dinsdag 17 september 2013

Schrijf niemand af - preek 15 september 2013


Beluister de preek via Kerkomroep

Bent u wel eens iets kwijt? Vast wel. Of het nu autosleutels zijn, je portemonnee of tas, je telefoon, of gewoon de draad of de kluts: we zijn allemaal wel eens iets kwijt. En we kennen dan ook allemaal het gevoel als je iets terugvindt. De opluchting en de ontlading van de stress omdat het nooit gelegen komt.

Maar wat als je iets verliest? Het dus niet meer terugvindt? En wat als dat niet iets is, maar iemand? En nee, dan denk ik niet aan mensen verliezen aan de dood. Ik denk aan mensen verliezen aan het leven. Gewoon omdat je uit elkaar bent gegroeid. Of omdat er iets gebeurd is. Of omdat het gewoon gebeurde. Dat iemand die altijd deel uitmaakte van je vriendenkring, van je familie, of van je kerk, zijn eigen weg kiest? Hoe ga je daarmee om? Ik denk dat we veel sneller dan dat we willen toegeven mensen afschrijven. De rijen of de kring sluiten, en weer verder gaan. Gewond misschien, maar toch, doorgaan. Theoretisch klinkt het allemaal mooi: het verlorene zoeken. Maar als het op de praktijk aankomt is het een stuk lastiger.

Laten we daarom ook niet te snel verontwaardigd zijn over God, als Hij tegenover Mozes zegt dat Hij het onhandelbare volk in Zijn brandende toorn wil verteren. Het zijn grote woorden: een onhandelbaar volk in Zijn brandende toorn willen verteren. Maar het is zo menselijk als wat. Hoe erg kun je niet vreselijk kwaad zijn op iemand die je onrecht aandoet en inderdaad witheet iemand tot zijn schoenveters willen afbranden. Ja, ik zeg het maar wat platter, maar dat is wat er staat. En dus niet meer dan herkenbaar.

Maar we moeten ons door die emotie ook niet teveel laten afleiden. Want dan ontgaat ons de diepere laag. De sterke verhalen van de bijbel zijn juist zo sterk omdat ze voorbij onze eerste indrukken en emoties, en wat we dan denken van God, een veel diepere laag hebben dan je op het eerste gezicht dacht te lezen. We hebben afgelopen maandag met bijna twintig mensen heerlijk zitten spitten in de verhalen over Elia, en hier kun je ook veel meer de diepte in om het verhaal beter te verstaan.

Als je teruggaat naar het begin van hoofdstuk 32 dan lees je over het volk dat lang wachtte op Mozes, en toen hij maar niet de berg afkwam, zich samendromde rondom Aäron en tegen hem zei: “Maak een god voor ons die voor ons uit kan gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.” Nou, vervolgens vraagt Aäron alle gouden oorringen en smelt ze om tot het bekende gouden kalf. En het volk roept dan: “Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid.” En daarna vieren ze uitbundig feest.

Dit feestgedruis is tot boven op de berg te horen, waar ons verhaal begint. En daar ontbrandt God in zijn woede. Hij wil van dat volk af en met Hij probeert Mozes te paaien door te zeggen dat Hij met hem opnieuw zal beginnen. Je zou haast medelijden krijgen met Mozes, die zo tussen twee heten vuren instaat. Eén smeltvuur van het gouden kalf, en één vuur van Gods ontbrandende woede. En het volk lijkt het slachtoffer. Nog even en we geven God de schuld van zijn eigen razernij en wens om zijn volk te verteren in zijn woede. Oppassen dus en even heel goed lezen.

Ja, Mozes staat tussen twee vuren in. Maar wie in het midden staat: daar draait alles om. En hier dus ook. Het draait om Mozes. Hij staat er tussenin, in het midden, en daarmee in het middelpunt. Dat volk beneden merkt niets van die brandende woede en het steekspel tussen God en Mozes. Nee, het draait om Mozes. En dat alles draait om de ene vraag: wie is God? God zelf, dat gouden stierkalf, of Mozes? Ja, Mozes. Want het volk zegt aan het begin: ‘Maak een god voor ons die voor ons uit kan gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.’ En als ze dan het gouden beeld hebben zeggen ze: ‘Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid.’ Niet God is vervangen door het gouden stierkalf, maar Mozes. En het volk zag Mozes dus kennelijk als een soort god. Of althans, dichtte hem een bepaalde goddelijkheid toe. Dat zie je wel vaker bij leiders. En Israël herinnerde zich dat uit Egypte, waar, precies, de Farao god zelf zei te zijn. De titel om het zo te zeggen ‘Hij, die je uit Egypte heeft geleid’ komt alleen God toe. Dat zie je door heel Exodus heen bij alle geboden en voorschriften. Wie is God? Degene die het volk Israël uit Egypte heeft geleid. En hier wordt die titel gebruikt door het volk eerst voor Mozes en dan voor het gouden kalf.

En daar spreekt God hem op aan. ‘De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga terug naar beneden, want jouw volk, dat je uit Egypte hebt geleid, misdraagt zich.’’ Dus God gebruikt hier precies dezelfde woorden om aan te geven wat er aan de hand is. Hij zegt nota bene dat het Mozes’ volk is, dat Mozes uit Egypte geleid zou hebben. Nee, maar zo is het toch niet, zal Mozes gedacht hebben. ‘Het is úw volk God, en ú hebt het uit Egypte geleid.’ Precies, en al die woede van God is dus miskenning, en de boodschap is: schrijf Mij niet af. Schrijf God niet af. Hij is het die je uit Egypte heeft geleid. En niemand anders. Wat betekent dat voor ons? Hij is het die ons van ons Egypte, van ons angstland, van ons angst en zorgen verlost. We moeten niet ons heil ergens anders gaan zoeken. Want daar vind je het niet.

En net zo belangrijk om God niet af te schrijven, is het ook om mensen niet af te schrijven. Als wij beeld van God zijn, geschapen naar Gods beeld, dan moeten wij evenmin mensen afschrijven. Zelfs als we in zo’n zelfde positie zitten als God hier. Namelijk dat iemand volledig zijn eigen gang gaat, of een aantal mensen hun eigen gang gaan en daarbij het recht met voeten treden. In het Evangelieverhaal ben je zo gauw geneigd in het beeld van de schaapherder medelijden te hebben met dat verloren schaapje. Ach, dat schaapje wist de weg niet meer, maar gelukkig, hij is weer gevonden. En wat ziet ie er lief uit. Nee, het beeld van het verloren schaap is net als het verloren volk bij Mozes. Het verloren schaapje is niet een wit schaapje, maar een zwart. Het is verloren geraakt, niet verdwaald. Het is zijn eigen gang gegaan. Eigenlijk net als de verloren zoon. Daar moeten we ook niet te heilig over denken. Die wenst ook zijn vader dood als hij de erfenis opeist. Die doet ook alles wat God verboden heeft. Die denkt ook als hij de varkens beter eten ziet krijgen dan hijzelf: laat ik maar teruggaan naar mijn Vader, misschien als ik sorry zeg dat ik dan in ieder geval weer fatsoenlijk te eten heb. Er zit vooralsnog niets goeds in die jongen hoor. Net zomin als in dat zwarte schaapje, en in dat volk rondom dat gouden kalf. En als een vrouw één drachmen verliest, dan kun je je afvragen wat er nu zo goed is aan alles op alles zetten om een muntstuk terug te vinden. Want is geld zo belangrijk? Nou precies. Het hele Evangelieverhaal wil laten zien dat het helemaal niet zo vanzelfsprekend is om het verlorene te gaan zoeken, omdat er iets aan dat verlorene kleeft. Net als bij die verloren zoon. Verloren zijn is in de bijbel verwijtbaar, niet een droevig lot. Het gaat om mensen die vanwege allerlei keuzen de weg zijn kwijtgeraakt, of hun eigen weg zijn gegaan. Er zullen ongetwijfeld verzachtende omstandigheden zijn, maar dit Bijbelverhaal wil samen met dat over Mozes laten voelen dat het helemaal niet zo makkelijk is die verzachtende omstandigheden te voelen. Iemand kan zich onmogelijk hebben gemaakt. Of gewoon niet meer passen in de groep waar je bij hoort. En hoe moeilijk ook: toch moet je daar een boodschap aan hebben.

Laat ik het zo zeggen: een bedrijf kan zich permitteren om alleen de beste mensen te zoeken en aan te nemen, en de zwaksten te ontslaan. Maar in de gemeenschap van mensen, in het samenleven van mensen, is er geen buiten en binnen. We zijn allemaal beeld van God. Dus als iemand niet mee kan komen, of vreemd is, dan is het jammer dan. Nee, niet van die persoon, maar van wat de rest in gedachten had. Dan moet het maar anders, op een manier dat die ander wel meekan. Of het nu in het klein gaat om het zwarte schaap van de familie, of de vreemde eend in de bijt, of om buitenlanders in je dorp die zich anders gedragen of zelfs misdragen, aso’s in je straat, ja jammer dan: that’s life. We kunnen het ons niet permitteren mensen af te schrijven. Want God schrijft niemand af. Dat is wat Hij Mozes laat zeggen. Want Mozes zegt terecht: ‘Aan Abraham beloofde u zoveel nakomelingen te geven als er sterren aan de hemel zijn.’ En aan die sterren mag er geen één ontbreken, ook de sterren niet die vallen of die doven. Want mocht je zelf ooit verloren raken; wat zou je blij zijn als er naar je gezocht wordt, en door God wordt gevonden. 

dinsdag 10 september 2013

Tell the Story! - Preek op de startzondag 8 september 2013


Beluister de preek op Kerkomroep

Aan het begin van het nieuwe seizoen zou ik met u willen nadenken over de vraag: waar begint het geloof mee? Wat staat er aan de wieg van je geloof? Hoe is het zo gekomen dat je gelooft? Voor velen van ons staat inderdaad de wieg aan het begin van het geloof. Geloven is dan als het ware je met de paplepel ingegoten. Het geloof maakte deel uit van het gezinsleven op een bepaalde manier. Bijvoorbeeld door het bidden voor de maaltijd, of lezen uit de Bijbel na de maaltijd, school en zondagsschool, kerk, jongerenvereniging of wat dan ook. En misschien gewoon omdat iedereen geloofde, in je gezin, familie, vriendenkring, of zelfs in het dorp. En op een of andere manier is dat geloof bij je gebleven. Misschien met een pauze tijdens je pubertijd of studietijd. Maar toch, het geloof is bij je gebleven.

Het kan natuurlijk ook zo zijn dat het geloof iets is dat je pas later in je leven tegenkwam. Bijvoorbeeld omdat je een relatie kreeg met iemand die gelooft. Of omdat het op de een of andere manier op je pad kwam. En waar begint geloven dan mee? Niet met iets dat er al is. Geen gezinsstructuur, hooguit in je schoonfamilie, waarin het geloof een gegeven is. Ja, je komt het geloof tegen in mensen om je heen, maar je moet er zelf voor kiezen. Maar laten we wel wezen, voor iedereen komt er een moment dat je zelf de keuze moet maken: ja, ik ga door met geloven. Als je naar school gaat en zelf mag beslissen of je naar de kerk of naar jeugdactiviteiten gaat; als je gaat studeren en je eigen ritme in huis, studie en werk moet vinden; als je een relatie krijgt en beslist wat waardevol voor jou is dat je moet kunnen delen in je relatie; als je kinderen krijgt en beslist wat je ze mee wil geven; ja dan komt de vraag op: is dat geloof, dat ik mee heb gekregen of tegen ben gekomen, zo waardevol voor mij, dat ik ermee doorga? En die vraag is eigenlijk tot twee woorden te reduceren: geloof ik? Geloof ik?

En waar begint dat geloof dan mee? In het oude Israël beantwoordden ze die vraag heel simpel: met het vertellen van verhalen. Daar begint geloof mee. Geloof is niet iets dat uit de hemel valt en nog minder iets dat je mensen oplegt. Geloof begint met het vertellen van verhalen. Wat voor verhalen vertelde het oude Israël? Nou, verhalen die in de Bijbel terecht zijn gekomen. Verhalen die aangrepen. Verhalen die men doorvertelde omdat men ze belangrijk vond. En niet zomaar leuke verhaaltjes, en zeker geen sprookjes, maar verhalen waarvan men het gevoel had dat God daarin meekwam. Dat God ze als het ware zelf vertelde. Nee, niet alsóf God ze zelf vertelt. Men hoorde in de verhalen echt iets van God en over God in die verhalen. Door de verhalen leerden mensen God kennen. Door verhalen kun je iemand leren kennen. Door wat hij gedaan heeft krijg je een indruk van wie hij is en wat hij betekent voor mensen. En dat kan ook een betekenis voor jou krijgen. Omdat wat die persoon zegt en doet ook belangrijk voor jou wordt. Hij krijgt betekenis in jouw leven. Hij opent je de ogen, laat je voelen wat je belangrijk vindt, geeft je vergezichten, dromen, idealen. Zonder die verhalen had je hem niet leren kennen. De verhalen ontsluiten iets dat je anders niet te weten was gekomen.

Zo zingt de psalmist in psalm 78 over de verhalen van het geloof. God zegt: ‘Luister, mijn volk, naar wat ik leer, hoor de woorden uit mijn mond. Ik open mijn mond voor een wijze les, spreek uit wat sinds lang verborgen is.’ Wat God ons te vertellen heeft is kennelijk verborgen. Niet zozeer omdat het een geheim is, maar omdat het verteld moet worden. Als het niet meer verteld wordt, blijft het verborgen. En zo deden de ouders van Israël: ‘Wij hebben het gehoord, wij weten het, onze ouders hebben het ons verteld.’ En: ‘Wij willen het onze kinderen niet onthouden, wij zullen aan het komende geslacht vertellen van de roemrijke, krachtige daden van de Heer, van de wonderen die hij heeft gedaan.’ Het lijkt welhaast een doopbelofte van jonge ouders: wij hebben de verhalen gehoord, wij weten het, onze ouders hebben het ons verteld. Wij willen het onze kinderen niet onthouden, wij zullen aan onze kinderen vertellen van de daden en wonderen van God.

En welk verhaal vertel je dan? Als je kind, je kleinkind, of willekeurig iemand anders vraagt naar het verhaal van jouw geloof, welk verhaal vertel je dan? Wees gerust, dat verhaal hoef je dus zelf niet te verzinnen. En zelfs bij de beantwoording van de vraag waarom je gelooft kun je terugvallen op de verhalen uit de bijbel. Welk verhaal spreekt jou aan? En kom, niet zo bescheiden, natuurlijk ken je er een paar. Wat mij betreft de Ark van Noach, het kerstverhaal, het verhaal van die andere Jozef in Egypte. Maar misschien wil je liever een psalm vertellen, of dat liefdesgedicht van Paulus. En waarom vind je dat dan een mooi verhaal? Wat raakt jou daarin? Dat zegt iets over waarom je gelooft. Nee, je hoeft niet te preken bij die verhalen en je hoeft ze zelfs niet helemaal te snappen. Laat de verhalen je raken en er komt iets van geloof naar voren.

Voor vandaag koos ik een paasverhaal uit. Omdat ik dat mooi vind, dat van die tuinman. En niet alleen omdat ik zelf wel eens voor de tuinman ben aangezien toen iemand langsliep en vroeg of hier de pastoor woont. Maar ook omdat ik me Maria zo goed kan voorstellen. Want zij zit daar zonder verhaal. Het is afgelopen. Ze begrijpt er allemaal niets van. Ook zij had uit de Schrift nog niet begrepen dat Jezus uit de dood moest opstaan. Hoe kunnen wij het geloof begrijpen als we niet de verhalen lezen? Hoe kunnen wij het geloof doorgeven als wij niet de verhalen doorvertellen? Want als wij het niet doorvertellen blijft het verborgen. En moeten wij niet raar opkijken als mensen hun eigen gang gaan en geen boodschap meer hebben aan de kerk.

Het mooie van dit verhaal vind ik dat Jezus niet Maria de les leest. Dat ze beter had moeten luisteren of zo. Maar dat ze aangesproken wordt bij haar naam. Maria. En dan herkent ze Jezus. En ziet ze dat waar ze dacht dat haar verhaal opgehouden was, het verhaal wel degelijk doorgaat. Jezus is opgestaan. Hij leeft! ‘Houd me niet vast’, zegt Jezus. ‘Zegt tegen mijn broeders en zusters dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ Een en al verbondenheid dus. Jezus noemt Maria bij haar naam. Zijn Vader is onze Vader, zijn God is onze God. Maria staat er niet buiten. Wij staan er niet buiten. De opstanding van Jezus is niet een ver wonder, maar spreekt ons vandaag aan bij jouw naam, en jouw naam, en jouw naam. En Jezus zegt: vertel! Vertel dat ik opstijg naar de Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is. Nee, niet nadenken hoe dat kan. Het gaat erom dat die God, die Jezus, Zijn Mens, liet doen en zeggen wat hij allemaal deed en zei, en die dat met zijn leven moest bekopen, niet dood liet, maar ingreep. Sterker dan de dood is de liefde.

En wij zijn daarin meegenomen. De verhalen gaan niet buiten ons om. Lees ze en vertel ze. Want als wij ze niet vertellen, dan blijven ze verborgen. Wat mij betreft is dat onze hernieuwde missie vanaf vandaag: sterke verhalen vertellen. Sterk omdat ze over meer gaan dan alleen de gebeurtenis die ze vertellen. Of het nu de verhalen van Jezus zijn, of over de Ark van Noach, of over Jozef in Egypte, of over David en Salomo. De Bijbelverhalen gaan over jou en mij. Over de God van Jezus, die ook onze God is. Die ons bij name kent. Laten wij die verhalen blijven doorvertellen, ook aan onze kinderen. Als wij ze niet vertellen, thuis, op scholen en overal, dan moeten we niet verbaasd zijn dat mensen geen boodschap hebben aan de kerk. Als niet-kerkelijke mensen kiezen voor christelijk onderwijs, dan is dat veelal vanwege de verhalen, die ze toch belangrijk vinden dat hun kinderen die meekrijgen. Laten we dan naar buiten stappen en zeggen: die verhalen gaan ook over jou. Het is niet voor niets dat je ze mooi vindt en belangrijk. Ze gaan ergens over. Ja, ook over de normen en waarden die je belangrijk vindt. Maar ook over waar we vandaan komen, waar we heen gaan. Over een God die met ons meegaat, dwars door de dood heen, op weg naar een nieuw leven!


Tell the story! Zegt het voort! Vertel dat sterke verhaal.

zondag 1 september 2013

Zijn als een kind - korte schriftuitleg als introductie op de presentatie van ds. Prem van Children Home India

Tekst: Marcus 10: 13-16

Beluister de preek via Kerkomroep

Toon Hermans dichtte:

Een kind, een kind is zoveel meer,
dan een aanstaande dame, of een aanstaande heer.
Wie niet in het kind het wonder ziet,
die snapt het hele liedje niet.

Als Jezus ziet dat zijn leerlingen kinderen tegenhouden die bij Hem worden gebracht, zegt Hij: ‘Laat de kinderen tot Mij komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij.’

Mooie zinnen. Maar hoe is dat dan? Zijn zoals een kind? We voelen denk ik allemaal wel iets aan van wat Jezus zou kunnen bedoelen. Een kind is onschuldig, staat nog open voor van alles. Je kunt je er van alles bij voorstellen wat Jezus zou kunnen bedoelen met zijn als een kind. En kennelijk is dat belangrijk. Want zijn als een kind is verbonden met het Koninkrijk van God. Het is belangrijk te zijn zoals een kind, want dan kun je het Koninkrijk van God binnenkomen.

Laten we even kijken of we iets meer te weten kunnen komen in de bijbel van wat Jezus zou kunnen bedoelen met zijn zoals een kind. Daarvoor hebben we het verhaal dat hierna komt nodig. Of eigenlijk het vervolg van het verhaal. Want er komt een rijke jongeling naar hem toe, die vanaf zijn jeugd alles gedaan heeft wat God geboden heeft. Jezus krijgt hem lief staat er en zegt: dan is het enige dat je nog hoeft te doen je bezittingen te verkopen en het geld te geven aan de armen. En vervolgens gaat de man terneergeslagen weg, want hij had namelijk veel bezittingen.

En dan zegt Jezus: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ De leerlingen schrikken van zijn woorden en Jezus herhaalt ze en zegt, en let goed op: ‘Kinderen, wat is het moeilijk om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ De leerlingen die eerst de kinderen tegenhielden worden nu door Jezus zelf aangesproken als kinderen. Zijn als een kind heeft dus iets met rijkdom te maken, of scherper gezegd: bezittingen. Misschien doelt Jezus daar vooral op: dat kinderen geen bezittingen hebben. Dat ze niet gebonden zijn aan bezit, status, geld. Zij hebben hun leven gekregen en zijn het leven nog volop aan het ontdekken, maar ze hebben niet, ze zijn, als een kind. Zij zijn de laatste generatie. Niet voor niets besluit Jezus zijn betoog met: ‘Vele eersten zullen de laatsten zijn en vele laatsten de eersten.’

Laat de kinderen er dus door, verhinder ze niet. En zet je in voor kinderen die in gevaar zijn. Omdat ze niets hebben, de toekomst ook niet, als wij er niet voor ze zijn. Wij hebben van alles en dat maakt ons rijk. Laten we wat we hebben gebruiken om te kunnen zijn als een kind. Want wat we hebben, hebben we gekregen, net als de kinderen, tot een zegen.


dinsdag 20 augustus 2013

Indrukwekkende reportage Nieuwsuur over geweld tegen christenen in Egypte

Sinds het geweld tussen het leger van Egypte en de Moslimsbroederschap zijn er vele kerken in brand gestoken. Ook winkels en andere instellingen van christenen moeten het ontgelden.

Nieuwsuur maakte er een indrukwekkende reportage over. Indrukwekkend omdat:
1. De journalisten zich niet laten verleiden tot al te makkelijke tegenstellingen (moslims-christenen) maar de christenen zelf aan het woord laten: "Dit is het werk van extremisten. Moslims en christenen zijn broeders."
2. De journalisten de moed hebben gehad om als eerste in Minya te gaan kijken, nog voordat het regime in Egypte er een volledig verzorgde reis voor westerse journalisten van heeft gemaakt, voor hun eigen gewin.
3. De journalisten de moed hadden om tegen de lauwheid van veel media in, dit wel onder de aandacht te brengen.
3. De christenen in de verwoeste kerk van Minya een lied zingen, dat wij in ons Liedboek voor de Kerken hebben staan als gezang 474:

1
God roept ons, broeders, tot de daad;
zijn werk wacht, treedt dan aan
en weest gereed om elke weg,
die Hij u wijst, te gaan.
Wij weten dat, wat komen mag,
toch hij slechts wint, die waagt,
en wie zichzelve geven wil
door 't donker vlammen draagt.

2
God roept, en in Hem is de kracht,
die onze zwakheid staalt.
Dit is de vreugd, dat Hij het doel
en onze vaart bepaalt.
Dat Hij ons over grenzen heen
laat zien het groot gezicht
van aller mensen broederschap
in 't ene, godlijk licht.

3
God roept, en wat de mensen scheidt
dat zij geen scheiding meer;
zijn liefde houde ons allen saâm
en samen met de Heer.
Want wat er in de wereld woed',
toch is het God die wint
en in een elk die Hem behoort
het nieuwe rijk begint.

Laten de beelden de teksten voor zich spreken.



U kunt een bemoediging sturen aan de christenen daar. Oud-medestudent van mij Willem-Jan de Wit werkt in Caïro en schreef vanmorgen op Facebook het volgende:

Zowel in Nieuwsuur als in het RD afgelopen vrijdag kwam ds. Sameh Ibrahim aan het woord, de predikant van één van de uitgebrande kerken in Minya. Mocht u een goede wens of bemoediging voor hem en zijn gemeente hebben, plaatst u deze dan (bij voorkeur in het Engels) als reactie op http://willemjdewit.com/2013/08/19/no-hate-was-being-preached-praying-in-a-burnt-church-minya-egypt/. Ik ken ds. Sameh Ibrahim goed en zal hem attenderen op nieuwe reacties.

P.S. (23/08) Inmiddels heeft Willem-Jan de Wit een blog geschreven over de inhoud van het lied dat de christenen in Minya zongen, en een suggestie gedaan voor een andere Nederlandse tekst op die melodie. Gezang 474 is inderdaad niet in het Nieuwe Liedboek verschenen, en Willem-Jan legt de historische context uit. Voor zijn blog klik hier.

zondag 18 augustus 2013

Oordeel zelf! - Preek 18 augustus 2013


Luister op Kerkomroep.nl

Oordelen is niet zo moeilijk. We weten wel wat goed is om te doen en wat niet. Opvallend in het evangeliestuk van vandaag is dat Jezus nergens zegt wat mensen wel of niet goed doen. Dus dat is wel bekend. En wij weten het ook wel over onszelf. Oordelen is niet zo moeilijk, maar wel ongemakkelijk als het om onszelf gaat. We weten dat allerlei dingen niet goed doen en dat er allerlei dingen waar we bij betrokken zijn niet goed gaan. Maar we zijn snel geneigd te zeggen dat het nu eenmaal zo is, of dat je het niet zo zwart-wit moet zien. Maar dat doet Jezus dus wel vandaag. Zijn woorden in Lucas 12 worden steeds scherper en spuwen vandaag vuur. ‘Ik ben gekomen om op aarde een vuur te ontsteken, en wat zou ik graag willen dat het al brandde!’ Maar let wel, het gaat hem hier weliswaar niet om een gezellig zomers kampvuur, maar ook niet om een vernietigend vuur. Vuur heeft in de bijbel een zuiverende betekenis, zoals vuur bijvoorbeeld ook steriliseert. En diep in ons hart weten we wel wat dat betekent, maar we zijn er zo aan gewend geraakt dat goede dingen met minder goede dingen vermengd zijn, dat we dat accepteren. En nog goed vinden ook. Natuurlijk doen we dingen fout, maar we doen ook zoveel dingen goed, toch? Bovendien zijn er toch ook allerlei redenen aan te geven waarom je tegen iemand bent uitgevallen, of waarom je iets hebt nagelaten, iemand bent vergeten of wat dan ook? Het is een mengelingen van excuses en smoesjes waar we ons in de loop van ons leven steeds meer in vastdraaien. Waardoor we de waarheid moeten gaan omzeilen, ontkennen of verhullen en leren leven met onze schuld, maar ook met dat wat ons wordt aangedaan. We lijken met elkaar een soort status quo in stand te houden waarin we elkaar niet teveel wijzen op elkaars fouten, en omdat we dat toch wat onbevredigend vinden wijzen we dan nog wel eens naar anderen, liefst buiten de groep of iemand die opvalt, zodat jou zelf in ieder geval geen blaam treft.

Maar Jezus is niet zo iemand, hoewel zijn woorden scherp klinken. Hij is nog steeds de vredelievende herder. Maar Hij weet ook dat je vrede steeds moet bevechten. En dat je dus soms de waarheid moet zeggen. En dus noemt Hij zijn hoorders huichelaars, of letterlijk hypocrieten. Dat is een van oorsprong Grieks woord, dat des te interessanter is, omdat de betekenis heel duidelijk in dit stuk naar voren komt. Later roept Hij zijn hoorders op om bij een verschil van mening het niet van een rechter te laten afhangen wat diens oordeel is, maar er zelf uit te komen. Het Griekse woord voor rechter is kritès. Iemand die een hypo-kritès is, die oordeelt wel, net als een rechter, maar hij doet er iets mee, of eigenlijk: hij doet er niets mee. Hij schermt met het oordeel. Hij oordeelt wel, maar hij doet er niets mee. En zo komt Jezus tot de uitspraak: Waarom bepalen jullie niet uit jezelf wat juist is? Een wonderlijke zin, in een bijbel die zo vol voorschriften staat. Maar die veronderstelt Jezus als bekend. Mensen, zegt Hij, jullie weten wat goed is om te doen en wat niet. Waarom oordeel je dan daar niet naar en doe je het goede? Jullie weten het weer naar waarheid te voorspellen, maar als het op jullie zelf aankomt, dan zie je het wel, maar je doet er niets mee! Auw… Maar Jezus zegt dit niet om ons een hak te zetten, maar wel om ons te helpen in te zien dat we een veel beter leven kunnen hebben, en de eeuwigheid binnen handbereik, als we veel meer op onze eigen oordelen over onszelf zouden afgaan. Niet omdat God dat wil bepalen, maar omdat we dat zelf ook wel kunnen. Maar doe het dan ook. 

God wil een God van nabij zijn, en daar voelen we ons ook het beste bij, maar Hij is ook een God van ver, zegt Hij in Jeremia. ‘Als iemand iets verbergt, zou ik hem dan niet zien? – spreekt de Heer. Ben ik niet overal, in de hemel en op aarde? – spreekt de Heer.’ Een angstig oud beeld kan hier opdoemen van een God die alles van je ziet, en overal je weet te vinden. Maar zoals zo vaak lezen we dan niet wat er staat, maar wat er niet staat. Er staat helemaal niet dat God alles en iedereen in de gaten houdt en er lekker over wil oordelen. Waar het hier om gaat is dat God ook een beetje afstand wil houden om een overview te hebben, overzicht te houden over wat er met het goede gebeurt. Hij beschrijft hoe er leugenaars zijn die als valse profeten God als het ware incasseren, annexeren, de waarheid denken te bezitten. En God zegt: ho ho, je kunt me niet hebben, want ik ben ook een God van ver. Praat elkaar niet na en zeg niet te weten wat ik vind, maar oordeel zelf, dan wil ik voor jou God zijn. Jou nabij zijn. In je eigen oordelen, die soms niet makkelijk zijn.

En Jezus laat zien hoe oordelen niet makkelijk kan zijn. Wanneer hij praat over het vuur dat Hij op aarde ontsteekt, van zegt Hij dat dat vuur verdeeldheid zal zaaien. Geen prettige boodschap zo op het eerste oog. Maar ook hier moet je weer lezen wat er wel staat en niet wat er niet staat. Jezus stelt het heel praktisch voor: ‘Vanaf vandaag zullen vijf in één huis verdeeld zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. De vader zal tegenover zijn zoon staan en de zoon tegenover de vader, de moeder tegenover haar dochter en de dochter tegenover haar moeder, de schoonmoeder tegenover haar schoondochter en de schoondochter tegenover haar schoonmoeder.’ Ik ga u even meenemen in het spel van de logica: Dat de vader tegenover de zoon staat en de zoon ook tegenover de vader is consequent. Zo is het ook met de moeder en de dochter en de schoonmoeder en de schoondochter. Echter, nu hebben we zes rollen, terwijl het om maar vijf mensen ging. Vader, zoon, moeder, dochter, schoonmoeder, schoondochter. Dus: de moeder en de schoonmoeder zijn dezelfde. En de schoondochter is met de zoon getrouwd. Volgt u mij nog? We hebben dus een gezin van vader en moeder, zoon en diens vrouw en dochter. Als je vervolgens kijkt wie tegenover wie staat – vader en zoon, moeder en dochter en moeder en schoondochter – dan kun je niet logischerwijs concluderen welke twee er nu tegenover welke drie staan. We kunnen concluderen dat vader en moeder tegenover de drie kinderen staan. Maar evenzogoed kan de zoon en de moeder, tegenover schoondochter, vader en dochter staan. Wat ik met deze hersenkraker wil laten zien is dat Jezus doelbewust in het vage houdt wie tegenover wie staat. En wie er gelijk heeft. En volgens mij doet Hij dat omdat het er niet om gaat wie goed is en wie fout, maar dat de verdeeldheid heel complex is. Niet één tegen vier, maar twee tegen drie, of drie tegen twee. Een bijzonder ongemakkelijk situatie voor een gezin. Of het is een verdeeldheid die dwars door de huwelijken in dat gezin zou lopen, of het is een generatieconflict is tussen ouders en kinderen.

Waar het om gaat is dat een zuiverend vuur onze oordelen scherpt. Een zuiverend vuur verbrandt dat wat niet ter zake doet. Het ontrafelt complexe situaties en laat zien waar het echt om gaat. En dat geeft verdeeldheid. Een verdeeldheid die ongemakkelijk is, maar die nodig is om tot zuivere oordelen te komen. Anders praten we elkaar maar na en houden we ons collectief op de vlakte, stoppen we dingen in de doofpot, omdat je er maar niet zo zwaar aan moet tillen. Onaangenaam, want wie houdt er van ruzie? Maar ruzie is het niet. Het gaat er niet om over de ander te oordelen, maar zelf te oordelen wat juist is. Gewoon door te zien wat er aan de hand is. Net zoals je de regen ziet aankomen in het voorbeeld van Jezus, dat je weet wat het betekent wat er om je heen gebeurt. En dat als je iets niet goed vindt zoals er tussen mensen of met de wereld wordt omgegaan, dat je daar dan ook iets mee doet. Laten we in al onze drukte niet blijven hangen in de vrede te bewaren, maar laten we die vrede telkens weer bevechten door uit onszelf te bepalen wat juist is. Niet door elkaar te bestrijden, en zeker niet voor een rechter, want dat oordeel zou wel eens als een boemerang terug kunnen komen. Maar door open te staan voor het oordeel dat we zelf moeten maken. En doe dat in menslievendheid.

Tot slot een klein verhaal:
Een oude koning zei ooit: als ik een glas vul met ijskoud water, zal het springen. Als ik een glas vul met heet wat, zal het ook springen. Als ik het koude en het hete water meng, zal het lauw zijn. En het glas zal niet breken.
Zo is het ook met de mens: die kan niet leven door louter gerechtigheid, dat is te koud. Hij kan echter ook niet leven van louter barmhartigheid, dat is te warm.

Daarom wil onze God een God zijn van gerechtigheid én barmhartigheid. Een God van ver én een God van nabij. Want zo brengt Hij ons geluk en heil binnen handbereik.

dinsdag 13 augustus 2013

Wat niet slijt, gedijt - preek zondag 11 augustus 2013


Te beluisteren via kerkomroep

Voor alles wat er is onder de hemel is er één zekerheid, namelijk dat het slijt. Met deze Prediker-achtige zin wil ik de overweging vervolgen over Lucas 12. Voor alles wat er is onder de hemel is er één zekerheid, namelijk dat het slijt. Jezus vervolgt zijn betoog in het Evangelieverhaal: ‘Maak voor jezelf een geldbuidel die niet verslijt, een schat in de hemel die niet opraakt, waar een dief niet bij kan en die door geen mot kan worden aangevreten. Waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn.’

De bijbel weet het goed: ons leven is aan slijtage onderhevig. We merken het aan ons lichaam, hoezeer we dat ook tegen proberen te gaan of proberen te verdoezelen. Maar ook alles wat wij verzamelen aan spullen slijt. En als dat nu eens een teken van goed gebruik zou zijn, maar vaak is het dat ook niet meer. Veel van de spullen die wij kopen of verzamelen zijn niet eens meer gericht op duurzaam gebruik. We leven in een wegwerpcultuur. En dat beperkt zich niet alleen tot verpakkingsmaterialen, maar zelfs tot apparaten. Kijk maar eens naar allerlei goedkope huishoudelijke apparatuur, die je toch ook niet meer laat repareren als ze snel kapot gaan. En mobiele telefoons zijn erop gemaakt twee jaar mee te gaan, en niet meer. En de ene iPad wordt ingehaald door de volgende. En we proberen als goedmakertje zoveel mogelijk materialen te recyclen, maar vergeten daarbij hoeveel energie dat kost. Dat er voor alles wat er is onder de hemel één zekerheid is, namelijk dat het slijt, is een feit. Maar zou Jezus er niet enorm van schrikken hoe erg wij dat slijten versnellen?

En zou Jezus dan niet aan ons vragen: en wat gooi je nu niet weg? En dan wordt het ongemakkelijker, want we gooien ook heel veel dingen níet weg. We bewaren, sparen en verzamelen van alles. Waar zit daar nu de angel? De angel zit hem erin dat we in onze spullen en in onze spaartegoeden zekerheid denken te vinden. We verzamelen zekerheden om ons heen. Is dat zo erg? Misgunt God ons het genoegen om van onze spullen te genieten, en om uit te kijken naar het besteden van ons appeltje voor de dorst. Dat we er lekker van op vakantie kunnen, of ons wat luxe kunnen veroorloven? Is dat wat God niet wil?

Natuurlijk misgunt God ons dat niet, al valt er vast nog iets te zeggen over hoe je je geld besteedt, maar dat snap je zelf ook wel. Waar het om gaat is dat God zegt: lieve mensen, ontleen daar nu geen zekerheid aan, want het slijt. En niet omdat God het wil, maar omdat het zo is. God zoekt het geluk van de mensen, van ons, en Hij ziet hoezeer we ons vastklampen aan wat niet blijvend is. En we weten toch allemaal dat het zo is, dat dingen slijten, of dat we ze verliezen? Dat dingen kapot gaan, ook heel dierbare spullen, die niet meer te repareren zijn? Dat dingen gestolen worden, op reis of in huis? En dat niet iedereen zijn pensioen haalt om van de vruchten van zijn sparen te genieten? Het is een geluk als je spullen en geld tot je beschikking hebt, maar als je spullen en geld hebt wil dat niet automatisch zeggen dat je ook gelukkig bent. Wat ons geluk en ons heil in de weg staat is dat we er zo vaak enorm druk mee zijn. En dat we er ons ook enorm druk om maken.

Hier moeten we even oppassen dat we niet voorbij gaan aan de terechte zorgen en drukte als er bijvoorbeeld wordt ingebroken, als je dingen verliest, en als je oudedagsvoorziening in gevaar komt. Allemaal zorgen die terecht drukte in je hoofd geven. Waar het vandaag om gaat dat ons heil en geluk in gevaar komen als we worden afgeleid door onze zorgen om geld en goed. Wanneer Jezus ons oproept in de tekst van vandaag om klaar te staan, dan bedoelt Hij dat we moeten stilstaan bij wat ons werkelijk geluk en heil brengt. En dat zijn niet de vergankelijke dingen, de dingen die slijten en het geld dat we kunnen verliezen. En nogmaals niet omdat God dat ons misgunt – dank God daar juist voor – maar omdat ons ware geluk en ons heil daar niet mee verbonden is. We kunnen er geen zekerheid aan ontlenen. En hoe meer je je eraan vast gaat klampen en je er druk om maakt dat dingen slijten en de waarde van wat je hebt kan dalen, hoe minder geluk en heil er op je pad komt. Want geluk is niet te koop en de hemel al helemaal niet. Te meer daar geluk en heil niet iets is om op te wachten, maar waar je aan kan werken door je op de goede dingen te richten. De woorden van Jezus roepen een ouderwets beeld op van in vrees en beven wachten totdat Jezus komt, maar in werkelijkheid gaat het om waken, om alert zijn op de dingen die belangrijk zijn. Om je niet te verliezen in onbelangrijke dingen. Onbelangrijke dingen die onbelangrijk zijn omdat ze vergankelijk zijn, voorbij gaan. We kunnen er nog zoveel belang aan hechten maar ze gaan voorbij. Ze kunnen bijdragen aan ons geluk en ons heil als we ons belang ergens anders instellen.

Zo zegt Jezus: ‘Gelukkig de knechten die de heer bij zijn komst wakend aantreft. Ik verzeker jullie: hij zal zijn gordel omdoen, hen aan tafel nodigen en hen bedienen.’ Dit gaat niet over een leven zonder geneugden, en zelfs niet om onderdanigheid en je ontzeggen van alle genoegens van het leven. Het gaat erom ze de juiste plaats te geven. En kijk dan wat er gebeurt: de rollen worden omgedraaid: de heer wordt dienaar. Dat wij ons leven en ons geld en goed in dienst stellen van het leven met God maakt dat God ons op Zijn beurt dient. Niet als een voor wat hoort wat, maar omdat hier een gezamenlijk belang in schuilt. Namelijk: daarin is geluk en heil te vinden, en anders niet. Dat wil niet zeggen dat je schatrijk wordt als je God maar dient, zo kort door de bocht, zoals Spreuken het soms kan zeggen, is het niet. Het is geen middel tot een geldelijk of heilzaam doel, nee het is het doel op zich. En een mens krijgt wat hij nodig heeft, hij komt niet tekort. Hij komt misschien niet niets tekort, maar hij komt wel niet tekort. En wie het heft in eigen handen neemt zoals de dienaar in het laatste gedeelte en zijn knechten en dienstmeisjes gaat slaan, zal verrast worden door de komst van de heer die hem hetzelfde lot zal ondergaan. Wie heilzaam leeft zal het heil ontvangen. Wie onheilzaam leeft zal het onheil ontvangen. Kijk maar naar de agressie van die dienaar; het raakt me. Het staat er zo plomp verloren, dat hij zijn knechten en dienstmeisjes slaat. Hoeveel wordt er niet geslagen, en hoeveel geweld wordt er niet gebruikt, fysiek en verbaal, om bezittingen te beschermen of om een eigen wil op te leggen omdat het moet gaan zoals die persoon vindt dat het moet gaan, voor zijn eigen zogenaamde geluk? Worden we nu echt gelukkiger van de agressie in het verkeer, van alle drukte om te bemachtigen wat we willen hebben? Nee, sterker nog, als een slag in het gezicht word je het geluk ontnomen. Waren wij niet bedoeld om niet van de heb te zijn, maar om te leven, voor elkaar en voor God, en zo het heil te ontvangen?

Waar het al met al om gaat is om verantwoord met ons geld en goed om te gaan. Ze zijn middelen om te werken aan geluk en heil voor alle mensen, en geen doel op zich. Geluk en heil, dat is het doel. Hoe je dat moet doen moet ieder naar eigen kunnen afwegen en doen. In ieder geval zegt Jezus dat wie meer heeft meer verantwoordelijkheid heeft. En dat het niet bedoeld is om mensen iets af te pakken, maar om je te laten realiseren dat je gezegend bent als je geld en goederen tot je beschikking hebt. En dat je daar een zegen mee mag zijn, om die zegen ook ten volle te kunnen smaken. In vrede. En dan, dan zal ieder, zoals Jesaja zegt, zelf kunnen genieten van het werk van je handen.


De Bijbel verbiedt vaccinatie niet - opiniestuk Brabants Dagblad

OPINIE - Ook met een keuze voor inenting hoeven gelovigen niet los te laten dat ze afhankelijk zijn van God.
Verschillende politici, onder wie premier Mark Rutte, hebben predikanten opgeroepen hun gemeenteleden te bewegen hun kinderen te laten inenten. Met deze oproep zijn alle pijlen nu gericht op het geloof van mensen die hun kinderen niet willen laten inenten. Maar vaccinatie is eigenlijk helemaal geen thema in het christelijk geloof. De Bijbel zegt niet dat het niet mag. Omdat voorstanders zich overschreeuwen en zij mensen die kritisch tegenover vaccineren staan willen dwingen, is het toch een principieel geloofsthema geworden. Als voorstanders de discussie minder principieel zouden voeren, zouden kritische gelovigen niet het gevoel krijgen hun principes los te moeten laten.
Lees meer in het Brabants Dagblad