donderdag 9 mei 2013

Opstanding laat je stralen - preek Hemelvaart 9 mei 2013




Geluidsfragment/podcast via kerkomroep


Veertig dagen geleden was het Pasen. Op dat feest lazen we het verhaal van de getuigenis van de leerlingen dat Jezus is opgestaan. Opgestaan uit de dood. Reden tot grote blijdschap. Jezus is niet dood, Hij leeft! Het lijkt alsof de leerlingen daar in het verhaal van Lucas, zoals hij dat in zijn Evangelie en Handelingen vertelt; het lijkt alsof de leerlingen daar even aan moeten wennen, dat Jezus is opgestaan. We horen het verhaal van de twee leerlingen die onderweg waren naar Emmaüs. Zij begrepen niet wat er gebeurd was en bleven hangen bij Jezus’ dood. Hoezo opgestaan? En hoe dan? In het verhaal van Lukas krijgen de leerlingen veertig dagen om in het bijzijn van de opgestane Heer te wennen aan het idee dat Jezus is opgestaan. En als ze dan Jezus opgenomen zien worden naar de hemel, blijven ze nog een beetje schaapachtig naar de hemel staren. En wat is dit nu weer?

De apostel Paulus is geen leerling van Jezus zoals de anderen. Hij heeft Jezus niet van nabij meegemaakt. Hij heeft zogezegd geen deel uitgemaakt van Jezus’ aardse leven. Hij was zelfs van diens volgelingen een vervolger. Hij vervolgde als fanatieke Jood de mensen die de Jood Jezus de Messias en de opgestane Heer noemden. Maar deze Paulus, die toen nog Saulus heette, werd zelf geconfronteerd met de opgestane Heer. Op weg naar Damascus verscheen Jezus als de Opgestane aan hem. Zo raakte Paulus overtuigd van het gelijk van de mensen die hij eerst vervolgde. Hij noemt zichzelf daarom ook niet voor niets ‘de minste onder de leerlingen’.

Omdat Paulus Jezus dus enkel kent als de Opgestane, is het ook niet zo gek dat hij de Opstanding als het kernthema van het geloof zo nadrukkelijk naar voren brengt. De betekenis van Jezus voor ons, en voor onze relatie met God, is dat Hij is opgestaan. Het is het kernthema geworden van het vijftiende hoofdstuk van de eerste brief van Paulus aan de inwoners van Korinthe. Door dat hoofdstuk in stukjes tussen Pasen en Pinksteren te lezen worden wij net als de leerlingen bij Lukas meegenomen stukje bij beetje in dat ongelofelijke maar geloofwaardige, dat Jezus is opgestaan.

Want het is nogal wat om te geloven dat Jezus is opgestaan. En dat wij in Zijn kielzog ook zullen opstaan. De voornaamste vraag die we dan toch stellen is: hoe dan? Paulus geeft daar vandaag antwoord op. En dat antwoord geeft ook licht op Hemelvaart. Want ook de hemelvaart is moeilijk een betekenis te geven voor ons geloven hier en nu. Nu lijkt Paulus het verhaal van de hemelvaart zoals wij dat vandaag lezen niet te kennen of niet mee te nemen. Voor hem gebeurt dood, opstanding en verhoging in een en dezelfde beweging. We lezen bij Paulus niet over veertig dagen waarin Jezus rondliep met zijn leerlingen. Maar de betekenis van Hemelvaart horen we wel bij Paulus als hij de vraag beantwoordt hoe de doden dan zullen opstaan.

Paulus ziet de worsteling van de inwoners van Korinthe en misschien ook wel onze worsteling om een voorstelling te maken bij de opstanding van de doden. Dood is immers toch dood? En hoe kan wat vergaat, ons lichaam, dat al aftakelt tijdens ons leven, nu mee opstaan uit de dood? Paulus had het zich er makkelijk vanaf kunnen maken door te zeggen dat het alleen de ziel is die opstaat, maar dat doet hij niet. Paulus probeert met een vergelijking met een zaadje duidelijk te maken dat mensen ook zullen opstaan met een lichaam, maar met een nieuw lichaam. Zoals een zaadje sterft in de grond als het is gezaaid, en daarna zijn eigen vorm geeft aan wat eruit voortkomt, zo sterft ook het aardse lichaam, en krijgen we er een nieuw, geestelijk lichaam voor terug. Waarom zo moeilijk? Omdat Paulus daarmee uit wil drukken dat wij uniek zijn en uniek blijven voor God. En dat het leven van ieder van ons, of je nu lang hebt geleefd of kort, of het nu succesvol was of door diepe dalen ging, of je geslaagd bent of steeds niet slaagde in wat je voor ogen had; al onze levens zijn voor God van eeuwigheidswaarde. Dat is wat Paulus bedoelt als hij zegt: Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt. Ons leven heeft voor God eeuwigheidswaarde. En de opstanding na onze dood herschept wie wij zijn, ziel en lichaam.

Dat Jezus is opgestaan uit de dood, en dat wij in zijn kielzog zullen opstaan, straalt terug op ons leven hier en nu. Omdat het leven nooit zinloos is in het licht van de opstanding. En omdat het nooit zinloos is om je in te zetten voor anderen, hoe uitzichtloos hun situatie ook is en hoezeer het leven ook doodloopt. Vandaag wordt dat op Hemelvaart nog eens extra benadrukt, met een paar verzen bij Paulus die draaien om het woord ‘schittering’ of ‘glans’. Paulus verlaat even zijn vergelijking over het zaadje en zegt dan in vers 40: ‘Er zijn lichamen aan de hemel en lichamen op aarde, maar de schittering van een hemellichaam is anders dan die van een aards lichaam.’ En vervolgens heeft elk hemellichaam ook zijn eigen schittering. En dan zegt Paulus dat het ook zo is met de opstanding van de doden: ‘wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt.’

Opstanding laat je stralen. Misschien is dat ook wel het voornaamste dat er gebeurde met Hemelvaart. We noemen het ook wel de verhoging of verheerlijking van Christus, maar wat betekent dat nou? Ik denk dat die hemelvaart ons een doorkijkje geeft in de hemelse werkelijkheid na de opstanding. Dat de leerlingen iets van die schittering die Paulus noemt gezien hebben. Net zoals het stralende licht dat de leerlingen bij Jezus en Mozes en Elia op de berg zagen, waarna Mozes en Elia ineens weg waren in een groot licht, dat dat hier met Jezus gebeurt. De leerlingen kregen een doorkijkje in de hemelse werkelijkheid na de opstanding. En die schitterende werkelijkheid van een nieuw leven dat glans krijgt, moet de leerlingen en ons bemoedigen om verder te gaan.

Want dat het leven hier aards is en doodloopt, en dat velen van ons dat aan den lijve, ook vaak letterlijk, ervaren, wordt gedragen door de hemelse werkelijkheid dat ons leven van eeuwigheidswaarde is. Jezus is bij God, vertelt het hemelvaartsevangelie. En Hij gaat ons daarin voor. Hij is onze voorspraak bij God, om ons leven niet te laten blijven bij wat het nu is, dat hoe mooi het ook kan zijn, het leven hier wel afloopt, doodloopt. Die hemelse werkelijkheid laat ons stralen. Die verheerlijking geeft ons schittering. Omdat ons leven van eeuwigheidswaarde is, mag dat van ons afstralen. In waar we voor staan, en in waartegen we opstaan. Als we zien dat mensen lijden onder onrecht. Als we zien dat mensen verloren dreigen te gaan door wat hen wordt aangedaan of wat er in hen woedt aan onrust en pijn. Het mag van ons afstralen als we ons inzetten voor anderen, en het mag van ons afstralen als we in ons eigen leven ergens voor gaan. Voor dromen en idealen die misschien allemaal niet zo realistisch lijken, maar die getuigen van een andere, hemelse, werkelijkheid, die wel degelijk ook hier voet aan de grond kan krijgen. Ongekende mogelijkheden laat zien. Doen wat goed is, niet omdat het verstandig is, maar omdat het goed is. Punt. Durven kijken voorbij wat er zich voor je neus afspeelt en kijken of het niet anders kan. Omdenken en niet vastdenken. Niet bij problemen blijven staan, maar mogelijkheden zoeken. En ja, dat is niet makkelijk, want nee, het leven is niet altijd leuk, of misschien zelfs altijd niet leuk. Maar het leven is niet meer alleen dit leven hier en nu, het staat in het stralende licht van de opstanding van Christus en zijn hemelvaart, waarin Hij bij God onze voorspraak is. Om ons te laten delen in Zijn opstanding. Zodat niets verloren gaat van wat Gods hand met ons begon. Straal dat uit in je leven en ga daarmee verder. Op weg, net als de leerlingen, in de belofte dat Zijn Geest ons zal helpen. Ook hier zijn we niet alleen, we hebben niet alleen een Voorspreker in de hemel, maar ook een Pleitbezorger hier op aarde. Maar dat is de volgende stap op weg naar Pinksteren. In het verhaal dat de komende dagen verder gaat.

dinsdag 7 mei 2013

Nieuw Liedboek brengt tradities bij elkaar - ‘In het zingen zijn we eindelijk eens van het denken af’


Zo divers als de kerken zijn, zo divers zijn ook de liederen die gelovigen zingen. Van al deze soorten liederen zijn er 1016 liederen geselecteerd voor een nieuw Liedboek, dat op 25 mei verschijnt. Om gezongen te worden in de kerk, op school, in clubs en thuis. Een eerste kennismaking wordt door de Protestantse Gemeenten Midden-Langstraat georganiseerd op woensdag 15 mei om 20.00u in de Ambrosiuskerk. We gaan lekker zingen onder begeleiding van twee zanggroepen. Ds. Wim van der Aa leidt het nieuwe Liedboek in. Toegang is vrij; een proefbundeltje kost €1.


Veel mensen zingen graag. Goed of minder goed, dat maakt niet uit. ‘In het zingen zijn we eindelijk eens van het denken af’, zei de theoloog Van Ruler. Ook gelovigen mensen zingen vaak graag, en niet alleen in de kerk. De kerken verschillen in wat ze in hun kerkdiensten zingen. In ieder geval de psalmen, de geloofsliederen uit de bijbel, vaak aangevuld met bepaalde gezangen en liederen. Maar ook buiten de kerkdiensten wordt door gelovigen gezongen. Op de zondagsschool en tijdens clubs, maar ook op school en thuis. Om alleen te zingen, of met elkaar. ‘Zingen is twee keer bidden’, zei een kerkvader. En vaak zingen we dan uit een breder repertoire: opwekkingsliederen en kinderliederen. Maar ook meer spirituele liederen uit de traditie van Taizé en Iona, die mensen soms kennen van vakantie bij een bezoek aan die plaatsen. En er zijn natuurlijk de oude klassiekers van Johan de Heer. Zo zijn er in de loop der tijd heel veel verschillende soorten liederen gangbaar geworden. Daarom putten veel kerken en gelovigen naast de gangbare liedboeken ook uit andere bundels, soms ook in de kerkdienst, maar daarnaast voor clubs, school en thuis.

Zo werd het tijd voor een nieuw Liedboek, waarin al die soorten liederen samenkomen. De Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied presenteert dat liedboek op zaterdag 25 mei in Monnickendam. Naast de Protestantse Kerk in Nederland hebben o.a. ook de Nederlands Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en Protestantse kerken uit België hieraan meegewerkt. Een bundel liederen waaruit iedereen zijn liederen kan putten die graag gezongen worden in kerkdiensten, op clubs, scholen en thuis. Een bundel die bedoeld is zodat iedereen zijn eigen liederen kan zingen en daarnaast kan kennismaken met tal van andere liederen die medegelovigen zingen.

Een eerste kennismaking organiseren de Protestantse Gemeenten Midden-Langstraat op woensdagavond 15 mei in de Ambrosiuskerk om 20.00u. Er is dan een bundeltje beschikbaar met 40 liederen uit verschillende tradities die in het liedboek zullen verschijnen. Het bundeltje is verkrijgbaar voor de kostprijs van €1. De zanggroep van de Protestantse Gemeente Waalwijk en de cantorij van de Gereformeerde Kerk Sprang-Capelle e.o. hebben een aantal liederen al geoefend zodat we ze makkelijk met elkaar zullen zingen. Ze staan onder leiding Gerard Boersma en Corine Vreeken. Ds. Wim van der Aa zal enige achtergronden vertellen bij de totstandkoming en de samenstelling van het nieuwe Liedboek. Van der Aa was betrokken hierbij. Meer informatie over het nieuwe Liedboek is te vinden op www.liedboek.nl en op www.eennieuwliedboek.nl, waar ook een eerste lijst van 173 liederen gepubliceerd is die in het liedboek zullen verschijnen.

Meer info: ds. Otto Grevink, 0416-349952 en oogrevink@kerkinwaalwijk.nl, www.kerkinwaalwijk.nl

Opstanding is bevrijding - preek op Bevrijdingsdag 5 mei 2013



Geluidsfragment/podcast via www.kerkomroep.nl

Vandaag is het Bevrijdingsdag. Een feestdag die volgt op de dag van Dodenherdenking. Het zijn dagen die we over hebben gehouden aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Maar in de loop van de tijd zijn deze dagen ook in het teken gaan staan van alle slachtoffers van zovele oorlogen en conflicten, dichtbij en ver weg. En dan natuurlijk ook voor alle strijders, militairen en mensen die op andere manieren verzet boden tegen tyrannie, die sneuvelden of juist een onuitwisbare indruk van vrijheid gaven.

Voor mijzelf zijn het ook dagen die me doen beseffen wat de kern van ons geloof is. De kern die ook Paulus in het vijftiende hoofdstuk van zijn eerste brief aan de inwoners van Korinthe, benoemd. Voor Paulus is de kern van het geloof de Opstanding. En dat is de kern voor mij ook. Ik denk dat het een kern is die niet meer voor elke gelovige vanzelfsprekend is. Want de eerste vraag is dan meteen: ja, maar hoe dan? Daar komen we zo op. Eerst is de vraag waarom de Opstanding zo belangrijk is voor het geloof dat het de kern is?

Als het om de Opstanding gaat, dan gaat het natuurlijk allereerst om de Opstanding van Jezus Christus; het verhaal van Pasen. En in Jezus’ kielzog mogen wij delen in die Opstanding. Maar wat betekent dat dan? Als ik het voor mezelf moet omschrijven dan betekent Opstanding gewoon dat Jezus niet dood is, maar dat Hij leeft. En geen woordspelletjes van ‘Hij leeft voort in onze gedachten of in onze nagedachtenis zoals straks tijdens het Avondmaal’, nee: Jezus leeft zelf. Hoe? Geen idee, dat is Gods werk. En dat is niet flauw afschuiven. Dat is nu juist het wonder. Jezus leeft en wij met Hem.

En ik zeg het niet alleen met mijn hoofd, ik kan het ook voelen. En ik zal u vertellen waar de Opstanding dan voor mij over gaat. Opstanding gaat hierover dat de dood niet het einde is. Dood is niet dood. Dat betekent dat elk leven dezelfde waarde heeft. Of het nu lang heeft geduurd of kort. Of het nu succesvol is geweest of een groot diep dal. Of het nu sterk is geweest of zwak, ook in de morele zin of iemand goed te noemen was of slecht. Al onze levens, hoe ze ook lopen, dankzij en ondanks ons; al onze levens hebben dezelfde waarde. Waarom? Omdat er bij de dood geen eindafrekening ligt te wachten, of zelfs niet dat we in de dood toch allemaal gelijk zijn omdat we immers allemaal een keer dood gaan. Nee, al onze levens hebben dezelfde waarde omdat ze voor God van eeuwigheidswaarde zijn. Ons leven houdt niet op bij wat wij niet voor elkaar kregen. Ons leven houdt niet op bij wat we hebben nagelaten. Ons leven houdt niet op bij alle breuken die we ervaren in ons leven. Ons leven houdt niet op bij de ziekten die ons overkomen, geestelijk en lichamelijk. Ons leven houdt niet op bij onze dood. Ons leven is meer, veel meer dan wat wij doen en wat ons overkomt. Zelfs het meest radicale einde, de dood, waarin we alles verliezen, is het einde niet. Jezus’ Opstanding uit de dood laat zien dat God aan alles wat het leven in ons dooft en doodt, een halt toeroept, en het leven herschept, nieuw maakt, en voort laat leven. Niet in de herinnering van wie achterblijven, maar in God.

En dat: dat ons leven niet ophoudt bij alles waar wij doodlopen of aan dood gaat, maar dat het leven dóórgaat, dat straalt terug naar ons leven hier en nu. En het geeft een enorme kracht om op te staan tegen alles wat het leven tegenstaat. Omdat ik geloof in de Opstanding, blijft ik geloven in een toekomst voor wie geen toekomst ziet. Omdat ik geloof in de Opstanding is niets zinloos wat ik doe voor een ander, zelfs niet als ik daar alleen maar bij zou verliezen. En zij die hun leven gaven voor de vrijheid van anderen, zijn niet dood, zij leven allen. Zij vinden in hun graf bij God gehoor. Het geloof in de Opstanding geeft ruimte om visioenen te hebben van een wereld die echt anders is, omdat de wereld echt anders wordt. Niet door ons, maar omdat God hem zal herscheppen. En dat geeft ons kracht om er nu een steentje aan bij te dragen. En om vol te houden, daar waar alles die visioenen tegenspreekt door oorlog, uitbuiting, onderdrukking, discriminatie. De dichter Van Randwijck schreef in de oorlog, en zijn tekst staat op een monument in Amsterdam: ‘Het volk dat voor tirannen zwicht, zal meer dan lijf en goed verliezen, dan dooft het licht.’ Het geloof in de Opstanding gaat voor mij over daar waar het leven op het spel staat, of aan zinloosheid ten onder dreigt te gaan. Het leven gaat dóór, het zal niet ophouden, omdat het van God komt en God het niet erbij laat zitten. En dat is voor ons een aansporing om het er ook niet bij te laten zitten.

Wie nuchter blijft kijken, blijft zich natuurlijk afvragen: ja, maar hoe dan? Hoe kan een mens opstaan uit de dood? En dan vooral: lichamelijk? In de geloofsbelijdenis die we straks zingen is het al weggemoffeld: daar zingen we van verrijzenis. Maar de klassieke geloofsbelijdenis spreekt van de ‘opstanding des vleses’ ofwel de lichamelijk opstanding. En kunnen we dat nog geloven? Nee toch? Nee, niet als je ervan uitgaat dat dit lichaam wat we nu hebben ons lichaam is na de opstanding. Alsof het niet zou vergaan. Dat zou een nog grotere ontkenning zijn van het leven dan de dood zelf. Alsof ons leven niet onderhevig is aan van alles waar we aan vergaan. Dingen die in ons sterven. Maar ook ons lichaam dat aftakelt en verre van perfect is. Ons lichaam vergaat en dood is in die zin dood, gewoon letterlijk. Maar de dood is het einde niet. En wat Paulus met een lichamelijke opstanding bedoelt te zeggen is dat we niet overgaan in een soort geestelijk mengsel van allemaal zielen, maar dat wijzelf, lichaam en ziel, voortleven. Wij zijn ook ons lichaam, en al ondergaat dat van alles, en vergaat het als we dood gaan, we krijgen een nieuw lichaam terug. Want we blijven wie we zijn. En juist omdat God ons zo serieus neemt, laat Hij het niet bij een geestelijk voortbestaan, maar God geeft aan ons ‘de vorm die hij heeft vastgesteld en hij geeft elke zaadkorrel zijn eigen vorm.’. In het beeld van de zaadkorrel wordt duidelijk gemaakt door Paulus dat we sterven, dat is zo, maar uit dat zaadje komt iets nieuws voort, iets dat net zo uniek is al wij hier op aarde zijn. Niemand gaat verloren, en in die zin gaat ook niets verloren van wie jij bent. De kern van het christelijk geloof, de Opstanding, betekent dat jouw kern te allen tijde bewaard en uniek blijft. Je bent en blijft geliefd door God, wat er ook gebeurt, en of je leven nu kort of lang duurt, en over rozen gaat of vol met dorens ligt. We zijn allemaal gelijk. Want ons leven gaat dóór.

En dat geeft ons de kracht om boven onszelf uit te stijgen en op te staan tegen onrecht, of het nu discriminatie is of onderdrukking, maar ook een depressie of een ziekte van iemand. We blijven geloven in het leven, omdat het niet zinloos is. Zinloos geweld bestaat, maar zinloos leven niet. Niet door wat wijzelf doen, maar door wat God doet; en waardoor wij kunnen leven. En opstaan. Tegen alles wat dat leven bedreigt.

En staan wij daar dan nu alleen in, wachtend tot God ons opwacht? Nee, als Jezus in het Evangelieverhaal zijn einde nabij weet, troost Hij zijn leerlingen met het volgende: Ik stuur jullie de pleitbezorger, de Geest. Een pleitbezorger is iemand die bijstaat, die troost en ook  geestkracht geeft om te kunnen leven hier op aarde.  En daartoe laat Jezus zijn vrede na en geeft Hij die. Een innerlijke vrede die zich uitstrekt over het verleden, waarvoor Hij de vrede nalaat, en over de toekomst, waarvoor Hij de vrede geeft. Vrede is de gemoedstoestand dat we zullen leven voor God, ongeacht wat wij ervan maken en hoe we eraan toe zijn. Vrede ook, om vrede te brengen, om leven te zoeken, om op te staan tegen onrecht en pijn, de tirannie van onderdrukking, van zonde te weerstaan. Het licht nooit te laten doven, omdat het ondoofbaar is. Op Bevrijdingsdag wens ik u die vrede toe. Die vrede, dat is pas echt bevrijding!

dinsdag 23 april 2013

Kerk en Schoolviering in de publiciteit

Onlangs toonde het magazine van de Besturenraad voor christelijk onderwijs interesse in  de kerk en schoolvieringen die we zijn gaan houden sinds een aantal jaren. Een interview daarover leverde een mooi interview op dat in het magazine SBM (oplage 7000 exemplaren) van april is verschenen.



woensdag 17 april 2013

De gemeente in beweging als reisgezelschap


‘Waarom komen ze niet?’ Dat is een veelgehoorde uitspraak over bijvoorbeeld de opkomst bij kerkdiensten en activiteiten. ‘Waarom zien we ze nooit?’ We steken veel energie in het aantrekkelijk maken van alles wat we als kerk doen. ‘Daar wil je toch bij horen?’ Het is dan ook wel eens frustrerend als je er zo aan ‘moet trekken’ maar het niet nieuwe mensen oplevert die komen, laat staan dat alle mensen die wel kwamen blijven komen. We doen er alles aan, maar kennelijk is het niet genoeg?

De vraag is of je die conclusie moet trekken. Ook al zien we dat bepaalde mensen gewoon niet komen of niet meer komen, en ook al zien we dat met name de middengeneratie (laten we zeggen de mensen met thuiswonende kinderen en hun leeftijdgenoten) wegblijft – dat betekent nog niet dat wij niet genoeg doen. Het betekent misschien wel dat wij een ommekeer moeten maken. Letterlijk. Dat wij ons er niet op moeten richten dat mensen komen, maar dat wij naar de mensen toe moeten gaan.

Op maandag 15 april hield dominee Simon Dingemanse uit Maarn een interessante lezing naar aanleiding van zijn boek In beweging blijven. De gemeente op reis met de middengeneratie. Hij vertelde hoe hij in een zoektocht naar een goed model voor de gemeente in deze tijd uitkwam bij de gemeente als reisgezelschap. In de afgelopen jaren is het model van de gemeente als herberg populair geworden. De gemeente als gastvrije herberg waarin de gemeente gastheer en gastvrouw is. Maar dat betekent wel dat mensen moeten komen. En dat doen ze niet altijd, zeker niet in de middengeneratie.

Dingemanse hield tijdens zijn studieverlof gesprekken met mensen uit de middengeneratie. Voor het gemak verbonden we daar de leeftijdsgrenzen aan van 25-50 jaar, maar dat is maar een globale afbakening. Wie zich erin herkent, mag zich ertoe rekenen. Wat deze groep beweegt is allereerst de druk van de combinatie van werk en gezin. De groep heeft last van een chronisch tijdgebrek; alles gebeurt onder tijdsdruk. Ze vinden wel allerlei inspiratiebronnen in mensen en bezigheden, maar kerk en geloof staat onderaan het lijstje. Ze vinden het moeilijk om geloof met het dagelijks leven te verbinden. Het Godsidee vervaagt; er is wel iets, en geloof stemt wel tot dankbaarheid en verwondering. De kerkdiensten ervaart men wel als positief, maar men neemt er minder tijd voor, al heeft men wel behoefte aan rust. Voor vrijwilligerswerk wil deze groep bewust kiezen, zoals men sowieso heel bewust leeft. Maar alles wat deze groep doet is een keuze. En door de overvloed aan keuzen is er dan ook sprake van keuzestress. Men is minder geworteld in een gemeenschap of in een plaats. Er zijn dus minder dingen voorgegeven. Alles is een keuze, en alles gebeurt onder druk.

Als je dit alles zo leest is het niet verwonderlijk als deze mensen niet komen. Het beeld van de kerk als reisgezelschap wil de gemeente ertoe bewegen naar mensen toe te gaan en een tijdje met de mee te gaan. En bij hen te gast te zijn. En daarbij niet alleen oog te hebben voor de zwakke, maar ook de sterke kanten van het leven: succes, geluk, kansen. Opvallend detail was dat veel mensen in de gesprekken kerk zagen als iets voor later als het minder goed gaat. Terwijl geloof er ook is voor dankbaarheid, en om geluk te ervaren, en te delen.

Dingemanse noemde Jezus en Paulus als voorbeeld. Jezus was nooit thuis maar altijd onderweg en bij mensen te gast. En de reizen van Paulus zijn uitvoerig opgeschreven in de Bijbel.      Dingemanse gebruikte het verhaal van Paulus op de Areopagus als voorbeeld. Paulus wordt bij de kladden gegrepen door de omstanders en meegevoerd naar de Areopagus. Hij heeft dus zelf niet het initiatief maar is dus te gast. En hij hoort hoe mensen spreken over het goddelijke. Dat ze of niet kennen, of waar ze niet in geloven, of toch wel, maar dan onbenoemd, in iets… En als hij bij het altaar voor de onbekende God komt, gaat hij die God verkondigen. Hij blijft trouw aan zijn boodschap, maar hoe die boodschap ter sprake komt hangt af van de ontmoeting tijdens zijn reis. Maar hij spreekt in de wij-vorm. Hij plaatst zichzelf ook onder de boodschap, het Evangelie van de Opstanding. Het is Gód die verkondigt. En zo presenteert hij zichzelf als iemand die zich een weg zoekt met zijn geloof door de wereld en met anderen daarover in gesprek gaat en ook zo van anderen leert, en open staat naar hen.

Zo brengt het beeld van de gemeente als reisgezelschap een ommekeer teweeg. Van vasthouden en behouden en afvragen hoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen (blijven) komen naar op mensen afgaan en zoeken naar sporen van het Evangelie in het leven van alledag. Zolang tweederde van deze middengeneratie aangeeft minimaal religieus te zijn, is er nog een wereld te leren aan alles wat deze mensen ons kunnen vertellen wat hen beweegt en is er nog een wereld te winnen voor het Evangelie, dat ons gezamenlijk verkondigd wordt. Om uit te delen en verder te delen. Met Gods hulp, reishulp.

Simon Dingemanse, In beweging blijven. De gemeente op reis met de middengeneratie, Skandalon Vught 2010, ISBN 978-94-90708-03-0

maandag 1 april 2013

Pasen geeft ruimte! - preek Pasen 31 maart 2013




Te beluisteren via Kerkomroep


Toen u vanochtend naar de kerk kwam hield u het denk ik niet voor mogelijk dat het al lang en breed lente is en dat vanmorgen vroeg de zomertijd is ingegaan. Niet alleen valt Pasen dit jaar vroeg; na sneeuw op Witte Donderdag, op sommige plaatsen toch echt wel een laagje, hadden we bijna een witte Pasen. Het weer is er nog niet aan toe. Wij zijn er allang aan toe. Aan de lente dan. Het mag zo onderhand wel eens. Veel mensen roepen in herinnering dat het in andere jaren eind maart warm was, en bewaren daar soms goede herinneringen aan. In ieder geval voedt dat het gevoel dat we echt aan de lente toe zijn. De tuin ook, de knoppen staan ondanks het weer op springen. En wij kijken ook reikhalzend uit naar de lente.

Maar zijn we er echt wel aan toe? En dan bedoel ik niet de lente, maar Pasen? Nieuw leven, nieuw begin? Zijn we daar aan toe? Of zitten we nog teveel verstrikt in het oude? Dat wat ons zorgen baart; dat wat een last op onze schouders is; dat wat we met ons meezeulen, en dat wat misschien soms niemand weet: onze schuld, ons tekortschieten, ons falen? Met die schuld hebben we een dubbele verhouding: aan de ene kant geloven we er niet in – we zijn allemaal mensen; alsof dat een excuus is – en aan de andere kant is het wel in onze wereld een steeds groter wordende realiteit. En ik bedoel daarmee nu eens niet dat dominee gaat vertellen hoe zondig het er in de wereld aan toe gaat. Ik bedoel hoe de wereld er zelf mee omgaat. Aan alle kanten wordt gesproken over schuld. En dan vooral: schuld van anderen. Bankdirecteuren zijn op dit moment dankbare zondebokken. Politici staan op gelijke hoogte of net nummer 2. Maar het gaat veel verder en het is veel ernstiger. Voor alles wat mensen overkomt zoeken we een schuldige, die we verantwoordelijk kunnen houden. Of het nu de NS is, waarvan de dienstregeling in de soep liep, of een ziekenhuis, waar iets is gebeurd, of een producent van een artikel dat onveilig bleek; we zoeken een schuldige die we verantwoordelijk kunnen houden. We kunnen niet meer accepteren dat dingen gewoon gebéuren. Nee, we zeggen gauw: dat mág niet gebeuren, en zoeken iemand die we daarvoor verantwoordelijk kunnen stellen. Alsof wij de wereld perfect kunnen maken. En eigenlijk gaat het daarbij niet eens om verantwoordelijkheid, maar om aansprakelijkheid. Kunnen we een vergoeding krijgen voor wat dan heet ‘de geleden schade’? Met andere woorden: kunnen we de schuld vergelden?

We maken veel mee. En niet alles gaat goed. Dat is erg, pijnlijk, en anderen spelen daar ook een rol in. Bewust of onbewust. Als dader. Of veel vaker gewoon als betrokkene, omdat je gebruik maakt van iemands diensten of met iemand samenwerkt of gewoon met elkaar in de kerk zit. En wat er steeds meer gebeurt is dat we anderen verantwoordelijk houden, of eigenlijk beter gezegd: aansprakelijk stellen voor wat ons overkomt. We hebben erg weinig geduld met elkaar. We zijn daardoor erg geneigd om ons op onze eigen vierkante meter terug te trekken en de schuld bij een ander te leggen. Onze eigen schuld, onze medeverantwoordelijkheid, hoe klein ook, zien we niet meer. Vergelding, daar gaat het om. Die ander moet bloeden. Vergeven kunnen we pas als die ander gebloed heeft. Of soms zelfs, niet meer bestaat. Letterlijk, of omdat die ander niet meer in je leven is, of omdat je niet meer met die organisatie te maken hebt. Wie of wat je verbant uit je leven kun je wel vergeven, maar hoe gaat dat als iemand betrokken blijft bij je leven?

Deze focus op vergelding die we veelvuldig terug zien in klachtenprocedures en in rechtszaken, soms jarenlang, heeft een tweede schaduwzijde. Wie werkelijk schuldig is en verantwoordelijk en aansprakelijk wordt gesteld, trekt zich sneller terug op zijn eigen vierkante meter en ontkent of verzwakt schuld zover als hij kan. Verzachtende omstandigheden, onwetendheid om incidenteel geheugenverlies, of ronduit het ontkennen van verantwoordelijkheid, maakt dat de wonden open blijven, aan de kant van wie zich slachtoffer voelt en aan de kant van wie aansprakelijk wordt gesteld. En zo klagen we over te lage straffen voor personen die we er makkelijk weg van vinden komen. Maar zo blijft de wond, de schuld, etterend tussen mensen in staan. Waarom die voortdurende drang om anderen verantwoordelijk te houden voor wat ons gebeurt, en aansprakelijk te stellen om de schuld te kunnen vergelden? Van wie hebben we dat geleerd?

Niet van God.

Nu is God niet iemand die licht met schuld omgaat, maar Hij gaat er wel anders mee om. We lezen vandaag een laatste stuk uit de boeken Samuël. Een toegevoegd stuk aan het eind dat teruggrijpt op het moment dat de eerste koning van Israël, Saul, achter zijn opvolger David aan zit. En op momenten dat David in hevige strijd verwikkeld was met zijn vijanden. Dit lied is als psalm 18 nogmaals in de bijbel gekomen. Toch klinkt dit lied behoorlijk zwart wit. David is de rechtvaardige, de oprechte, staat er even later, en God gaat tegen de vijanden behoorlijk tekeer. Maar bekijk het nu eens vanuit Davids perspectief. Zo rechtvaardig was hij helemaal niet. Zijn grootste zonde was het ombrengen van Uria om diens vrouw Batseba te bemachtigen. Legt ook hier David alleen de schuld bij de ander? Nee. David heeft berouw getoond toen de profeet Nathan hem aansprak, en God heeft hem vergeven. En dát is precies waar het in onze samenleving aan ontbreekt: berouw en vergeving. Omdat de samenleving niet kan leven met schuld, zoekt ze verantwoordelijken die aansprakelijk kunnen worden gesteld, en bij wie de schuld kan worden vergolden.

God gaat een andere weg met ons. Hij gaat niet voorbij aan de schuld, ook niet aan de onze. Maar God ziet tegelijkertijd hoe ons dat verkrampt. Als er iets misgaat tussen mensen, dan voel je hoe moeilijk het is om allereerst toe te geven dat er iets mis is gegaan, laat staan dat je daar een aandeel in hebt. Om nog maar te zwijgen van onze schuld aan God. We zijn als de dood dat ons iets zou kunnen worden aangerekend. Waarom zouden we dat zijn? Door trots of hoogmoed, allicht. Maar meer nog dat we bang zijn dat we dan niet meer kunnen bestaan. Schuld is dodelijk. En dat is wat David ook ervaart. En de enige weg die hij kan gaan is berouw te tonen. En bij deze schuldbekentenis blijkt de weg niet dood te lopen, maar open te liggen. Zo ervaart David zijn God. ‘In mijn nood riep ik tot de Heer, ik riep mijn God om hulp, en in zijn paleis hoorde hij mijn stem, mijn geroep klonk in zijn oren.’ Letterlijker vertaalt staat er: ‘In dit nauw riep ik God aan.’ Niet ‘nood’ maar ‘nauw’. Dodelijke beklemming. En dan, zegt David later in vers 20, leidde Hij mij uit dat nauw en gaf mij ruimte, bevrijdde Hij mij, omdat Hij mij liefhad.

Dat is God. De evangelist Johannes zei het al vroeg in zijn evangelie: ‘Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door hem te redden.’ God wordt vaak verweten dat Hij het nodig vond dat Jezus stierf aan het kruis. Nou zijn wij het die God verwijten dat Hij onze schuld wil vergelden. Maar wat daar aan het kruis gebeurde is niet Gods realiteit, maar onze realiteit. Dat kruis komt niet door God, maar door ons. Door van alles dat dankzij en ondanks ons misgaat. Tussen mensen, in ruzies of veel erger. Waarmee we anderen te kort doen of schade toebrengen, pijn doen. God is geen God met oogkleppen op die zegt: ach, het valt wel mee. Nee, het valt niet mee. Maar Hij maakt er wel zelf een einde aan.

Ook bij David gaat het er heftig aan toe. In de tussenliggende verzen schudt en schokt de aarde onder het geweld waarmee God de vijand bestrijdt. Is dat nou nodig? Kijk naar de wereld en hoe wij hiermee omgaan. Wij maken ook korte metten met wie ons dwars zitten, en we maken er een behoorlijke bende van af en toe. In het groot en in het klein. En ook als het niet dankzij onszelf is, laten we het wel gebeuren. Voor de lieve vrede zeggen we er niets over. Het is nu een keer zo. Zo gaan die dingen. Maar God neemt daar geen genoegen mee. God is al die hectiek, al dat gekronkel, al dat in bochten wringen, al dat verkrampte leven meer dan zat. Niet om over ons te oordelen, maar om ons te bevrijden. God wil dat we kunnen leven. Daarom is die zin de David spreekt zo mooi: ‘Hij leidde mij uit de nood, uit de kramp, en gaf mij ruimte, omdat hij mij liefhad.’ Ja, God hield behoorlijk huis. Maar het ruimde ook lekker op, om het maar eens zo te zeggen. God negeert de schuld die wij hebben naar elkaar en naar hem niet, maar laat het er ook niet bij. Laat ik het zo zeggen: als iemand in je huis grondig komt schoonmaken, en als een witte tornado door je huis gaat, dan weet je niet wat je overkomt, maar het ruimt wel lekker op. Kijk maar om je heen: het is wel schoon en alles staat weer op zijn plek. Rust. Wat je zelf niet voor elkaar kreeg is wel gebeurd. Ja, God wijst ons op onze schuld en tekortkomingen die we liever bedekken, maar God staat ook niet toe dat we de schuld steeds bij de ander leggen. Maar ook: en dat is veel bevrijdender: dat we zelf de schuld onder ogen durven zien én vergeven worden.

Want dat is het grote verschil hoe God met schuld om gaat en hoe de wereld met schuld omgaat. Bij God is er vergeving. En niet alleen vergeving van elkaar, maar ook van jezelf. Want daar begint het mee. De kramp waardoor je niet in staat bent om je eigen schuld onder ogen te zien, omdat je er anders aan onderdoor gaat. Maar ook de kramp tussen mensen, waardoor het niet mogelijk is elkaar te naderen, weer gewoon te luisteren en verder te gaan. God doorbreekt met de opstanding van Jezus uit de dood de eeuwige goed en fout tegenstelling; het alsmaar elkaar de maat nemen, van: dit doe je verkeerd, en dat doe jij verkeerd. En dat doorbreken van goud en fout geeft een enorme ruimte!

Als Maria uiteindelijk Jezus herkent in de graftuin, zegt Jezus: ‘Hou mij niet vast.’ Dat betekent: ‘Maria, neem de ruimte in, net als Ik. Ik ben nog niet opgestegen, rustig maar. Maar zeg wel tegen mijn broeders en zusters dat ik zal opstijgen naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ Er is geen afstand meer tussen ons en God. Geen afstand, omdat we Hem niet onder ogen zouden kunnen komen. Nee, er is geen kramp meer, er is ruimte!

En dat lieve mensen, dat is wat wij als gelovigen te bieden hebben aan de wereld. Ruimte om uit de kramp van schuld te komen. En vergeving te vinden met God en met elkaar. Zo vaak worden mensen afgerekend op wat ze niet kunnen of niet halen of wat ze doen. En of dat nu verwijtbaar is of niet, en er is veel verwijtbaar, daar kopen we niets voor. Natuurlijk moet het recht zijn loop hebben. Maar wat vooral moet gebeuren is dat mensen hun eigen schuld onder ogen durven zien, zonder dat er meteen vergelding op volgt. Ministers durven al geen sorry te zeggen uit angst dat er dan claims komen. Ik zeg niet dat die claims niet mogen, maar wel dat we gauw geneigd zijn ons in te dekken. En indekken is kramp. Laten we leven, voluit de ruimte nemen. Ook in de kerk. Omdat het een vreugde is dat we niet bestaan omdat we onze schuld bedekt kunnen houden of niet uit hoeven te spreken, en in gevecht met elkaar leven. Het is een vreugde dat we er gewoon mogen zijn en ja, met onze pijn, maar ook met wat gewoon niet goed zit in ons. Laten we samen naar de ruimte zoeken om weer volop mens, om weer volop kerk te kunnen zijn. Leven na Pasen is spelen. Ruimte krijgen om te leven. En dan gaat de zon wel weer stralen, en steken we elkaar ook weer aan en zetten we elkaar in vuur en vlam. Vandaag is de wereld voorgoed veranderd. Vandaag begint het leven. Neem de ruimte die je krijgt, speel met het leven, speel met elkaar. Omdat er nieuw leven is!

Niet tekort komen - preek Witte Donderdag 28 maart 2013




Te beluisteren via Kerkomroep


Op Witte Donderdag hangt er iets dreigends in de lucht. Heel concreet zelfs. Nog voordat Jezus en de leerlingen aanliggen aan het Pesachmaal, kondigt Jezus aan dat een van hen Hem zal overleveren. De maaltijd staat in het teken van het onherroepelijke en onvermijdelijke einde van het leven van Jezus hier op aarde. En nu is het niet zo dat iedereen dat kan meemaken. De leerlingen zitten er voor ongeloof naar te luisteren, en zien hoe Judas uiteindelijk verdwijnt om te doen wat hij moet doen. Bij de voetwassing is het Petrus die vol ongeloof het gebaar van zijn Meester aanziet, en hij kan het niet aanzien. ‘O nee, mijn voeten zult u niet wassen, nooit!’ En als Jezus daarop antwoord: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen – kun je mijn deelgenoot niet zijn’ dan zegt Petrus: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd – alles.’ Wat Jezus probeert is om zijn leerlingen, om ons deelgenoot te maken van wat er gaat gebeuren. Van wat er is gebeurd. En wij zien het vol ongeloof aan. Want delen lijkt alleen maar verlies te zijn. Dan wordt wat je hebt minder. Bovendien: als je het aanvaardt, het teken van brood en wijn, en van de voetwassing, dan schept dat verplichtingen. Dan zit je er midden in. Moet je zelf ook gaan delen, moet je jezelf delen. En willen we dat? En meer nog: kunnen we dat? Petrus faalt, als hij drie keer zegt dat hij Jezus niet kent. En wij met hem.

We hebben even vluchtig een inkijkje in het verhaal van David. Die koning met messiaanse trekken, van wie Jezus afstamt. Door de Veertigdagentijd zijn we op zoek geweest naar de familietrekken tussen David en Jezus, om zo meer zicht te krijgen op wie Jezus is. Vandaag lezen we kort uit het verhaal op het moment dat David Jeruzalem heeft verlaten, op de vlucht voor zijn zoon Absalom die hem naar de kroon steekt. Op de vlucht is hij. In tegenstelling tot Jezus gaat hij niet Jeruzalem in maar juist uit, en lijkt hij zijn lijden te ontvluchten. Maar dat is maar schijn. Het echte lijden zit in de vlucht, niet in het blijven in Jeruzalem. David heeft iets te behouden in het lijden, hoe gek dat ook klinkt. David heeft de lijn naar Jezus te verliezen als hij zich overgeeft aan Absalom. Absalom is niet degene die hem moet opvolgen, maar Salomo. En zo loopt de lijn in de toekomst door naar Jezus. Natuurlijk weet David niet van Jezus, maar hij weet wel waar zijn koningschap voor bedoeld is. Om door God generaties lang gevestigd te zijn, om hoop te geven aan de wereld en Zijn koninkrijk te stichten. Dus: als David zich had overgegeven aan Absalom, dan had hij daarmee God verloochend.

Dus Davids vlucht heeft iets Messiaans. En zijn lijden is messiaans lijden. En dan klinkt het toch wel mooi dat midden in de woestijn een dienaar – dat klinkt nog mooier dan een knecht – naar David toekomt met een span ezels bepakt met voedsel en drinken. Maar pas op. Wie is die Siba? Identificeer je eens even? Siba is de knecht van Mefiboset, de aan beide voeten verlamde zoon van Jonathan, de zoon van Saul. Mefiboset is de enige overlevende uit de strijd tussen David en Saul. Vanwege het verbond van David met zijn vader Jonathan, zijn vriend en zoon van Saul, blijft Mefiboset in leven en wordt Siba zijn verzorger. En het is deze Siba die naar David komt met een span ezels en voedsel en drinken.

Maar pas op. Zijn missie is bedrieglijk. Als de koning vraagt: ‘Wat hebt u daar?’ zegt Mefiboset: ‘De ezels zijn voor de Koninklijke familie’. Dat is mooi, en het doet ook denken aan het messiaanse karakter van Davids koningschap. Geen grote koningen, strijdvaardig op paarden, maar op ezels. Zoals Jezus Jeruzalem binnenkwam op een ezel. Maar: waarom zegt Siba niet gewoon: ‘Deze ezels zijn voor u en uw familie.’ Welke Koninklijke familie bedoelt hij. Is hij in gedachten overgelopen? Even later zal hij dat beweren van zijn meester Mefiboset – dat deze weer Sauls dynastie nieuw leven in zou willen blazen. Ongelofelijk en het is ook niet waar. Siba blijkt een bedrieger. Maar door zijn bedrog laat hij wel Davids messiaanse karakter zien. Luister maar verder: ‘het brood en de vruchten zijn voor de soldaten’. Mooi en zeer welkom. Maar de vruchten, zomerfruit is het, zal door de Judeeërs worden ingezameld aan de vooravond van de ballingschap. En ‘wijn om te drinken voor wie uitgeput raakt in de woestijn’? Klinkt mooi, maar zou je niet liever water willen? En doet de wijn tegelijkertijd niet denken aan de zure wijn die Jezus te drinken krijgt?

Siba ontpopt zich als iemand die wil heersen. Als iemand die hier David probeert te dienen om er zelf beter van te worden. Om inderdaad alle bezittingen van Mefiboset toegewezen te krijgen als beloning voor wat bedrog blijkt te zijn geweest.

Maar wat is werkelijk dienen? Werkelijk dienen is delen. Iets van jezelf prijsgeven om het te laten vermenigvuldigen. Zoals Jezus het brood brak. Niet alleen tijdens het Laatste Avondmaal, maar ook tijdens de wonderbare broodvermenigvuldiging. Jezus deelt zichzelf tijdens het Laatste Avondmaal. In de hoop dat wij het beamen en verder delen. ‘Doe dit om Mij te gedenken’. Niet voor niets collecteren we als we aan het Avondmaal gaan. Om zelf weer verder te delen in de wereld. Als Jezus de voeten van zijn leerlingen wast, dient Hij en deelt Hij. Hij zegt dat Petrus zo deelgenoot aan Hem kan worden. De ander dienen is delen. Daar is Petrus maar al te bang voor. En dus wil hij meer hebben. Zo onzeker is hij.

Waar halen we het vertrouwen vandaan als we delen? Ik vond het in psalm 23. De Heer is mijn herder, staat er. En dan: ‘Ik kom niets tekort’. Maar dat klinkt me zo nog teveel ‘wie goed doet goed ontmoet’ of ‘als je maar vraagt kom je niet tekort’. Nee, een andere vertaler schreef: ‘ik kom niet tekort’. Zonder de s. Een wezenlijk verschil. Komen we nietS tekort? Allicht komen we iets tekort. En niet alleen omdat we graag iets zouden willen hebben. Ook omdat we dingen verlangen, maar ook vrezen. Omdat we houvast zoeken. Tekort gedaan worden. Misschien wel niet lijken te mogen bestaan. En dan: De Heer is mijn herder. Ik kom niet tekort. Het gaat er niet om dat je niets tekort komt. Het gaat erom dat we bij Jezus, dat we bij God, dat krijgen wat we nodig hebben.

Wees niet bang dat je te weinig hebt, of zelfs niet dat je tekort bent gekomen, om Jezus te volgen. En om iets te delen te hebben in de wereld. De Heer is onze herder, wij komen niet tekort. Het draait niet om ons, maar om Hem. En dan komen wij niet tekort. Maar zal er gedeeld worden, in overvloed, om Hem te gedenken.