maandag 11 november 2013

Een gouden randje! - preek zondag 10 november 2013 Oogstdienst


Beluister de preek op Kerkomroep

In veel protestantse kerken is het gebruik om deze week dankbaar te zijn voor de oogst van het afgelopen jaar. Of men viert nog een traditionele Dankdag voor gewas en arbeid op woensdag. Of men staat stil bij de oogst op de zondag erna. Een natuurlijk moment in de meest letterlijke zin van het woord, want in de natuur is de oogst binnengehaald. Op de akkers, in de moestuinen, maar ook de kastanjes en eikels in het bos.

Toch is het ook een beetje onnatuurlijk moment, want heel veel mensen hebben niets meer met de gang van de seizoenen. We leven niet meer seizoensgebonden. Wie van u eet enkel de seizoensgroenten, en niet andijvie en sla het hele jaar door, waar het ook maar vandaan moet komen, en aardbeien met Kerst uit Israël? Het idee van danken voor de oogst staat ver van ons af. Ons werk gaat ook gewoon door. Het is nu niet afgerond, of misschien zelfs drukker dan ooit. Hoe zeer de nachten ook langer, en de dagen ook korter worden; onze werkdagen worden er niet langer of korter van.

Terugtrekken en de balans opmaken 
En toch, toch is het op een andere manier toch ook wel weer een natuurlijk moment om terug te kijken waar we dankbaar voor kunnen zijn. De herfst is het seizoen waarop de natuur tot rust komt, en wij in zekere zin toch ook. Het weer en de donkere avonden nodigen nou niet bepaald uit om erop uit te trekken, en wel om juist de gezelligheid thuis te zoeken. Of je, al dan niet noodgedwongen, terug te trekken achter de gordijnen. Niet voor iedereen de meest gezellige periode. Het kan ook eenzaam zijn. Maar het effect is in ieder geval dat mensen zich wat meer terugtrekken. En zo komt er plaats en tijd om wat langer bij de dingen stil te staan. Om eens wat langer over de dingen na te denken. En om eens de balans op te maken. Wat laat ik achter en wat neem ik mee?

Wat is jouw oogst?
En zo hebben we op een avond met een aantal gemeenteleden uit de werkende generatie teruggekeken op het afgelopen jaar. En de vraag begon voor de handliggend: wat is jouw oogst? Een aantal anderen lieten per mail hun reactie weten. En die waren een mooie input voor het gesprek. Wat is je oogst en waarvoor wil je danken? Dat bleek nog geen makkelijke vraag. Want veel van waar we dankbaar voor kunnen zijn is ook heel vanzelfsprekend. Het is er. Zo vanzelfsprekend dat je het vaak niet eens ziet. Het bleken daarom ook vaak juist de wat moeilijkere perioden te zijn die laten voelen waar we dankbaar voor kunnen zijn. Het leven loopt niet altijd zoals gepland en gehoopt. Je kunt zonder werk komen te zitten, en je realiseren dat je binnen je werkveld eigenlijk geen werk meer kunt vinden en een nieuwe weg zult moeten inslaan. Maar ook veel mensen mét werk, en onder hen zeker ook ondernemers, worden in moeilijke tijden gedwongen nieuwe wegen in te slaan. Je kunt blijven hangen in de teleurstelling dat het oude verdwijnt, maar de enige weg om verder te gaan is een nieuwe weg te zoeken. En ook in de zorg, waarin veel veranderingen op stapel staan, worden mensen gedwongen om nieuwe wegen in te slaan. Maar we worden niet graag gedwongen. We hebben het graag in eigen hand. En dat heeft ook te maken met de onzekerheid die het geeft: wat dan? Wat moeten we dan? Uit welke bron kan ik putten om verder te gaan?

Teleurstelling in de oogst 
Ook Koning David kreeg een grote teleurstelling te verwerken. In het stuk dat aan de lezing van vandaag uit 1 Kronieken vooraf gaat worden we door de Kroniekenschrijver eraan herinnerd dat David niet de tempel mocht bouwen van God. Kort gezegd: hij had teveel bloed aan zijn handen. Dat zal voor deze gedreven koning een grote teleurstelling zijn geweest. De belofte van God over zijn koningschap was groots. En hij had een mooi plaatje in zijn hoofd van hoe hij die belofte als het ware kon bezegelen, of misschien wel verzegelen. Voor God hing aan de tempel iets te veel de naam van David. En die was niet meer zo zuiver als in het begin. Voor David was er nog één belangrijke les te leren. En dat was dat alles niet van hem kwam, maar van God. En dat dus ook niet alles loopt zoals je zelf zou willen of voor ogen hebt. Maar dat het leven enige flexibiliteit vraagt. Niet vanwege de wil van de werkgevers of zo, die van flexibele arbeid een ideologie lijken te maken. Maar flexibel omdat je het leven niet zelf in de hand hebt, het leven niet van jou komt, maar van God.

En in het stuk van vandaag wordt duidelijk dat David dit begrijpt. En dat dit juist zijn dankbaarheid wekt. Hij moet de bouw van de tempel uit handen geven. En overdragen wat hij er al aan gedaan had: alle plannen,en alle verzamelde materialen en edelmetalen. En toch stemt het hem niet droevig meer. Omdat het geen nederlaag is, maar meevaren op de stoom van het leven dat God voor ogen heeft.

We zijn gasten die alles ontvangen
Nou zult u zeggen: ja, leuk gezegd allemaal, maar wat moet ik als ik mijn baan verlies, en inderdaad die nieuwe wegen moet zoeken? Wat moet ik doen als het leven niet loopt zoals gehoopt en gewoon alles misgaat? Moet ik dan dankbaar zijn? Nee, natuurlijk niet. Maar wees ook niet wanhopig dat het alleen maar van jezelf moet komen. Ja, het valt je uit handen, als zand door de vingers. Maar dat was ook al zo toen het wel ging zoals je wilde of daar wel tevreden mee was. We hebben niets van onszelf. David zegt tegen God: "Net als al onze voorouders zijn wij slechts vreemdelingen die als gasten bij u verblijven, ons bestaan op aarde is als een schaduw, zonder enige zekerheid." Het kan droevig klinken dat ons bestaan zonder enige zekerheid is. Bij David klinkt het juist dankbaar. Want het is zo. Juist die moeilijke perioden doordringen ons daar telkens van. Daar kunnen we ons tegen verzetten. Maar het is zo. En dat David dat accepteert, geeft hem de ruimte en de blik om die dingen te zien die er wel zijn, en om te zien wat er wel gebeurt. En om te zien dat het leven doorgaat. En dat de tempel er zal komen. Want om die tempel ging het toch, toch niet om hem? David leert los te laten en te vertrouwen dat het goed komt. En niet als zoethoudertje van 'ach, het komt wel goed'. Nee, als een bezield besef dat hij het leven niet in de hand heeft, maar dat alles een gave is uit de hand van God.

Zo kan er iets nieuws ontstaan waar iets anders ophield. Ook al moet je noodgedwongen een andere weg inslaan, ergens aan werken, het diepe in; het brengt je uiteindelijk iets nieuws. Lost het alles op? Nee. Maar er komt wel iets nieuws. Natuurlijk is er de teleurstelling en zijn er de vragen, maar God laat zijn gasten niet met lege handen staan. Hij laat ons niet met lege handen staan. Ook al krijgen we misschien niet wat we hadden verwacht.

Dankbaar voor wat niet vanzelfsprekend is
Maar voor die verwachting kan dankbaarheid in de plaats komen. Want als we niet automatisch krijgen wat we verwachten of verlangen, als het leven niet altijd gaat zoals we verwachten en willen; dan weten we één ding: dat het leven en wat we hebben niet vanzelfsprekend is. En dat wat we hebben dingen zijn die we ontvangen. Wanneer het leven en alles wat we krijgen niet meer vanzelfsprekend blijkt, dan kun je ervoor open staan dat je dat alles krijgt, uit de handen van God, en dat we dus dankbaar zijn. Danken voor de oogst van het jaar is daarop gericht: je even los te schudden uit de vanzelfsprekendheid. En als je dan ziet dat je alles ontvangt in je lege handen, dan kun je dankbaar zijn. Voor druiven, appels, groente uit eigen tuin, voor gezondheid en het hèbben van een baan, voor vriendschappen, voor steun juist in moeilijke tijden, voor mooie momenten juist in moeilijke tijden, die daardoor extra glans krijgen, voor nieuwe kansen, nieuwe ideeën, als het vanzelfsprekende wegvalt of als het je lukt iets nieuws te verzinnen waar je met al je energie en passie voor kunt gaan, of juist het vanzelfsprekende opzij te zetten en opnieuw te beginnen en veel meer lucht te krijgen om te ademen. Dankbaar ook gewoon voor het dagelijks brood en de luxe waarin we leven, misschien ook juist wel door ervaringen op reizen in gebieden waar het veel minder luxe is. Zoveel luxe en bezittingen en verworvenheden zijn vanzelfsprekend geworden, dat we er nog nauwelijks dankbaar voor kunnen zijn. Het bezit van de zaak is het einde van het vermaak, ja. Maar, om het even om te keren: het eind van de zaak kan ook het begin van het vermaak zijn. Zoals op een reis waarin je toch beseft wat je thuis hebt, maar ook bij David die door zijn teleurstelling ziet wat hij wèl heeft, en wat hij te bieden heeft. En dat biedt hij aan, aan God, en het hele volk met hem.


Soms denken we wel eens dat we recht hebben op van alles, omdat het zo vanzelfsprekend is. Maar we mogen dankbaar zijn voor alles wat we uit Gods hand ontvangen. Dat geeft ons leven een gouden randje, zoals ook de tempel in dankbaarheid met goud werd bekleed. En dan niet zo calvinistisch zunig doen, of dat nu nodig is? Ja, dat is nodig. Want als ons bezit en ons leven niet vanzelfsprekend blijkt, staan we open voor alles wat we krijgen, omdat we het uit Gods hand ontvangen. En kunnen we dankbaar genieten. 

woensdag 6 november 2013

Herfst 2013 - column in de Wijkkrant

Na een mooie nazomer is de herfst dan toch echt aangebroken. Na de warme septemberdagen werd het toch echt kouder. Het begon te regenen, en goed ook. Reden genoeg om binnen te blijven. Of juist om naar buiten te gaan. Op straat en in de Duinen is goed te zien hoe de bomen verkleuren in de mooiste herfsttinten. Kinderen rapen kastanjes en eikels. Veel mensen kijken uit naar de herfst. Gezelligheid thuis, andere kleren en lekker eten. En een mooie natuur.

Diezelfde natuur laat ook een andere kant zien van de herfst. Het wordt kouder, natter, en de dagen worden korter, de nachten langer. Minder zon. Er zijn mensen die zich daardoor juist helemaal niet lekker voelen bij de herfst. Die niet alleen binnenblijven, maar zich ook een beetje in zichzelf opgesloten voelen. Ze beleven minder vrolijkheid en het is vaker donker in hun hoofd.

De herfst heeft beide kanten. De mooie herfstkleuren van de bladeren zijn tegelijkertijd een afscheid van het levendige seizoen van de lente en de zomer. Het blad sterft af, en de mooie paddestoelen composteren het. Het lijkt wel een innerlijke strijd van de natuur en in onszelf. We zoeken de gezelligheid op thuis of bij elkaar, en keren ons tegelijkertijd ook figuurlijk meer in onszelf. De herfst is de tijd om de balans op te maken. Waar staan we nu? Wat heeft het jaar ons gebracht? Wat hebben we gekregen dit jaar en bereikt? Wat nemen we mee, maar ook: wat laten we achter? En wíe nemen we mee en wíe laten we achter? De herfst is ook een tijd waarin we stilstaan bij wie er in het afgelopen jaar overleden zijn. Mensen van wie we afscheid hebben moeten nemen. Rondom Allerheiligen en Allerzielen staan mensen stil bij de nagedachtenis aan bijzondere mensen en de herinnering en het gemis van de mensen van wie we afscheid moesten nemen.
De herfst is zo een tijd waarin we weer tot onszelf komen. Minder activiteit buiten, minder erop uittrekken. Meer tot jezelf komen, nadenken en misschien bezinnen. En zoals de herfst afscheid neemt van het bloeijaar, zo ademt de herfst een sfeer van afscheid. Ook van dingen die niet gelukt zijn, dingen die we hebben nagelaten, mensen die we tekort hebben gedaan. Ook die dingen komen voorbij als je de balans opmaakt. En dan vooral om te kijken: waar staan we nu? En hoe gaan we verder?

Want we gáán verder. Als straks de langste nacht is geweest om 21 december, dan worden de nachten weer korter en de dagen langer. Het zal allemaal dan weer wat lichter worden. Tijd om Kerst te vieren. Het feest van een nieuw leven, een geboorte. Zover is het nog niet. Maar je zou haast al naar Kerst verlangen…

Gepubliceerd in de Wijkkrant voor Waalwijk en Sprang-Capelle, november 2013

dinsdag 5 november 2013

Dat doet de deur dicht! - preek zondag 3 november 2013


Beluister de preek op Kerkomroep

Als je in de bijbel gaat lezen, dan kom je soms verhalen tegen die te wonderlijk voor woorden zijn. Verhalen die ons voorstellingsvermogen te boven gaan. En die daardoor ver van ons af komen te staan. Dat heeft iets te maken met hoe wij in onze tijd in het leven staan. Dingen moeten verklaarbaar zijn om ze te kunnen begrijpen. Ja, dat klinkt ook eigenlijk heel logisch. Maar het gekke is dat juist het soort wonderverhalen als wij vanmorgen lezen in het tweede Koningenboek juist bedoeld zijn om dichter bij de kern te komen. Niet om iets wereldvreemds te laten gebeuren, maar om juist Gods kracht in de wereld te laten zien. Wonderen zijn geen tovenarij uit een andere wereld, maar Gods aanwezigheid in de onze. Voorbij onze grenzen van wat wij kunnen bereiken en ons voor kunnen stellen. Voorbij onze mogelijkheden. En gelukkig maar, want onze mogelijkheden blijken keer op keer beperkt. En onze energie is eindig. Uitgeput kun je raken als je niet steeds weer gevoed wordt. Als het altijd van jezelf moet komen, dat houdt het gauw of op den duur op. Wat doe je als je met lege handen staat, en je mogelijkheden zijn uitgeput?

Vandaag komen we zo iemand tegen in het eerste bijbelverhaal. Een sterk verhaal. Niet alleen vanwege het wonder, maar ook sterk omdat het de kern laat zien van Gods aanwezigheid in ons leven. Een weduwe is na de dood van haar man zo in geldnood gekomen, dat de schuldeisers spoedig haar kinderen zullen opeisen om als slaven te worden verkocht. Ja, niet echt een moderne situatie. Maar de kern daarvan is het wel. De vrouw leeft in een situatie waarin ze geen bestaansmogelijkheden meer heeft. Die lijken uitgeput. Zij lijkt uitgeput. Misschien letterlijk voorstelbaar als je door werkeloosheid, hoge hypotheek-, huur- en andere vaste lasten aan de grond zit. Maar breder gaat het om een situatie waarin de levensmogelijkheden zijn uitgeput. Ondanks groot geloof, want dat had haar man, staat er, is de weduwe met haar kinderen in een uitzichtloze situatie terecht gekomen. Ondanks haar eigen inzet dus. Het leven wordt haar ontnomen. En waar haal je dan de kracht vandaan om verder te gaan.

De profeet Elisa doet iets opmerkelijks. Hij stelt twee vragen. De eerste is logisch: 'Wat kan ik voor u doen?' Maar hij wacht het antwoord niet af en stelt meteen een volgende vraag: 'Vertel me eens, wat hebt u nog in huis?' Hij wijst meteen terug. Hij klinkt bijna als een schuldeiser die aan de deur staat en vraagt wat er nog te halen is. Iemand die met open handen Elisa om hulp roept, zelfs letterlijk toeschreeuwt, krijgt een vraag terug: 'Vertel me eens, wat hebt u nog in huis?' Ik sta hier zo lang bij stil omdat ik hoop dat u dan het ongemak voelt dat veel mensen herkennen die om hulp vragen. Bij talloze hulpvragen, zowel van materiële als van psychische aard kom je mensen met open handen tegen, die alleen maar vragen: los mijn problemen op. Daar zou je natuurlijk een mooi wonder op kunnen loslaten, maar dat is dan niet meer dan een make-over, die de kern van de hulpvrager niet raakt. De innerlijke kracht wordt niet aangesproken. De innerlijke kracht, zult u zeggen? Hebben mensen niet het recht om ook eens niets te hoeven doen, als ze na alle strijd moe zijn en geholpen willen worden? Ja, natuurlijk. Maar de enige kans op een werkelijke verandering ligt in de mens zelf. En dáár is God te vinden als een bron van mogelijkheden. Kijk maar.

De arme weduwe zegt tegen Elisa dat zij slechts een kruikje olie heeft. Met de toevoeging: verder niets. Dan moet ze kruiken gaan lenen bij de buren, maar dat zijn slechts hulpmaterialen. Het allerbelangrijkste heeft ze zelf: dat kleine beetje olie. En dan? Dan moet ze de deur dichtdoen. Misschien was het u niet eens opgevallen dat ze dat moet doen, of dacht u dat het slechts een praktisch detail was, maar het is van cruciaal belang. Doe de deur dicht achter u en uw kinderen. Dit benadrukt hoezeer er in de mens zelf iets moet gaan veranderen. Zo vaak werken we aan een uiterlijke verandering waardoor we ons beter denken te voelen. Nieuwe kleren, nieuwe auto, verhuizen, andere baan, of hard sporten en dat aan iedereen vertellen. Of we hullen ons in mooie woorden op ons CV of schermen met allerlei resultaten die we bereikt hebben. Niemand misgunt je dat, ook God niet. Maar als God je gaat vernieuwen, dan komt hij in je binnenkamer. Ja, dat is ook eng. Daarom is die vraag ook ongemakkelijk: wat heb je zelf nog in huis? Dan moet je diep graven. Dan kan het wel eens pijnlijk leeg worden. Of erg confronterend. 'Los jij het alsjeblieft op!' heb je de neiging om te roepen. Maar je moet het zelf oplossen, in jezelf. Daar ligt de levenskracht, die God je onuitputtelijk geeft.

De weduwe, die nu de vrouw wordt genoemd, gewoon wie zijzelf is; de vrouw sluit deur achter zich en met haar kinderen vult ze de kannen en kruiken tot er geen meer over is om te vullen. En na de laatste kruik stopt het vloeien van de olie. Dan keert ze weer terug in haar oorspronkelijke situatie van weduwe: wat heeft dit haar gebracht? 'Verkoop de olie', zegt de godsman. 'Dan kunt u uw schuld afbetalen. En van wat er over blijft kunnen u en uw kinderen leven.'

Door de vraag te stellen 'Wat hebt u nog in huis?' boort Elisa de eigen bronnen van de vrouw aan. Dát is haar startkapitaal. Waarom moet het uit haarzelf komen? Kijk. Een plant voedt je niet, of in ieder geval niet lang, door hem omhoog te houden en met water te besproeien, maar je moet hem met zijn eigen wortels in de grond zetten. Zo moet ook een mens aarden, en moeten we stilstaan bij onszelf. We kunnen niet de hele tijd geholpen, gedragen en verzorgd worden door anderen. Daar is helemaal niets mis mee, maar het voedt jezelf niet.

En wat heb je dan in huis? Een onuitputtelijke bron. Zomaar van jezelf? Nee, van God. Nee, we kunnen het zo vaak niet zelf. Of lopen een keer vast of over. Waar haal je nog je energie vandaan? Hoe raak je niet uitgeput, afgestompt, dof van alle drukte? Door in jezelf terug te keren naar de bron van je bestaan, God. Dus gewoon in gebed ja, en als je geen woorden hebt in stil gebed. Of met een bemoedigend bijbelverhaal. Het wonder van de olie gebeurt in ons verhaal achter gesloten deuren. Het is opvallend dat ook het andere wonder even verderop, van de zoon van de vrouw van Sunem die eerst dood was, en dan weer levend wordt; dat ook dat wonder gebeurt in een afgesloten ruimte. En ook Jezus roept op niet zomaar op elke straathoek in het openbaar te bidden, maar in huis achter een gesloten deur. Bidden is niet voor de bühne, maar voor jezelf, in gesprek met God, de bron van ons bestaan.

Het valt me zo vaak op dat in een pastorale ontmoeting het gebed bijna het belangrijkste is voor de beleving van Gods nabijheid. Want wat helpt er nou als je met iemand spreekt over zijn of haar leven? Niet alleen dat er geluisterd wordt, maar vooral dat iemand ook naar zichzelf luistert. En dat uiteindelijk wat er gezegd wordt voor God wordt gebracht in gebed. In de gegeven woorden vindt iemand zichzelf terug in zijn eigen situatie voor het aangezicht van God. Ja God, dit ben ik. Dit beleef ik. Voed mij. Geef mij kracht. Geen kracht die je optilt, nee, kracht in jezelf waarmee je verder kan. Een auto voedt je ook niet met een touw dat hem vooruit trekt, maar met benzine. Ja, en met olie. En het is deze olie, die de vrouw uiteindelijk voedt. Geen donatie van geld dat uit de hemel valt, maar olie, die de vrouw zelf in huis heeft, en die ze aanboort; een bron die God onuitputtelijk maakt.


Soms is het goed om even stilgezet te worden. Dat is niet altijd fijn, want we blijven graag bezig, of worden graag beziggehouden door anderen, zeker als die onze problemen oplossen. En toch is het goed om stilgezet te worden, omdat je zo voeding krijgt, weer wortelt in je eigen leven. De vrouw leert dat met Gods hulp de bronnen onuitputtelijk blijven stromen in ons leven. Wat je in huis hebt, wat je kan, wat je passie is, wat je drijft; dat houd je met hulp van God in stand. En dat doe je door af en toe de deuren achter je te sluiten, je in je eigen huis terug te trekken en te zien wat je zelf in huis hebt. En je dan op de een of andere manier in gesprek met je bron weer daaruit te putten. De wereld draait wel door, zorg dat je zelf niet doordraait, en losdraait van de enige bron waaruit we leven. Een bron die onuitputtelijk is, en ons het leven geeft. God.

maandag 28 oktober 2013

Houden van anderen zoveel als van jezelf - preek op bijbelzondag 27 oktober 2013


Vandaag lazen we voor het eerst uit de Bijbel in Gewone Taal. Een bewerking van de Bijbel voor mensen die geen kerkelijke achtergrond hebben. Hoe laagdrempelig we de Nieuwe Bijbel Vertaling ook hebben willen uitgeven, zelfs in roman- en in kunstbijbelvorm; toch blijft het gelovige taal, binnenkerkelijke taal, die niet altijd even duidelijk is voor wie nooit in de kerk komt of met het geloof in aanraking komt. De verhalen zijn dan nog wel goed te volgen, maar bij de brieven wordt het toch moeilijker. Daarom wordt er nu een Bijbel in Gewone Taal ontwikkeld. Geen vertaling dus eigenlijk voor in de kerk, maar wel mooi werk van het Nederlands Bijbel Genootschap om op deze bijbelzondag te presenteren.

En dan is het altijd leuk om nieuwe vertalingen en nieuwe bewerkingen van de Bijbel onder ogen te komen. Het nodigt uit om ze te vergelijken met andere vertalingen, en dan ontdek je altijd weer wat. Een bijbelvertaling moet je nooit voor lief nemen. Je moet hem niet naast je neerleggen omdat hij te vrij is, en je moet hem niet zomaar aannemen als de enige juiste weergave van de bijbelwoorden. Als je dat namelijk doet, dan hoor je liever wat je wilt horen, dan wat er gezegd en verteld wordt.

Wat valt dan op in deze bewerking van Galaten 5 uit de Bijbel in Gewone Taal? Mij viel op dat het bekende gebod 'Heb uw naaste lief als uzelf' hier weergegeven wordt als 'Houd evenveel van de mensen om je heen als van jezelf'. En toen begreep ik dat 'Heb uw naaste lief als uzelf' ineens ook niet meer. Wat wordt daar nu eigenlijk mee bedoeld? Het is een zo makkelijk geciteerd zinnetje, dat de diepere betekenis je ervan kan ontgaan. En dan is het mooi als een nieuwe vertaling of bewerking je even stilzet. Vertalers zijn vaak kinderen van hun tijd, zeker als ze de bijbel in gewone taal willen vertellen. En in onze tijd is van jezelf houden een van de belangrijkste waarden in het leven. Als je van jezelf houdt, dan krijg je zelfvertrouwen, kun je tegen een stootje, en kun je je opwerken op de maatschappelijke ladder. En dan doe je ertoe. Ertoe doen is heel belangrijk geworden. De sociale media staan vol met berichten van mensen die het erg goed met zichzelf getroffen hebben. Maar die tegelijkertijd ook de bevestiging zoeken in de hoeveelheid reacties en likes die hun berichten opleveren, en niet te vergeten hoe vaak je bericht op Facebook of je tweet op Twitter gedeeld wordt. Nu is het natuurlijk leuk om te zien dat je gehoord wordt, gelezen wordt, en dat je iets bijdraagt aan een discussie. Maar het gaat erom dat het geen eenrichtingsverkeer wordt. Dat je niet alleen berichten post en afwacht wie ze deelt, maar dat je zelf ook deelt en reageert op anderen. Dat het dus niet alleen om jou draait.
En dat terwijl het stukje uit de brief van Paulus aan de inwoners van Galatië begint met dat God wil dat wij als vrije mensen leven. Vrij waarvan? Vrij van de wet. Galaten 5 begint met: 'Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven; houd dus stand en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.' Dat slavenjuk is geen juk van zwarte piet of zo, maar het juk van de wet. Want, zegt Paulus even later: 'In Christus Jezus is het volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is. Belangrijk is dat men gelooft en de liefde kent, die het geloof zijn kracht verleent.' De eerste christenen waren Joden. En voor Joden was de besnijdenis het teken dat men leeft volgens de wetten van Mozes. Voor Paulus, zelf een Jood, was die wet een issue geworden. Want in zijn ogen stond die wet het geloof in de weg. Paulus is niet tegen de wet. Dat mag je nooit zeggen. Hij heeft de wet niet afgeschaft. Maar hij heeft iets anders belangrijker gemaakt. Geloof, dat door liefde wordt gedreven.

Komende week is het Hervormingsdag. De dag waarop we herdenken dat de kerk hervormd werd door Luther en de zijnen. Deze Luther las de brieven van Paulus heel goed en kwam bij dit soort gedeelten erachter dat alleen geloof voldoende is om Gods genade te ontvangen. En dat het er niet om gaat dat je door de wetten te volgen die genade verdient. In gewone taal gezegd: dat het er niet om gaat dat je je aan regels en voorschriften houdt, maar dat je je door liefde laat leiden. Want liefde is de drijvende kracht achter het geloof. Wie gelooft en door liefde wordt gedreven zal deel hebben aan Gods nieuwe wereld. 

Het hele punt van Paulus is dat wie gelooft en door liefde wordt gedreven, automatisch de wet volgt. Want de wet is bedoeld om te zorgen dat we de goede dingen doen, en die doe je uit liefde automatisch. Maar andersom is dat niet zo. Een wet of voorschrift kun je tamelijk liefdeloos uitvoeren. Als je maar aan de voorwaarden voldaan hebt, dan ben je klaar. Zelfs collecten of mantelzorg kun je liefdeloos doen. Zo, je plicht weer gedaan, klaar.

Zo laten wetten en voorschriften de ruimte om ze naar eigen inzichten en drijfveren op te volgen, los van wat een ander echt nodig heeft. Maar aan de andere kant geeft ook de vrijheid van de wet de mogelijkheid die vrijheid te misbruiken. Volgens de Bijbel in Gewone Taal gaat het daarbij om slechte verlangens die je ervan afhouden je te laten leiden door de heilige Geest. Slechte verlangens; ik had die verwoording niet verwacht. Slecht klinkt, ja, zo... slecht inderdaad. Waarom zijn verlangens slecht? In de Nieuwe Bijbelvertaling gaat het over 'eigen verlangens' in plaats van over slechte verlangens. Verlangens die dus op jezelf zijn gericht. En in de oorspronkelijke tekst gaat het om verlangens van het vlees. Dat woord 'vlees' roept associaties op met veel oudere vertalingen, en oude theologie en oude preken. En toch vind ik het wel verhelderen, en wel hierom. Waar het bij het afwijzen van de bedoelde verlangens om gaat, is dat ze opgesloten zitten in jezelf, alleen maar bedoeld zijn ten bate van jezelf. Deze verlangens leggen dus geen relatie met een ander mens. Je denkt dan dus alleen maar aan jezelf.

Mag dat dan niet? Aan jezelf denken? Jawel hoor, maar niet ten koste van anderen. Aan jezelf denken staat tegenwoordig wel heel erg op zichzelf. Veel mensen doen vooral wat zij leuk vinden, of haken af als ze het niet meer leuk vinden. En we zijn allemaal net zo goed kinderen van onze tijd. Het is goed om aan jezelf te denken. We hebben het erg druk, en moeten ook onze grenzen stellen. Maar wat als die grenzen ten koste gaan van anderen of van de gemeenschap van mensen, en van de geloofsgemeenschap? Het is opvallend dat Paulus hier niet spreekt over zelfverloochening, maar over van jezelf houden. Natuurlijk is het goed om aan jezelf te denken, en ook om van jezelf te houden. Maar altijd in relatie tot andere mensen, en tot de gemeenschap van mensen.

Zo komen we tot de kern van het overbekende gebod 'Heb uw naaste lief als uzelf' dat we hier lezen als 'Houd evenveel van de mensen om je heen als van jezelf'. Het gebod klinkt voor het eerst in Leviticus 19. Daar staat het genoemd na een reeks verboden van dingen waarmee je een ander tekort doet: alles voor jezelf houden, stelen, je naaste verdrukken, een dove vervloeken of een blinde iets in de weg leggen, stoken onder je medemensen, een broeder haten, je wreken en wrok koesteren. Nee, liefhebben zul je je naaste, zoals jezelf! Met de toevoeging: Ik ben Heer. God dus.

Je naaste liefhebben als jezelf betekent dat je in wat je doet rekening houdt met anderen. Dat je niet voor eigen gewin gaat, die een ander tekort doet. Dat je, zoals in dat voorbeeld van de sociale media, werkelijk sociaal bent: een relatie legt met anderen. Het leven is geen eenrichtingsverkeer. Het draait niet alleen om jou. Die toevoeging in Leviticus vind ik het onthouden waard: Ik ben Heer. Ik ben de Ene. Wij zijn de Heer niet. Wij heersen niet over anderen. Wij maken de dienst niet uit. We dienen elkaar, zoals wij ook onszelf dienen.

Wees dan niet te bang dat je iets tekort komt. De Heer is je herder; je komt niet tekort. Er zullen ongetwijfeld dingen zijn waar je naar verlangt en die je niet kunt krijgen, of je naaste tekort zouden doen, maar de Heer is jouw herder, je komt niet tekort.

We leven in relatie met elkaar. Wanneer we dat beseffen is het de liefde die ons drijft. Daarmee krijgen we meer liefde dan we onszelf kunnen geven, hoezeer we ons ook in het middelpunt zetten. En zo hebben we deel aan de nieuwe wereld van Jezus Christus, die alles gegeven heeft, zelfs zijn leven, en zo het leven voor eeuwig heeft ontvangen en verkregen voor ons.


dinsdag 22 oktober 2013

Sint is allang geen bisschop meer; en Zwarte Piet geen slaaf - Grow up; of eigenlijk liever niet!

Elk jaar laat ik me met plezier zwart schminken om die ene dag te mogen zwartwerken in opdracht van de bisschop. Ik speel dan mee op een school in Den Bosch. Daar herkennen ze me niet. Het is een zeer multiculturele school. En alle kinderen houden van Zwarte Piet. Bram en Iris, maar ook Ahmed, Joy, Geoffrey en Hope. Toen vorig jaar de jongste kinderen moegevierd waren, liep ik samen met de andere pieten de restjes pepernoten nog uit te delen aan de oudere kinderen. Er kwam een meisje op me aflopen uit groep 7. Ik vermoed dat zij of haar familie uit Ghana komt. Ze had een mooie bruine kleur en even zo mooi kroeshaar. Ze kwam met haar handen tegen elkaar opengevouwen op me aflopen en zei met een lach van oor tot oor: 'Dag collega'...

Op de warmste 22 oktober in jaren bereikt de opwinding over Zwarte Piet het kookpunt: 'VN-onderzoeker wil af van de Sint' kopt de NOS. VN-onderzoekster Verene Shepherd vraagt zich af waarom er twee 'santa-clausen' moeten zijn en vindt Zwarte Piet terugkeer naar de slavernij. Nou, dan heb je er dus geen bal van begrepen. Niet alleen omdat Sinterklaas geen nep-kerstman is, maar eerder andersom de kerstman een nep-sint. Maar ook omdat je de figuur van Zwarte Piet dan totaal niet begrepen hebt.

Omdat mensen mijn liefde voor het Sinterklaasspel kennen krijg ik veel vragen wat ik er nu van vind. Ik kan daar kort over zijn: Zwarte Piet is allang geen neger meer, en zeker geen slaaf. Net zoals Sinterklaas allang geen bisschop meer is. Nog maar twintig jaar geleden werd Sint Nicolaas geweerd uit de protestants-christelijke basisscholen in ons buurdorp Sprang-Capelle. Sint-Nicolaas was immers een bisschop en derhalve Rooms-Katholiek. Die tijden zijn veranderd, en zo ook voor Zwarte Piet. Hij is een kindervriend geworden. Geen dommige knecht, hooguit een komisch type. Geen neger-imitatie (met ongemakkelijke accenten in de uitspraak), maar een zwarte clown. En kinderen zijn gek op hem. Sinterklaasseries en -films draaien nauwelijks meer om Sinterklaas, maar om de Zwarte Pieten. Moet Piet zwart? Ja, Piet moet zwart. Net zoals Sint een mijter op heeft. Toch is hij geen bisschop meer, en Zwarte Piet geen negroïde slaaf. Onze baas, de hoofdpiet, heeft daar een mooie commentaar over geschreven in de NRC. Helaas dekt de kop de lading volstrekt niet en suggereert de kop dat de alter ego van Erik van Muiswinkel Zwarte Piet zou willen veranderen. Nee, zijn punt is: Zwarte Piet verandert zelf. Zoals de roe verdwenen is, zo kan een Piet nu ook een vrouw zijn. Er is een baby-Piet geweest. En Piet is minder zwart. Maar wel zwart.

De aanval op Zwarte Piet is dit jaar geopend door kunstenaar Quinsy Gario, die in Amsterdam de strijd aanvoert. Zwarte Piet zou racistisch zijn, want hij zou de negroïde medelander bespotten. Dikke doei! Het is opvallend dat deze mensen, doorgaans ook grote pleitbezorgers van de multiculturele samenleving, niets van cultuur begrijpen. O, er zijn zeker motieven achter het Sinterklaasfeest die wij nu als racistisch betitelen. Maar daarom is het feest ook verder ontwikkeld. Zwarte Piet is geen negroïde slaaf meer, net zoals Sinterklaas geen bisschop meer is. Dat oude sinterklaasfeest, wat het allang niet meer is, was in zichzelf al een voortgaande ontwikkeling van een veel ouder motief. Onderzoeker Arnold-Jan Scheer laat zien: 'Overal in Europa worden op geïsoleerde plekken Sinterklaassiten gevierd die veel ouder zijn dan de bisschop van Myra uit 300.' Hij maakte er een documentaire over waarvan dit de preview is:



De les die we hieruit kunnen leren is een algemene cultuurles: We moeten niet kijken naar wat het feest in zijn oorsprong was, we moeten kijken naar wat het feest nú is. Kijk dan met kinderogen. En voel weer de mystiek van het feest. Moet Zwarte Piet daarbij zwart zijn? Ja, zo zwart als hij nu nog is, zonder overdreven lippen en gouden oorringen, maar die vrolijke clowneske zwarte kindervriend. Een bijzondere verschijning. En heerlijk om te spelen. En wat als een kind een zwarte man nawijst en roept: hé, daar gaat Zwarte Piet? Datzelfde kind wees ook naar deze man, en dacht dat hij de kerstman was.


Daarom zou ik willen zeggen: Grow up! Of eigenlijk liever niet: blijf met kinderogen naar dit feest kijken. Want meer dan ooit, en op een nieuwe wijze (zo gaat dat in een culturele ontwikkeling) is dit oude versje van Jos Brink sprekend:

'Je bent te groot,
je bent zo vreselijk volwassen.
Je bent zo nuchter,
en je ziet het te reeël.'



Ds. Otto Grevink, predikant en freelance Hoofdpiet

dinsdag 24 september 2013

Vrede is een Syrious Mission - overweging in de Vredesweek maandag 23 september 2013


Wat moet je bidden voor grote conflicten als in Syrië? We zien de verschrikkingen voorbijkomen op televisie: de ontelbare doden, de ongelofelijke verwoestingen, de mensenmassa’s op de vlucht. Waar moet je voor bidden? Ik bedoel: natuurlijk kunnen we bidden voor de slachtoffers, en om vrede. Maar tegelijk voelt dat zo machteloos. Hoe kan er nu iets veranderen? Hoe kan er een omkeer in de situatie komen? En wie is er goed? Wie is er kwaad? Een burgeroorlog is één grote in de war geraakte knoop van belangen en onderlinge conflicten. Moeten we bidden om de sterke arm van westerse bondgenoten om in te grijpen, of moeten we bidden om wijsheid voor de leiders? Dat laatste is wat we vaak doen: bidden om wijsheid voor de wereldleiders. En wat is dat dan?

Vandaag tijdens deze gebedsviering voor de vrede lezen we een lang en o zo menselijk verhaal: mensen krijgen niet wat ze willen hebben, of mensen willen niet geven wat er van hen gevraagd wordt, en dan hebben ze de neiging om te gaan slaan en op elkaar in te hakken. Hier zijn het twee mannen die een hanengevecht lijken uit te vechten, en dat lijkt niet goed af te lopen, in ieder geval niet voor de vrede.

En toch, toch is dat wel de insteek van het verhaal en van David. Vrede. En het verhaal eindigt er ook mee. Al moeten we eerlijk bekennen dat de Bijbelvertaling die we gebruiken het heeft weg vertaald. Laten we daarom maar eens beginnen bij het begin.

Hoofdstuk 25 van het eerste boek over de profeet Samuël begint met het bericht van zijn dood. Samuël sterft aan ouderdom, en hij wordt begraven. Samuël is een profeet. Dat wil zeggen iemand die laten we zeggen de stem van God laat klinken, zo je wilt het geweten laat spreken. Samuël is het geweten van Israël en diens koningen. Ja, en ook letterlijk koningen in meervoud, want het zit allemaal een beetje lastig in elkaar. Israël had eerst geen koningen en nu zitten ze er opeens met twee. Dat komt omdat Samuël eerst op Gods aanwijzing Saul aanwees als koning. Maar toen Saul God voor zijn karretje wilde spannen bedankte God voor de eer en droeg Samuël op nu David als koning te zalven. Dat leverde natuurlijk een tweestrijd op en Saul zette een heuse kruistocht op ‘to smoke him out of his hole and hunt them down’. David werd vervolgd en achtervolgd als een terrorist. Met tussentijdse bestanden, maar het gaat niet meer goedkomen tussen Saul en David.

En nu, nu is Samuël dood. Hoewel hij niets in te brengen heeft in het conflict tussen Saul en David, is hij wel het morele geweten van David. Want hoe voer je een strijd, en hoe ben je koning te midden van tal van conflicten? Geen enkele wereldleider kan voorkomen dat hij onderwerp is van conflicten en hoe ga je daarmee om? We weten niet in hoeverre David en de profeet Samuël nog contact hadden, en in hoeverre dat nog mogelijk was in het conflict, maar in de wetenschap dat Samuël er nog was kon David vooruit. En nu Samuël dood is? Het verhaal begint dat hij naar de woestijn van Paran gaat. Nee, letterlijker: hij daalt af naar de woestijn van Paran. Het is een neergang, misschien ook een morele neergang, lager bij de grond, platter, banaler. Hoe houdt David zijn moraal hoog?

De politicus in hem weet dat als je niets hebt, je moet zorgen dat je krediet krijgt door goed te doen en economische groei te verschaffen. Dat doet David door met zijn manschappen herders over de herders te worden, de schapen te beschermen, zodat de oogst van wol enorm is voor de eigenaar van de schapen, Nabal. En als er dan een groot schaapscheerdersfeest is, hoopt David aan te mogen schuiven uit dankbaarheid voor de bewezen diensten.

Maar nu leren we deze eigenaar kennen: Nabal zegt bot: nee. Zijn naam betekent Dwaas. En een dwaas is hij. En de bijbellezer hoort dan door die naam heen een zin uit een psalm: ‘De dwaas zegt: er is geen God’. Met andere woorden: een dwaas is in de bijbel iemand die aan niemand een boodschap heeft, aan God al helemaal niet, zijn eigen gang gaat en God noch gebod kent.

En dat, terwijl David in vrede kwam. Want dat staat er letterlijk. David zegt tegen zijn mannen dat ze tegen Nabal moeten zeggen: ‘Vrede zij u, vrede zij uw familie, vrede over al uw vee.’ Maar er is geen vrede als de ander hem niet aanneemt. En dan? David is woest. Hij heeft de neiging om als het niet goedschiks gaat de vrede dan maar kwaadschiks op te leggen. Is dat wel zo verstandig? Leert de recente wereldgeschiedenis ook niet dat hoe nobel ons streven naar vrede is, je vrede nooit kunt opleggen? Natuurlijk is er een zekere terroristische dreiging die je serieus moet nemen, maar in hoeverre is de steun voor die terroristen nu werkelijk afgenomen door het ingrijpen in Irak en Afghanistan? En wat is de wereld daar beter van geworden? Is er iets aan de hand? Ja natuurlijk, maar waar dien je de vrede mee? Kun je zomaar vrede opleggen met militaire middelen? Achter alle geo-politieke spelletjes tussen de grootmachten van deze wereld is dat toch uiteindelijk de vraag: waar dien je de vrede mee? En misschien is dat wel door juist in het klein iets te betekenen voor de slachtoffers van het conflict, zoals de kinderen in vluchtelingenkampen in Jordanië, die het kind van de rekening zijn.

In de mannenwereld van de bijbel is het niet zelden een vrouw die uiteindelijk de doorslag geeft. Abigaïl heet ze. Vaders vreugde betekent haar naam. Waar Nabal God de Vader links laat liggen, is Abigaïls Vaders vreugde. Vrouwe Wijsheid naast de Dwaas. Zij grijpt in op een andere manier. Zij zoekt de verbondenheid met David. Zij daalt met David af, zo staat het er. Zij daalt af David daalt af haar tegemoet. Als een mens zich zo verlaagt tot geweld moet je daar verbinding met hem zoeken, dat is pas vrede stichten. Drie keer staat er dat God David zo ervan weerhoudt het recht in eigen hand te nemen en bloedschuld op zich te laden. Het zou Davids toekomstig koningschap zwaar belasten, als hij bloed aan zijn handen heeft dat anderen kunnen vergelden. En het is niet aan David om het recht in eigen hand te nemen. Vrede is niet iets dat je af kunt dwingen met militaire middelen. Vrede is iets dat alleen met wijsheid gestalte krijgt. Vandaag krijgt het gestalte in Abigaïl. Drie keer staat er dat David zo ervan weerhouden is het recht in eigen hand te nemen en bloedschuld op zich te laden. Als het er drie keer staat, dan is God hier aan het woord. Twee keer zegt Abigaïl het; de derde keer neemt David het van haar over. Hij aanvaardt haar geschenken en zegt dan letterlijk: Ga heen in vrede!

In die vrede kan Nabal niet leven. Zijn hart versteent in zijn binnenste – zoals hij is zo zal hij zijn – en hij komt te overlijden. Abigaïl, die de verbinding zocht met David in een vredesverbond, wordt zijn vrouw.

Ook al hebben we het gevoel zo vaak het recht aan onze kant te hebben, of het recht te steunen, hoeveel rotzakken er ook aan de macht zijn die hun macht niet verdienen; echte vrede is een zaak van wijsheid. En van zachte krachten. Van het zoeken naar verbinding met mensen. Over grenzen heen van landen en culturen en religies. Soms ontberen wij de taalvaardigheid om elkaar te verstaan, en dan is er gelukkig nog de taal van muziek, waarmee de artiesten van Syrious Mission de kinderen in de vluchtelingenkampen even de oorlog laten vergeten. Afgedaald naar het vluchtelingenkamp worden ze even weer op de bergtop gezet met een uitzicht op vrede. Moge God die vrede geven.

dinsdag 17 september 2013

Schrijf niemand af - preek 15 september 2013


Beluister de preek via Kerkomroep

Bent u wel eens iets kwijt? Vast wel. Of het nu autosleutels zijn, je portemonnee of tas, je telefoon, of gewoon de draad of de kluts: we zijn allemaal wel eens iets kwijt. En we kennen dan ook allemaal het gevoel als je iets terugvindt. De opluchting en de ontlading van de stress omdat het nooit gelegen komt.

Maar wat als je iets verliest? Het dus niet meer terugvindt? En wat als dat niet iets is, maar iemand? En nee, dan denk ik niet aan mensen verliezen aan de dood. Ik denk aan mensen verliezen aan het leven. Gewoon omdat je uit elkaar bent gegroeid. Of omdat er iets gebeurd is. Of omdat het gewoon gebeurde. Dat iemand die altijd deel uitmaakte van je vriendenkring, van je familie, of van je kerk, zijn eigen weg kiest? Hoe ga je daarmee om? Ik denk dat we veel sneller dan dat we willen toegeven mensen afschrijven. De rijen of de kring sluiten, en weer verder gaan. Gewond misschien, maar toch, doorgaan. Theoretisch klinkt het allemaal mooi: het verlorene zoeken. Maar als het op de praktijk aankomt is het een stuk lastiger.

Laten we daarom ook niet te snel verontwaardigd zijn over God, als Hij tegenover Mozes zegt dat Hij het onhandelbare volk in Zijn brandende toorn wil verteren. Het zijn grote woorden: een onhandelbaar volk in Zijn brandende toorn willen verteren. Maar het is zo menselijk als wat. Hoe erg kun je niet vreselijk kwaad zijn op iemand die je onrecht aandoet en inderdaad witheet iemand tot zijn schoenveters willen afbranden. Ja, ik zeg het maar wat platter, maar dat is wat er staat. En dus niet meer dan herkenbaar.

Maar we moeten ons door die emotie ook niet teveel laten afleiden. Want dan ontgaat ons de diepere laag. De sterke verhalen van de bijbel zijn juist zo sterk omdat ze voorbij onze eerste indrukken en emoties, en wat we dan denken van God, een veel diepere laag hebben dan je op het eerste gezicht dacht te lezen. We hebben afgelopen maandag met bijna twintig mensen heerlijk zitten spitten in de verhalen over Elia, en hier kun je ook veel meer de diepte in om het verhaal beter te verstaan.

Als je teruggaat naar het begin van hoofdstuk 32 dan lees je over het volk dat lang wachtte op Mozes, en toen hij maar niet de berg afkwam, zich samendromde rondom Aäron en tegen hem zei: “Maak een god voor ons die voor ons uit kan gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.” Nou, vervolgens vraagt Aäron alle gouden oorringen en smelt ze om tot het bekende gouden kalf. En het volk roept dan: “Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid.” En daarna vieren ze uitbundig feest.

Dit feestgedruis is tot boven op de berg te horen, waar ons verhaal begint. En daar ontbrandt God in zijn woede. Hij wil van dat volk af en met Hij probeert Mozes te paaien door te zeggen dat Hij met hem opnieuw zal beginnen. Je zou haast medelijden krijgen met Mozes, die zo tussen twee heten vuren instaat. Eén smeltvuur van het gouden kalf, en één vuur van Gods ontbrandende woede. En het volk lijkt het slachtoffer. Nog even en we geven God de schuld van zijn eigen razernij en wens om zijn volk te verteren in zijn woede. Oppassen dus en even heel goed lezen.

Ja, Mozes staat tussen twee vuren in. Maar wie in het midden staat: daar draait alles om. En hier dus ook. Het draait om Mozes. Hij staat er tussenin, in het midden, en daarmee in het middelpunt. Dat volk beneden merkt niets van die brandende woede en het steekspel tussen God en Mozes. Nee, het draait om Mozes. En dat alles draait om de ene vraag: wie is God? God zelf, dat gouden stierkalf, of Mozes? Ja, Mozes. Want het volk zegt aan het begin: ‘Maak een god voor ons die voor ons uit kan gaan, want wat er gebeurd is met die Mozes, die ons uit Egypte heeft geleid, weten we niet.’ En als ze dan het gouden beeld hebben zeggen ze: ‘Israël, dit is je god, die je uit Egypte heeft geleid.’ Niet God is vervangen door het gouden stierkalf, maar Mozes. En het volk zag Mozes dus kennelijk als een soort god. Of althans, dichtte hem een bepaalde goddelijkheid toe. Dat zie je wel vaker bij leiders. En Israël herinnerde zich dat uit Egypte, waar, precies, de Farao god zelf zei te zijn. De titel om het zo te zeggen ‘Hij, die je uit Egypte heeft geleid’ komt alleen God toe. Dat zie je door heel Exodus heen bij alle geboden en voorschriften. Wie is God? Degene die het volk Israël uit Egypte heeft geleid. En hier wordt die titel gebruikt door het volk eerst voor Mozes en dan voor het gouden kalf.

En daar spreekt God hem op aan. ‘De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga terug naar beneden, want jouw volk, dat je uit Egypte hebt geleid, misdraagt zich.’’ Dus God gebruikt hier precies dezelfde woorden om aan te geven wat er aan de hand is. Hij zegt nota bene dat het Mozes’ volk is, dat Mozes uit Egypte geleid zou hebben. Nee, maar zo is het toch niet, zal Mozes gedacht hebben. ‘Het is úw volk God, en ú hebt het uit Egypte geleid.’ Precies, en al die woede van God is dus miskenning, en de boodschap is: schrijf Mij niet af. Schrijf God niet af. Hij is het die je uit Egypte heeft geleid. En niemand anders. Wat betekent dat voor ons? Hij is het die ons van ons Egypte, van ons angstland, van ons angst en zorgen verlost. We moeten niet ons heil ergens anders gaan zoeken. Want daar vind je het niet.

En net zo belangrijk om God niet af te schrijven, is het ook om mensen niet af te schrijven. Als wij beeld van God zijn, geschapen naar Gods beeld, dan moeten wij evenmin mensen afschrijven. Zelfs als we in zo’n zelfde positie zitten als God hier. Namelijk dat iemand volledig zijn eigen gang gaat, of een aantal mensen hun eigen gang gaan en daarbij het recht met voeten treden. In het Evangelieverhaal ben je zo gauw geneigd in het beeld van de schaapherder medelijden te hebben met dat verloren schaapje. Ach, dat schaapje wist de weg niet meer, maar gelukkig, hij is weer gevonden. En wat ziet ie er lief uit. Nee, het beeld van het verloren schaap is net als het verloren volk bij Mozes. Het verloren schaapje is niet een wit schaapje, maar een zwart. Het is verloren geraakt, niet verdwaald. Het is zijn eigen gang gegaan. Eigenlijk net als de verloren zoon. Daar moeten we ook niet te heilig over denken. Die wenst ook zijn vader dood als hij de erfenis opeist. Die doet ook alles wat God verboden heeft. Die denkt ook als hij de varkens beter eten ziet krijgen dan hijzelf: laat ik maar teruggaan naar mijn Vader, misschien als ik sorry zeg dat ik dan in ieder geval weer fatsoenlijk te eten heb. Er zit vooralsnog niets goeds in die jongen hoor. Net zomin als in dat zwarte schaapje, en in dat volk rondom dat gouden kalf. En als een vrouw één drachmen verliest, dan kun je je afvragen wat er nu zo goed is aan alles op alles zetten om een muntstuk terug te vinden. Want is geld zo belangrijk? Nou precies. Het hele Evangelieverhaal wil laten zien dat het helemaal niet zo vanzelfsprekend is om het verlorene te gaan zoeken, omdat er iets aan dat verlorene kleeft. Net als bij die verloren zoon. Verloren zijn is in de bijbel verwijtbaar, niet een droevig lot. Het gaat om mensen die vanwege allerlei keuzen de weg zijn kwijtgeraakt, of hun eigen weg zijn gegaan. Er zullen ongetwijfeld verzachtende omstandigheden zijn, maar dit Bijbelverhaal wil samen met dat over Mozes laten voelen dat het helemaal niet zo makkelijk is die verzachtende omstandigheden te voelen. Iemand kan zich onmogelijk hebben gemaakt. Of gewoon niet meer passen in de groep waar je bij hoort. En hoe moeilijk ook: toch moet je daar een boodschap aan hebben.

Laat ik het zo zeggen: een bedrijf kan zich permitteren om alleen de beste mensen te zoeken en aan te nemen, en de zwaksten te ontslaan. Maar in de gemeenschap van mensen, in het samenleven van mensen, is er geen buiten en binnen. We zijn allemaal beeld van God. Dus als iemand niet mee kan komen, of vreemd is, dan is het jammer dan. Nee, niet van die persoon, maar van wat de rest in gedachten had. Dan moet het maar anders, op een manier dat die ander wel meekan. Of het nu in het klein gaat om het zwarte schaap van de familie, of de vreemde eend in de bijt, of om buitenlanders in je dorp die zich anders gedragen of zelfs misdragen, aso’s in je straat, ja jammer dan: that’s life. We kunnen het ons niet permitteren mensen af te schrijven. Want God schrijft niemand af. Dat is wat Hij Mozes laat zeggen. Want Mozes zegt terecht: ‘Aan Abraham beloofde u zoveel nakomelingen te geven als er sterren aan de hemel zijn.’ En aan die sterren mag er geen één ontbreken, ook de sterren niet die vallen of die doven. Want mocht je zelf ooit verloren raken; wat zou je blij zijn als er naar je gezocht wordt, en door God wordt gevonden.