wereld staat, de potentie om veel meer mensen aan te spreken dan we nu doen. Maar dat is niet iets dat ons aan komt waaien. Dat vraagt om gericht te zoeken naar waar en hoe mensen leven, wat ze in hun leven tegenkomen en meemaken. Met andere woorden: waar geloof over gaat. Dat klinkt misschien gek. Alsof mensen bepalen wat we geloven. Maar dat bedoel ik niet. Ik denk hierbij altijd aan Jezus. Hij haalde zijn gelijkenissen altijd uit het leven van mensen; de zaaier, de koning, een bruiloft, een verloren zoon, en noem maar op. En hij kwam naar mensen toe, zoals vandaag naar een blinde. In al die situaties van mensen in het leven van alledag liet Hij blijken waar het geloof over gaat. En daar moet het in de kerk over gaan: wat betekent het geloof voor jou als kind, als jongere, als jongvolwassene, als alleenstaande, als getrouwde, als moeder, als vader, als werkende, als verzorgende, als werkloze, als opvoeder, als gepensioneerde, als opa, als oma, als iemand die verliest, als iemand die wint, als iemand die rouwt, als iemand die het leven terugvindt? Het geloof gaat over jouw leven en over mijn leven, en de zin die het daaraan geeft, omdat God ons dit leven heeft gegeven.

We gaan dit jaar met elkaar van start met het maken van een beleidsplan. Dat gaan we samen maken. Het gaat daarbij niet om een stoffig, of diepdoordacht theologisch stuk. Maar om een plan dat we met elkaar gaan maken hoe we verder gaan met onze gemeente. Hoe ziet onze gemeente van de toekomst eruit, om plaats te geven aan onszelf en de manier waarop wij geloven, en om plaats te geven aan zoveel meer mensen, die ook zin zoeken te geven aan hun leven en rust zoeken in de hectiek van alledag?

Toen ik deze week dit alles overdacht na gesprekken over het beleidsplan, kreeg de lezing van Zacharia ineens een andere lading. Het werd ook een visioen voor mij voor ons kerk-zijn. Zacharia spreekt in een tijd, waarin een deel van het volk Israël terugkeert uit ballingschap en het land en haar tempel weer probeert op te bouwen. Maar er heerst teleurstelling. Het herstel zet niet echt door, het blijft zelfs uit. Het is maar een magere bedoening, die wederopbouwbeweging. In de profetie van Zacharia wil God de mensen oproepen tot vertrouwen en roept hij op tot inkeer. Inkeer wil zeggen dat ze bij zichzelf te raden gaan welke kracht er in geloven schuilt. En om het vertrouwen te wekken schetst God in Zacharia het beeld van een voorspoedige periode in het vooruitzicht. 

Dat visioen is ook toepasbaar op de kerk. Een ander beeld dan vaak wordt geschetst. Vaak wordt of een beeld geschetst van de kerk waarin het alleen maar minder wordt. Of er klinken hoopvolle berichten en zien we hoopvolle initiatieven waar maar beklijft er weinig van. En een gevoel van teleurstelling kan zich van ons meester maken. Ondanks alle goede wil lijkt er maar niet een echte doorbraak te komen. Is zo’n doorbraak wel mogelijk? Ja, natuurlijk wel! ‘Dit zegt de Heer van de hemelse machten: Opnieuw zullen er op de pleinen van Jeruzalem oude mensen zitten, steunend op hun stok vanwege hun hoge leeftijd, en de straten zullen krioelen van de kinderen. Dit zegt de Heer van de hemelse machten: Ook al lijkt het jullie, die van dit volk nog over zijn, nu onmogelijk, waarom zou het voor mij onmogelijk zijn? – spreekt de Heer van de hemelse machten.’

Ik vind het een mooi beeld, dat van die oude mensen die op de pleinen zitten. Zij horen erbij in dat visioen. Nog voordat er over kinderen gesproken wordt. Zij hoeven geen plaats te maken in het visioen. Zij waren er eerst. En dan zijn er de kinderen. Het krioelt ervan staat er. Wat een mooi beeld, dat doet denken aan het kinderkerstfeest en de kerk en schoolviering. Het typische van dit visioen is wel dat er één groep ontbreekt. De groep in het midden. De kinderen van de ouderen, de ouders van de kinderen. De mensen die opvoeden, verzorgen en werken. Zij zijn verondersteld. Maar vanzelfsprekend zijn ze niet. Zij zijn de sleutel tot dit visioen. Zonder een sterke middengroep zitten ouderen niet zorgeloos te kijken naar de kinderen die spelen. De middengroep van de kinderen van de ouderen en de ouders van de kinderen is cruciaal en de sleutel tot dit visioen van de ouderen op het plein die toekijken hoe het krioelt van de kinderen. Zo heeft ieder zijn plaats in het ene visioen.

Het visioen eindigt in hoofdstuk 8 met een beeld van tien mannen uit verschillende volken met verschillende talen, uit de hele wereld dus, die een Joodse man bij de slip van zijn mantel grijpen met de woorden: ‘Wij willen ons bij u aansluiten, want we hebben gehoord dat God bij u is.’ Het is een beetje Pinksteren; het feest waarop mensen van allerlei volken het verhaal van Jezus horen in hun eigen taal. Pinksteren is als het ware de allereerste Startzondag. Het verhaal van die Startzondag op Pinksteren is het verhaal van de kerk als beweging van gelovigen, die over de hele wereld het verhaal van Jezus vertelt en ieder aanspreekt in zijn eigen taal. Daarmee wordt het geloof dus heel persoonlijk. Want het verhaal van Jezus wil jou aanspreken, in jouw taal, in het leven dat jij leeft, met wat jij meemaakt en beleeft. En dan kunnen er hele bijzondere dingen gebeuren.

Dat zien we in het verhaal van Markus, als Jezus een blinde geneest. En zoals altijd gaat het niet om het wonder op zich, maar om de manier waarop het verteld wordt. Wat opvalt is dat Jezus de man na de genezing waarschuwt het dorp niet in te gaan. Een uiting van het vaker genoemde Messiasgeheim in de verhalen van Markus. God laat zich zien in het verborgene. God is geen God van spektakel, maar van de menselijke maat, van een persoonlijke benadering. Geloof is persoonlijk. En wat er in jouw relatie met God gebeurt is ook persoonlijk. Verhalen van wat een ander in zijn gelovige relatie met God beleeft zijn mooi, maar het gaat uiteindelijk om wat het verhaal van het geloof in jouw leven te weeg brengt. Wanneer we daarnaar op zoek gaan, naar wat het geloof in ieders levensverhaal kan betekenen, dan komt er een beweging op gang waarin ouderen niet meer het geloof als iets van voornamelijk hun generatie hoeven te zien, waarin kinderen niet meer hoeven te zoeken als naar een spelt in een hooiberg naar leeftijdgenoten en waar werkende en verzorgende mensen niet het gevoel hebben dat zij het allemaal moeten dragen met een kleine restgroep.

Het visioen van Zacharia is verteld in een tijd dat een kleine restgroep als happy few probeerde Jeruzalem en de tempel weer op te bouwen, en teleurgesteld was in het uitblijven van de echte doorbraak. God zet daar het visioen tegenover van een beweging van mensen uit alle windstreken die bij die Joodse man willen horen, omdat ze hebben gehoord dat God bij hem is. Die God blijkt hen aan te spreken in hun leven, in hun eigen taal. Daar mogen wij de spreekbuis van zijn naar elkaar en naar anderen. En we mogen het zelf horen, en zien, zoals de blinde man eerst bomen zag lopen, en daarna mensen, of zoals Paulus zegt in zijn liefdesgedicht: ‘Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben. Ons rest geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de grootste daarvan is de liefde.’

dinsdag 28 augustus 2012

Horen en antwoorden - preek 19 augustus 2012




In de vertelling van het Evangelie door Marcus zijn we vandaag aangekomen bij het verhaal van de genezing van de doofstomme. Een klassiek genezingsverhaal, dat even zoveel klassieke vragen stelt hoe dit wonder nu kon gebeuren en of we het niet symbolisch moeten horen. De vraag is of we dan het verhaal goed verstaan. En of we recht doen aan het bredere verhaal dat Marcus aan het vertellen is. Ik wil u vanmorgen laten zien dat het niet alleen maar om een wonderverhaal gaat dat op zichzelf zou kunnen staan, maar dat de betekenis pas goed aan het licht komt als je het verhaal ziet als een stukje van een groter verhaal.

Dat grotere verhaal is natuurlijk het hele Evangelie, maar als we het behapbaar willen houden delen we het toch maar even in stukken. En het verhaal van de genezing van de doofstomme maakt deel uit van de verhalen in Marcus 6 tot en met 8. In beide hoofdstukken, Marcus 6 en Marcus 8, lezen we een verhaal over de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. Alle verhalen daartussen staan in het teken van die twee verhalen, om uiteindelijk te eindigen met de vraag van Jezus aan het eind van hoofdstuk 8: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ en vervolgens aan de leerlingen: ‘En wie ben ik volgens jullie?’

Daaruit begrijpen we dat het er in de verhalen van Markus 6 tot en met 8 om gaat wie Jezus is. Én het gaat erom dat de leerlingen dat begrijpen. Zij krijgen uiteindelijk die vraag: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ Zij, de leerlingen, zijn het aanspreekpunt van Jezus. Het lijdend voorwerp zal ik maar zeggen. En wij, als hoorders van het verhaal van Markus, kijken toe hoe de leerlingen door Jezus worden onderwezen in wie Hij is.

Het draait dus om de leerlingen, maar het gaat over Jezus. De leerlingen, en in hun kielzog wij worden door Jezus uitgedaagd te gaan begrijpen wie Hij is. Dat bleek al in het wonder van de broden. Het gaat niet eens zozeer om de vermenigvuldiging van dat vele brood. Het gaat erom dat als de leerlingen aangeven dat Jezus maar moet stoppen met zijn onderwijzing en de mensen naar huis moet laten gaan om te eten, Hij tegen hen zegt: ‘Geven jullie hun maar te eten!’ Jezus woorden en het brood dat gedeeld moet worden is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zijn woorden geven leven. En moeten de mensen dat maar weer naar huis om praktisch in leven te blijven? Nee. Een mens kan niet leven van brood alleen, maar van ieder Woord dat door de Heer gesproken wordt, maar zonder is ook zo wat. Sterker nog, hier komt het op aan of het geloof van de leerlingen sterk genoeg is. Is geloof uiteindelijk iets dat je voor jezelf houdt, zodat na een mooie bijeenkomst met mooie woorden, ieder weer zijns weegs gaat. Of deel je het? Jezus leert hier dat door je geloof te delen, en daarmee een zinvolle invulling van je leven, je geloof juist vermenigvuldigd wordt. Daarom zijn er ook uiteindelijk twaalf manden vermenigvuldigd brood over. Voor elke leerling één. Zíj zijn het, en niet die duizenden mensen om wie het draait. De leerlingen worden uitgedaagd te begrijpen wat geloven betekent en vermag te doen. Het vermenigvuldigt zich door te delen, als mensen het niet voor zichzelf houden en ieder zijns weegs gaat.

Het draait dus om de leerlingen, en het gaat over Jezus. En dan is het frappant dat we in het verhaal van vandaag over de genezing van de doofstomme, de leerlingen helemaal niet tegenkomen. En dan gaat het er niet praktisch om of ze misschien ongenoemd zijn gebleven maar wel zijn meegegaan naar de buitengebieden toen Jezus wegging in vers 24, omdat het misschien ondenkbaar zou zijn dat ze niet mee zouden gaan of zo. Het gaat er wel om dat het verhaal zo is geschreven  dat het wel de bedoeling is dat de leerlingen zien wat er daar gebeurt. Het is niet zomaar een reisverslag van wat Jezus ook nog eens in een buitengebied meemaakte, nee, Hij laat zijn leerlingen, en in hun kielzog ons als hoorders, iets zien.

Het verhaal van de genezing van de doofstomme speelt zich af bij het meer van Galilea. Een hele omweg als ik de bijbelse atlas moet geloven. In ieder geval betekent het dat hij aan het andere einde van Meer van Galilea uitkomt. En dat herinnert de leerlingen eraan dat zij daar een paar verhalen geleden heen moesten in hun bootje, maar dat ze niet tegen de sterkte tegenwind opgewassen waren, en dat Jezus hen lopend over het meer tegemoet kwam en voor ging naar de overkant. Jezus is in heidens, niet-Joods gebied. Eng voor de leerlingen, want daar komt het op aan. Alsof je van een afgesloten rijbaancircuit waar je onder begeleiding leert autorijden, ineens op de grote echte weg moet rijden, helemaal zelf.

En daar, in dat niet-Joodse gebied brengt een anonieme groep mensen een man bij Jezus die doof was en gebrekkig sprak. Ogenschijnlijk is het slechts een lichamelijke kwaal. Maar als we het verhaal in zijn verband lezen komt iets anders naar voren. Waar deze man door zijn kwaal niet toe in staat is, is om te antwoorden. Hij kan niet horen, en daardoor kan hij niet terugspreken. Met zijn gebrekkige spraak kan hij wellicht zelf iets zeggen, maar horen en antwoorden kan hij niet. Daarmee kan hij niet antwoorden op de woorden die tot hem gesproken worden.

En daar gaat Jezus wat aan doen. Want Jezus ís het Woord. De woorden die Hij spreekt zijn woorden van God. Zozeer zelfs dat de Bijbel Jezus het Woord van God noemt. De woorden die Jezus spreekt brengen iets teweeg. Iets van God. Ze brengen bevrijding, ze openen nieuwe perspectieven, ze brengen heling.

Maar voordat de man kan antwoorden op Jezus moet Jezus hem wel eerst kunnen bereiken, aan kunnen spreken. En dat betekent dat Jezus zich wendt tot gebarentaal. En zo opent Jezus de communicatie. Door zijn vingers in de oren van de man te doen laat Jezus zien dat Hij weet wat de man mankeert. En met het speeksel, dat symbool staat om zijn genezende kracht, raakt Jezus de tong van de man aan die zo essentieel is om te kunnen praten. En vervolgens spreekt Jezus een woord, dat gemakkelijk te liplezen is: effata; dat betekent ‘ga open’. Meteen daarna gingen zijn oren open, hij kon dus horen, en kwam zijn tong los, en kon hij normaal spreken. Hij kon nu dus ook antwoorden op wat hij kon horen. En hij kon dus antwoorden op Jezus.

Maar Jezus lijkt daar meteen een stokje voor te steken. Want Hij verbiedt de omstanders om aan niemand te vertellen wat er was gebeurd. Hoor het dus goed: Jezus verbiedt het de man niet, maar wel de omstanders. Jezus openbare optreden moet in een zekere beslotenheid plaatsvinden – Hij nam de man ook apart. In de verborgenheid wordt Gods werk openbaar. In de stilte komt God ter sprake. Het heeft iets dubbels. Het gaat namelijk om geloof, en niet om spektakel. De woorden van Jezus moeten letterlijk binnenkomen, in de oren van de man. En de man moet antwoorden met zijn eigen tong. Jezus heeft niets aan meelopers waarbij Zijn woorden het ene oor in en het andere oor uitgaan, en die in hun antwoorden andere mensen napraten of niet eens weten waar ze het over hebben. Jezus maant dus tot een zekere behoedzaamheid. Luister en overschreeuw je niet. Uiteindelijk komen deze niet-Joden wel tot een antwoord, een belijdenis zou je kunnen zeggen: ‘Alles wat hij doet is goed; zelfs doven laat hij horen en stommen laat hij spreken.’

Dit verhaal horen wij. En dit verhaal horen de leerlingen. Deze mensen hier aan het meer, die niets hebben met het Jood-zijn van Jezus, die niets hebben met zijn roots, snappen waar het om gaat. Alles wat Jezus doet is goed. In het uitdragen van het Evangelie, de goede boodschap betekent dat, gaat het alleen maar hierom: alles wat Jezus doet is goed. En daar mogen wij, vanuit ons hart, op antwoorden. Jezus maakt er geen spektakel van, dus laten wij dat ook niet doen. Hoor zijn woorden, laat ze binnenkomen in de verborgenheid van je hart, en antwoord met je hart.


zaterdag 4 augustus 2012

Zin in Zaterdag (4): Beeldverbod of beeldgenot?

Op de camping zie ik de zoveelste nieuwe campinggast richtingloos rondlopen op zoek naar bereik voor zijn mobiele telefoon. Tja, de camping ligt in the middle of nowhere in la douce France. Als er bereik is, verdringen de providers zich en wisselen ze elkaar binnen de minuut af, en internet is er nauwelijks. Het is iets wat de campinggasten verbindt: we hebben nauwelijks bereik met de buitenwereld. Maar we hebben elkaar. Nieuwe gasten worden op weg geholpen door kampeerders die er al langer staan. Je helpt elkaar toch door de moeilijke tijden niet waar?!

En zo zie ik opnieuw een man naar het open veld lopen, vertwijfeld kijkend naar zijn iPhone en de lucht: een modern schietgebedje. Ik loop op hem af en zeg meelevend: 'Ja, bereik is er hier nauwelijks. Behalve bij de toiletten in de buurt van het zwembad en op het open veld buiten de camping.' Ja, ik ben net zo erg... Hij vraagt of de internetverbinding dan wel goed genoeg is om een foto te uploaden. Ik moet hem teleurstellen, maar vraag hem wel wat het belang ervan voor hem is, omdat we allemaal op de camping ook wel snappen dat deze nood op de vakantie relatief is. Hij vertelt dat hij toch wil proberen zijn 166.000 volgers iets te laten weten... Ik vraag hem hoe iemand in vredesnaam aan 166.000 volgers komt. Hij vertelt me dat hij sinds enige tijd bezig is met fotografie op internet. En dat hij enorm veel belangstelling voor zijn foto's heeft gekregen. Foto's, die hij gewoon met zijn iPhone maakt, en met apps bewerkt en deelt. Hij kwam op favorietenlijstjes te staan op internet en werd benaderd door bedrijven, die hem nu boeken voor reportages. Tot zijn eigen verbazing, maar het is wel een droom die uitkomt.

Ik hou van dit soort gesprekken; gesprekken met mensen die ontdekken hoe ze hun droom kunnen vervullen en vervolgens zelf ontdekt worden. En we raken verder aan de praat over het belang van beelden, dat steeds groter wordt. In herinner me dat ik voor mijn vakantie op internet las dat Amerikanen inmiddels zover zijn dat ze fotografen inhuren op vakantie, om vakantiefoto's voor ze te maken die ze op Facebook kunnen publiceren. Want gewone kiekjes voldoen blijkbaar niet meer. We kunnen erom lachen, en dat deden de fotograaf en ik dan ook maar even, maar het is wel een uitwas van een trend die ook bij ons steeds meer te zien is. Sociale media als Facebook draaien steeds meer om het delen van beelden. Vakantiefoto's, maar ook profielfoto's, die het stadium van veredelde pasfoto reeds ver voorbij zijn. Wat ooit als 'smoelenboek' begon met persoonlijke berichten, is nu een in eerste instantie een beeldverhaal geworden.

Is dat erg? Niet zondermeer. Juist als 'dienaar van het woord' weet ik hoe belangrijk beelden zijn. Ik presenteer mijn blogs en dus ook de links op Facebook niet voor niets met een plaatje. De beamer vertoont tijdens de preek een plaatje dat ook op de blog verschijnt naderhand. Beelden zijn 'geleiders' om je mee te kunnen nemen in een verhaal. Een reisgids zonder plaatjes is ondenkbaar. En beelden kunnen op zichzelf al een heel verhaal vertellen. Het wordt moeilijker als beelden de waarheid geweld aandoen. Dat is met woorden overigens net zo goed het geval. Met woorden kun je de werkelijkheid ook mooier voorstellen dan hij is, en in het ergste geval noemen we dat liegen of bedriegen. Maar foto's kunnen dat ook, de waarheid geweld aandoen.

Maar wat is waarheid? Dat is niet eenduidig, omdat de ene waarheid meerdere kanten heeft en meerdere, daar komt het, gezichtspunten. Ik verwonder me hoe fotografen gebeurtenissen, plekken of mensen uit een verrassende hoek in beeld kunnen brengen. Gebeurtenissen die ik zelf ook hem meegemaakt op plekken waar ik ook geweest ben en met mensen die ik goed ken; maar in een nieuw en ander beeld gevangen. Maar ze doen de waarheid daarmee niet geweld aan. Zo'n foto maakt mijn beeld compleet en vertellen misschien meer dan woorden. En ik geniet ervan. Daarom heb ik mijn gesprekspartner ook gevraagd het Romaanse kerkje van het dorpje te fotograferen, zonder restricties, gewoon volgens zijn indruk. Die foto staat boven deze blog. Een plaatje.

Wanneer doet een foto de waarheid geweld aan? Dat is nog niet zo makkelijk. Heel strikt genomen doet misschien elke foto die bewerkt is de waarheid geweld aan. Maar moeten we zo streng zijn? Ik denk het niet. Ook met woorden kleden we een verhaal aan. Dus we moeten al helemaal niet beelden tegenover woorden zetten, alsof die zuiverder zouden zijn. Misschien is dit het wel dat bepaalt of een beeld de waarheid dient of geweld aan doet. Een beeld dient de waarheid, als het behalve vorm ook inhoud heeft. En daar komt het bij beelden misschien nog wel meer op aan dan bij woorden; hoewel, nietszeggend geklets is er alom.

En als een beeld inhoud heeft is het op zijn waarheid te beoordelen. Geeft het een nieuw gezichtspunt? Of roept het beeld iets op dat 'waar' is; wat mij betreft hoe mooi de schepping is of hoe dankbaar je voor iets bent, of omdat het even verstilt en je hoofd leegmaakt en vult tegelijkertijd? Omdat het raakt aan een diepere emotie of je geloof? En wanneer is een beeld dan 'onwaar'? Simpel gezegd als dat beeld nep is. Net zoals wat iemand zegt onecht kan zijn, zo kan een beeld ook onecht zijn. Een echt beeld hoeft niet eens een 'waarheidsgetrouwe weergave van de werkelijkheid' te zijn (wat is dat eigenlijk?). Het mag best bewerkt zijn. Maar het moet wel echt zijn. En iemand die zich anders voordoet dan hij of zij is, in woord of in beeld, of die iets wil voorspiegelen dat niet waar is, doet de waarheid en daarmee zichzelf geweld aan. Uiteindelijk komt de waarheid altijd aan het licht.

De fotograaf en de dominee rondden daar op de camping in het open veld hun bespiegelen af. De dominee zei: 'Ik wil niet voor eigen parochie preken hoor, maar weet je waar je hier het beste bereik hebt? Boven in het dorpje bij de kerk...'

Ik ben voor deze blog veel dank verschuldigd aan Eelco Roos, voor zijn beelden en woorden. Hier kun je zijn website vinden. Nog een extra volger is zijn werk zeker waard.

maandag 9 juli 2012

Wie denk je wel dat je bent? - Preek 8 juli 2012




De preek vanmorgen gaat over de broer van Jakobus, Joses, Judas en Simon. Hij had ook nog een paar zussen. Zo was hij bekend in de stad. Als iemand die deel uitmaakt van een groot gezin. Hun moeder? Maria. Zijn naam? Jezus. Ja, wij kennen hem als een eenling. Iemand die erop uittrok en leerlingen achter zich verzamelde. Zo maakte hij naam in de wijde omgeving. Maar hier in Nazareth, zijn geboortestad, is zijn naam verbonden met die van zijn moeder en die van zijn broers en zussen.

Even tussendoor: vreemd dat de vertalers de broers wel broers noemen, maar de zussen zusters… En opvallend dat een van de broers Judas heet, en de ander Simon… What’s in a name?

Jezus kennen wij als iemand om wie het hele Evangelie draait. Vanaf het begin, vanaf zijn geboorte of zijn herkomst, of zijn eerste publieke optreden. Maar hier in Nazareth kennen mensen Jezus van zijn afkomst. Hij is een gewone timmermanszoon. En zijn geboorte is er een van vele in het gezin, en van vele in de stad. Een jongen dus met een doodgewone, zelf lage afkomst. Een timmerman, een arbeider in eigen dienst, een zzp’er, zelfstandige zonder portemonnee.

En vanuit dat beeld van Jezus als timmerman, deel van een timmermansgezin, kijken en luisteren de mensen in Nazareth naar Jezus. Wat hij zegt horen we niet. Wel horen we wat hij doet: hij geeft onderricht. En aan de verbaasde reacties af te lezen klinken zijn woorden wijs, en brengt hij ze kennelijk in verband met de wonderen die zijn handen tot stand brengen. Stel je eens even voor: een doodgewone timmermanszoon, kundig, jawel, met zijn handen, als hij met hout bezig is. Getekende handen dus ook, van de hamers op zijn duim en het grove werk met hout. En deze man staat ineens vooraan in de synagoge te vertellen wat zijn handen nog meer kunnen. En hij verbindt dat met een breder wijs verhaal over tal van zaken die de levens van mensen raken. Zo’n man wordt gauw een opschepper gevonden, die naast zijn schoenen is gaan lopen. “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. En gewoon ben je, een timmerman.” Zo zouden mensen gereageerd kunnen hebben. Ze namen aanstoot aan hem, staat er. En in dat woord voor aanstoot nemen, zit het woord ‘schandaal’. Jezus woorden waren een schandaal. En dat woord schandaal is ook interessant, want in zijn oorspong was een schandaal het houtje in een muizenval waar de aas aan was bevestigd. De mensen voelden zich dus [KLAP] beetgenomen door Jezus. In de luren gelegd. Bedonderd. Alsof ze zeggen: ‘Maak het een beetje?’

Dat er zo op Jezus wordt gereageerd is misschien weer een steen des aanstoots voor ons. Jezus zal zijn woorden niet zomaar gesproken hebben en wij geloven dat het zin heeft om ernaar te luisteren en Zijn woorden te doen. Maar besef dan ook dat wij Jezus zien als Heer, en de mensen in Nazareth als iemand van hen, die gewoon timmerman was. Dat maakt hun reactie niet goed, maar misschien wel begrijpelijk. Vooral als we onszelf er een beetje aan gaan spiegelen…

Kijk, dat we Jezus zien als Heer heeft iets heel respectvols. Maar tegelijkertijd is hij ook mooi op afstand. Terwijl in Nazareth Jezus een van hen is, is Jezus niet een van ons. Hooguit zijn wij een van Hem, maar dat is vooral mooi gesproken, dominee! Jezus is niet een van ons, ook al is Hij mens geworden onder de mensen, dat snap ik ook wel. Maar voelt u wat ik bedoel? Hij is geen gewoon mens die deel uitmaakt van onze samenleving of kerk. Wij kunnen Jezus wat makkelijker op afstand zetten. Zodat Hij ons wat minder dicht op de huid zit. En misschien zetten we Hem met onze afstandsbediening ook wel eens uit… Als het even niet uitkomt. Of misschien nog wel vaker voorkomend: als Zijn woorden ons niet lekker liggen. We zijn snel geneigd om die woorden van Jezus uit te kiezen die ons bevallen of raken, en andere woorden waar we ons misschien zelfs aan zouden kunnen ergeren naast ons neer te leggen. We zijn niet gewend om alle woorden van Jezus, zelfs als ze dwars liggen en ons zwaar op de maag vallen, evenveel aandacht te geven. En dat kunnen we makkelijk doen, want Jezus is als onze Heer toch een beetje op afstand. Dus: misschien hebben wij wel makkelijk praten als we aanstoot nemen aan de reacties van de mensen in Nazareth. Jezus zit ons minder dicht op de huid, omdat Hij niet een van ons is in de sociale zin – Hij maakt geen deel uit van onze samenleving, of van onze kerk, als ‘gewoon’ mens – dus wij kunnen hem makkelijker op afstand zetten zonder ons er echt aan te hoeven storen als iets ons niet ligt wat Hij zegt. Maar misschien moeten we ons dan de woorden herinneren van een oude dominee: ‘Als zijn woorden je niet liggen, dan moet je misschien anders gaan liggen.’

De spiegel van Nazareth, zo noem ik het maar even, laat ons dus voelen hoe wij op onze beurt Jezus op afstand houden, als het ons niet uitkomt wat Hij zegt. Of als het ons niet uitkomt om überhaupt te luisteren. Lukt het u nog om af en toe die Bijbel binnen te laten komen en er wat uit te lezen met elkaar? En nee, dat hoeft niet per se ouderwets aan tafel; trouwens, wat is daar ouderwets aan? En het hoeft ook niet elke dag, maar toch: lukt het u nog om af en toe je af te vragen: wat zegt de Bijbel hier eigenlijk over? Als je een afweging moet maken in werk, relatie, wonen, consumeren, vrije tijd, de nood van je naasten en van de wereld, de politiek? Afwegingen dus over prioriteiten in waar je waarde aan hecht. Want dat is natuurlijk waar die Bijbel voor is bedoeld. Niet als een stofvanger voor in de boekenkast, of om op gezette tijden braaf te doorstaan, maar om te laten spreken in je leven. En ja, dan is dat soms best wel eens lastig. Er zijn zat dingen in ons leven waarvan we weten dat dat zo niet de bedoeling is. Maar doen we er dan werkelijk iets aan? Of draaien we ons alleen maar weg en zeggen we: niets aan te doen; zo is het nu eenmaal? De Bijbel is niet bedoeld als een constant vingertje dat jou op de vingers kijkt. Maar de Bijbel is wel bedoeld om je scherp te houden. Om het niet zomáár mis te laten gaan. Om na het zuur van de woorden uit de Bijbel ook het zoet te kunnen smaken dat het inderdaad beter was om toe te geven.

Ah wacht, dat is een mooie. Beter om af en toe toe te geven. Dat is moeilijk. Toegeven. Toegeven dat een ander gelijk heeft. Of gewoon een terechte kritische vraag stelt. Wat irritant kunnen die mensen zijn. Je dacht het allemaal mooi voor elkaar te hebben en het loopt lekker, en dan steekt iemand een spaak in je wiel, of staat doodleuk langs de kant van het voetbalveld je toe te schreeuwen: zeg, moet je niet de andere kant op; ligt daar je doel niet?

Bloednerveus worden we van kritiek. Ik merk dat we nauwelijks meer gevoelig zijn voor kritische vragen. Of nee, misschien juist precies het tegenovergestelde: dat we overgevoelig zijn geworden voor kritische vragen. We hebben het allemaal erg druk, en proberen met man en macht ons leven te ordenen en principes erop na te houden in opvoeding, relatie, werk en noem maar op. En we zijn daar ook zo trots op. Maar zelfs bij zorgen of als dingen tegenzitten verhindert de trots ons kritisch met anderen, of met Gods Woord, te kijken naar ons leven. Dan lijkt het alsof we afvinken: ik geloof op mijn manier, ik geef aan goede doelen, ik ga af en toe bij mijn moeder op bezoek, en verder heb ik het erg druk, dus hou je erbuiten.

We zijn vaak te druk en te vol, ook van onszelf, om gewoon eens te luisteren naar wat een ander te zeggen heeft. En die hoeft niet meteen gelijk te hebben. Net zo min als jij meteen ongelijk moet hebben. De waarheid zal wel in het midden liggen, maar dus nooit helemaal aan jouw kant. Vaak komen kritische vragen ongelegen. Zitten ze ons te dicht op de huid. Dus wie denk je wel dat je bent?! Maar ga er niet te snel vanuit dat kritische vragen bedoeld zijn om je onderuit te halen. Zouden we dat zeggen van woorden van Jezus? Nee, natuurlijk niet. Maar laten we ze dan ook horen én opzoeken. En durf het gesprek aan met anderen over uitgangspunten in jouw leven, en wat anderen in jouw leven opvalt. Natuurlijk moet dat in liefde worden gezegd; niet om je onderuit te halen of om je ongelijk te bewijzen, maar ga daar dan ook niet te snel van uit. En inderdaad, durf het gesprek aan te gaan. Want het is ook een kwestie van durven. Omdat het ook eng is. Want we denken allemaal wel ergens: doe ik het wel goed? Ga ervan uit dat je je best doet. En deel van dat je best doen is ook kritisch te luisteren én op zoek te gaan naar woorden die schuren en misschien wel minder vanzelfsprekend maken zoals je je leven hebt ingericht.

Wat win je erbij? Ik zou haast zeggen: Jezus. Hij neemt ons serieus; Hij neemt jou serieus. Het gaat Hem niet om Hemzelf, maar om Zijn gemeenschap met ons. De kerk waar Hij geen gewoon lid van is, maar het Hoofd van is. En als wij naar Hem luisteren, lopen we niet rond als een kip zonder kop, als een kerk zonder hoofd. We winnen er de liefde bij! En soms heeft die liefde wat scherpe kantjes, maar altijd is ze bedoeld om de gemeenschap van mensen met God te onderhouden en goed te houden.

Als een kritische vraag of een kritisch Woord je niet ligt, ga dan eens anders liggen.
Ga er vanuit dat de Waarheid in het midden ligt, en dus nooit helemaal bij jou.
Onderzoek alles en laat je bevragen, en behoud het goede; de liefde!

maandag 2 juli 2012

Aangeraakt - preek 1 juli 2012




Alle verhalen uit de bijbel gaan vanmorgen over vrouwen. En de vrouwen in de verhalen zijn erg kwetsbaar. Ik zeg niet dat ze kwetsbaar zijn omdat ze vróuw zijn, maar ze bevinden zich wel allemaal in een kwetsbaar gemaakte positie. In Jesaja zijn de mannen overigens net zo kwetsbaar, maar dat staat in de verzen hiervoor. Daarover zo meer. Het verhaal uit het Evangelie bestaat eigenlijk uit twee geschiedenissen die door elkaar heenlopen, maar nauw op elkaar aansluiten. Het verhaal van het dochtertje van Jaïrus en het verhaal van de bloedvloeiende vrouw. Beide verhalen gaan over kwetsbare vrouwen die aangeraakt worden. En over hoe helend die aanraking is. Hoe belangrijk het is dat mensen, vrouwen én mannen, aangeraakt worden.

En het gaat daarbij natuurlijk niet om vluchtig aangeraakt worden in de loop, zoals je elkaar onbedoeld kan aanraken in een drukke winkelstraat, of ook in de kerk. Het gaat hier om liefdevolle aanraking met volle aandacht voor elkaar. Aanraking is enorm belangrijk. Het is zelfs een eerste levensbehoefte. Voor een baby is het het enige waar het zekerheid aan ontleent. Het is zelfs zo belangrijk dat een baby zonder aangeraakt te worden overlijdt. Helaas levert de geschiedenis ons hiervoor zelfs tastbaar bewijs. Dat baby’s zonder liefdevolle aandacht en aanraking niet kunnen overleven, was de niet beoogde, maar wel gruwelijke uitkomst van een experiment van de Duitse Keizer Frederik II in de 13e eeuw. De keizer was op zoek naar de oorsprong van taal. Hij wilde weten welke taal baby’s uit zichzelf zouden spreken: Hebreeuws, de taal van het volk van God, leek hem het meest logisch. Maar Grieks, Latijn of Arabisch achtte hij ook mogelijk. En de voorwaarde voor een zuiver experiment was dat de baby’s niet beïnvloed zouden worden door de mensen die ze verzorgen. Dus dat betekende dat baby’s het zouden moeten stellen zonder menselijke aandacht. Zo wilde Frederik er zeker van zijn dat de taal helemaal uit de kinderen zelf opkwam. De methode die Frederik daarvoor bedacht had was een groep baby’s in twee groepen te scheiden. De ene groep baby’s kreeg wel de gewoon menselijke aandacht en werd geknuffeld, gestreeld en er werd tegen gepraat. De andere groep baby’s werd alleen verzorgd. De baby’s kregen eten en werden schoongemaakt. Maar zonder warme menselijke aandacht. Als Frederik in onze tijd geleefd had, dan had hij de verzorging door machines willen laten doen. Dit experiment heeft nooit een antwoord gegeven op de gestelde vraag, omdat alle baby’s uit de groep zonder warme menselijke aandacht overleden. Zonder een menselijke knuffel gaat een kind dus dood. Zo belangrijk is aanraking.

Nu is aanraking misschien niet het eerste waar u aan denkt bij God. Zeker wanneer je God op afstand beleeft, is aanraking niet iets wat bij God lijkt te passen. Dan komt hij misschien zelfs wel eng dichtbij. Toch zien we wel degelijk mensen in de bijbel aangeraakt worden door God, en we verbeelden dat ook in onze liturgie. Als we mensen zegenen bij een huwelijk of het bevestigingen in een ambt, doen we dat door handoplegging. En nee, we blijven er dan niet als predikanten met onze handen boven hangen. We raken mensen echt even aan. Het is geen vaag of zweverig iets, nee, het is een concrete aanraking. Dus, met respect voor de kapsels die zeker bij huwelijken zorgvuldig in elkaar gestoken zijn, raken we in de zegen van God de mensen liefdevol aan. En het gebaar bij de zegen aan het einde van de dienst is eigenlijk net zo’n gebaar. Een gebaar van handoplegging, zij het dan massaal. Het is niet het instralen van mensen, maar een concrete aanraking van God in de zegen. Of zoals mijn stagebegeleider indertijd zei: ‘de zegen is een knuffel van God’. 

Zo’n zegen kan ook helend werken. Denk ook maar aan de ziekenzalving, het laatste sacrament bij de Rooms-katholieke kerk, en in de Protestantse Kerk ook steeds meer in zwang. In mijn pastoraatstage maakte ik mee dat een man verbaasd was dat hij na de ziekenzalving niet meteen overleed. In de hoofden van mensen is dat toch een beetje een gelijkschakeling geworden. Nou is het ook weer niet zo dat de verwachting van de ziekenzalving is dat mensen genezen. De intentie ervan is wel dat mensen door God worden aangeraakt. En dat mensen bemoedigd worden dat God bij hen is in die vreselijk moeilijke fase van hun leven. En niet ondenkbaar is dat mensen toch opnieuw tot leven komen.

En dat geloof, dat de aanraking namens God helend kan werken, zit er ingeheid bij Jaïrus. Heel dwingend vraagt hij Jezus zijn dochter die ziek is de handen op te leggen. Typisch, de dwang waarmee hij Jezus smeekt. Je zou de indruk kunnen krijgen dat Jezus en daarmee God voor hem de laatste strohalm is, de laatste aan wie hij zich vastklampt, op wie hij zijn hoop gevestigd heeft. Maar, om even te pauzeren in dit drama: is dit wel geloof? Laten we eens even naar de formulering van zijn vraag kijken. We zien allereerst dat het geen vraag is, maar Jaïrus gebiedt Jezus om te komen. Waartoe gebiedt Jaïrus hem? Dat hij haar de handen oplegt om haar te redden en te zorgen dat ze in leven blijft. In hoeverre is hier sprake van geloof? Hoeveel ruimte laat Jaïrus hier aan Jezus? Het is op zich niet erg om je zaak te bepleiten bij Jezus of bij God. Je mag staan voor wie je bent. In de bijbel zijn tal van mensen te vinden die zelfs in discussie gaan met God. Maar hoeveel ruimte laat Jaïrus hier eigenlijk aan zijn dochter? Dit kind, dat naamloos blijft, en de ‘dochter van’ wordt genoemd, moet behouden blijven vanwege Jaïrus. Deze Jaïrus is bovendien een van de leiders van de synagoge. Om wiens behoud gaat het hier?

We pauzeren in dit drama niet voor niets bij de vraag of het verzoek van Jaïrus wel door geloof is ingegeven. Het verhaal pauzeert ook. Want er komt een vrouw die aan bloedvloeiing leidt uit de menigte op. Zij is dus onrein. Dat betekent: ze is een onaanraakbare. Al twaalf jaar stroomt het leven uit haar. En zonder aanraking ga je dood. Ik denk dat het niet voor niets is dat er staat dat ze twaalf jaar al lijdt. Net als de twaalf jaar dat het dochtertje van Jaïrus is, is deze twaalf een symbool voor de twaalf stammen van Israël. Voor het volk van God. En dat volk heeft redding nodig en nieuw leven.

Het is daarom denk ik ook dat het leesrooster de tekst uit Jesaja erbij durfde te lezen. Het komt uit het begin van de profetie van Jesaja. Het stuk van vandaag is onheilspellend en moet even in zijn verband worden geplaatst. Jesaja ziet in zijn visioen de machten van de aarde wankelen en Israël terugkeren naar het beloofde land. Daar zal het Woord van de Heer van Jeruzalem uitgaan. Van Sion gaat de Thora uit, staat er. De wereld zal geregeerd worden door de goede boodschap van God. Er zullen geen wetten van mensen meer gelden die mensen verdelen, verdrukken en verdrijven. Alleen de wet van God, die het leven schept, zal regeren. Een mooi vredesvisioen. Maar het is nog geen werkelijkheid. Wil het volk Israël ooit het lichtend voorbeeld zijn voor de wereld en wil het de wereld ooit vrede leren, dan zal het toch eerst zelf moeten leren en afleren. En dat geldt voor zowel mannen als vrouwen. Het stuk over de mannen komt eerst, en daarna over de vrouwen, dat we zojuist lazen. Het is alsof we in de bloedvloeiende vrouw iemand tegenkomen die zo uit het verhaal van Jesaja in het verhaal van Markus gestapt is. Zij is het Israël, dat geleden heeft omdat het zo op zichzelf stond, dat het onaanraakbaar werd. Geen lichtend voorbeeld meer, geen volk van de wet van God meer, maar van eigen wetten. En twaalf jaar lijdt ze net als Israël in het visioen van Jesaja.

En waar haalt ze dan hoop vandaan? Haar enige hoop is nu deze man, deze Jezus. Maar anders dan Jaïrus. Ook zij dringt zichzelf op, maar in zijn slipstream, letterlijk. Ze raakt zijn mantel aan. En daarmee laat ze nieuw geloof zien en krijgt ze nieuw leven. Want, de gebedsmantel die Jezus draagt herinnert aan de Thora, de wet van God. Deze vrouw erkent dat haar leven enkel terugkeert als ze haar leven zoekt in de verbintenis met God. Zo lang heeft ze vastgehouden aan haar eigen leven, maar nu dat leven niet te stelpen uit haar stroomt, richt ze zich tot God die haar het leven gaf. Alleen in het leven met God komt zij tot volle bloei. Ja, opnieuw, ondanks haar bloedvloeiingen, komt zij tot bloei. En Jezus verwoordt dat heel mooi. En niet eens zozeer door de klassieke zin ‘uw geloof heeft u gered’, maar door wat eraan vooraf gaat. Jezus vraagt aan de omstanders: ‘Wie heeft mij aangeraakt?’ Een voor de omstanders ridicule vraag, want het is net als in een drukke winkelstraat; in het gedrang raakt iedereen elkaar aan. Maar Jezus voelt dat dit een andere aanraking is. Een aanraking die vraagt om een knuffel. Om vastgehouden te worden, zoals een moeder haar kind. Omdat ze anders niet zou overleven. En Jezus keert zich naar haar toe en zegt tegen haar, wat niet in onze vertaling staat: ‘dochter’. De van bloedvloeiing genezen vrouw wordt dochter en daarmee kind van God. Ze is gered door haar geloof dat bij God leven is te vinden.

En die andere dochter, of zoals haar vader dat noemt, ‘mijn dochtertje’? Zij ontglipt aan Jaïrus. Er wordt bericht dat ze overleden is. Bedenk dat deze man een van de leiders van de synagoge is, en daarmee spreekbuis van het Joodse geloof in de Wet van God. Deze man moet net als de vrouwen en mannen in Jesaja alles loslaten om nieuw voor God te kunnen leven. De wetten dienen niet om de mens te dienen, maar om God te dienen. Jezus is er voor de mensen, maar niet ter ere van hen, maar ter ere van God. En dat moet Jaïrus leren na deze dramatische pauze rondom die andere vrouw die Jezus’ gebedsmantel aanraakte en bij Gods wet leven vond. Jaïrus, hij is inmiddels naamloos in het verhaal, dat langzaam verschuift in de richting van de dochter. Maar ze heet al spoedig geen dochter meer, maar wordt eerst een kind van haar vader én moeder genoemd. En daarna door Jezus ‘meisje’. ‘Meisje, ik zeg je, sta op!’. Dit kind wordt een meisje. Haar bloedvloeiingen zogezegd, zullen beginnen en ze zal leven geven. Er is toekomst, waar mensen hun heil zoeken bij God, niet voor hun eigen eer en glorie, maar ter ere van God. Hij geeft ons het leven, Hij redt ons, Hij verlost ons en geeft ons nieuw leven. Zelfs als de dood dreigt zegt hij: je zult leven!