Na de vakantieperiode zijn we al weer enige tijd onderweg. En ik merk dat het niet voor iedereen even makkelijk is om weer op gang te komen. Dat is natuurlijk iets van alle jaren. Het kost even voordat je na een vakantie weer helemaal in het ritme bent. Maar dit jaar ben ik me gaan afvragen of ik het goed zie dat het bij sommigen wat moeilijker gaat dan anders? Ik denk dat ook in het kerkenwerk en in de kerkgang te merken. Ik zie weliswaar veel ac]tiviteit, maar minder enthousiasme, lijkt het. En dat, terwijl we het niet zozeer van die drukte, maar van het enthousiasme moeten hebben. En-thou-siasme betekent immers: in God zijn.
Ik ben me af gaan vragen hoe dat zou kunnen komen? Zou het liggen aan een intensief jaar dat we achter de rug hebben? Zowel in de kerk als in ons land? En is het dan niet logisch dat mensen als vanzelf een beetje afstand nemen? Dat is geen verkeerde reactie, maar een reactie uit zelfbescherming. En ik merk ook dat dat bij mensen gepaard gaat met zelfreflectie, met nadenken over wat je echt belangrijk vindt en wat je nog wel, en wat je minder wilt gaan doen.
Als dat de vrucht is van vakantie, van het even letterlijk afstand nemen, dan is dat goed. Als het echter afweer is, dan wordt het een ander verhaal. Dan is er kennelijk iets beschadigd dat geheeld moet worden. Dat is te zien wanneer mensen zich tegen anderen gaan afzetten, of zich gaan afzetten tegen hun werk, of de mensen om hen heen, of tegen de kerk. Afzetten kan ook de vorm krijgen van heel duidelijke starre grenzen in je tijdsbesteding vaststellen, waar een ander zich maar naar heeft te voegen. Wanneer mensen zich afzetten, is dat een signaal dat er iets misgaat. En dat is niet eens zozeer erg voor datgene of diegene waartegen iemand zich afzet, maar voor die mens zelf, voor jou misschien. Je kunt niet leven als je je steeds moet afzetten en het gevoel hebt dingen of mensen weg te moeten duwen. Als je dat overkomt, dan voel je je verdrukt, of gedwongen, en kun je niet anders dan op jezelf gericht je eigen lijn volgen. En dat kan gepaard gaan met een zekere geveinsde vrolijkheid en vrijheid, maar voel je je dan werkelijk vrij?
Je mag weten dat je welkom bent. Dat de kerk een vrijplaats is om opnieuw op zoek te gaan naar oriëntatie. Ook al kan kerk met zoveel drukte gepaard gaan, geloof en kerk is niet iets dat je óók nog moet. Hier is de plaats om bij te tanken. Niet om te horen wat je moet, maar over wie je mag zijn als mens. In de kerk gaat het niet om je daden, maar om je hart. En wat gaat er in jouw hart om? Waar verlang je naar? Waar hoop je op? Wat drijft jou?
De basis daarvoor is juist de paradox dat het daarbij niet om jou draait, maar om God. Dat lijkt tegenstrijdig, omdat je er dan ook nog eens voor iemand anders moet zijn. Maar God laat zich kennen als iemand die er voor jou is. Dat is zijn naam: Ik ben er. En het is de God van psalm 139, die weet wat er in je hart omgaat. Bij Hem is het veilig schuilen. Bij Hem kunnen we op zoek gaan naar onze plek te midden van het gewoel van de tijd. En daar zoeken we naar.
Natuurlijk, ik vergeet mijn eigen preken van deze zomer niet: natuurlijk gaat een commitment met die kerk ook gepaard met plichten naast rechten. Maar die plichten zijn geen dwang, maar een appèl om trouw te blijven aan jezelf, en aan je voornemen om actief te zijn binnen de kerk. Omdat het geloof je wat waard is. Geheel in de lijn van één van de preken deze zomer, betekent dat niet dat je heel veel moet doen of heel veel moet geloven. Blijf echter wel trouw aan wat je verlangt en zoekt en kunt geloven. Geloven moet vorm krijgen om te kunnen worden gevoed en te kunnen leven, en om jou te kunnen bemoedigen. Vraag daarbij niet teveel van jezelf, maar wees wel trouw aan jezelf. Voel je je aangesproken door God, doe er wat mee! De kerk is daaraan dienstbaar.
In alle drukte van deze tijd vraag ik je daarom niet overactief te worden, of enthousiasme te veinzen, maar om voor jezelf na te gaan:
Wat zoek ik dit seizoen?
Welke vragen heb ik om verder te komen in mijn geloof?
Waar zou ik graag aan willen deelnemen?
Wat zou ik graag willen lezen of doen om mijn geloof te onderhouden?
Neem de antwoorden op deze vragen heel serieus. Want anders neem je jezelf niet serieus.
En als je dan de antwoorden hebt, committeer je daar dan ook aan. Dat is de plicht die je hebt tegenover jezelf en tegenover God. Neem jezelf zo serieus dat je er ook werk van maakt. Dat is niet altijd makkelijk in alle drukte. Maar probeer je dan het volgende te realiseren: dat wat je je voorneemt geen activiteiten hoeven te zijn die je ook nog eens moet, maar dat deze activiteiten je voeding mogen zijn voor het overige. Geloven is geen luxe, geloven is de basis, die het overige doortrekt.
Dan zul je God ook tegenkomen. Omdat Hij jou beter kent dan jij jezelf kent. En als je aandacht aan je eigen geloven besteedt, dan zullen de verhalen over God en mensen gaan spreken, zul je gevoed worden, zal de gemeenschap gaan leven, en zal de Geest gaan waaien en ons in God laten zijn.
Ik wens u aan het begin van het seizoen een inspirerend jaar toe, waarbij ik u van harte welkom heet!
dinsdag 21 september 2010
zondag 12 september 2010
Nooit iemand afschrijven - preek bij Lucas 15: 1-10
Voor de lezing uit Lucas 15: 1-10 klik hier.
Laten we de vraag van Jezus eens eerlijk beantwoorden: ‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft?’ We geneigd om deze overbekende vraag hevig knikkend te beantwoorden met: jaha! Want we kennen het verhaal en we weten dat Jezus een retorische vraag stelt. Een vraag die al veronderstelt dat je met ja antwoordt. Maar, is dat echt het antwoord dat je zou geven als je de situatie goed bekijkt? Stel je jezelf eens voor als schaapherder. En je mist één schaap, laat je dan die 99 anderen achter, nota bene in de woestijn, om dat ene schaap te zoeken en koste wat kost te vinden? Zijn in termen van risicomanagement de risico’s niet veel te groot om die 99 anderen alleen te laten. Nog los van de barre omstandigheden in de woestijn, denk ik nog aan allerlei dieren die de schapen kunnen bedreigen. Nog los van de vraag of we vaak niet enig verlies incalculeren bij wat we doen.
Ik denk dat de vraag als het erop aankomt veel minder vanzelfsprekend is om bevestigend te beantwoorden, omdat de praktijk weerbarstiger is. Minister Donner, ook in zijn plaatselijke kerk veel actief geweest, zei ooit in een interview: ‘Christelijke verantwoordelijkheid is om het verloren schaap te zoeken. Publieke verantwoordelijkheid is eerst te zorgen dat de 99 andere schapen veilig thuiskomen.’ Ik denk dat die uitspraak weergeeft hoe het in de praktijk gaat. En dat het ook de moeilijkheid aangeeft om de vraag van Jezus bevestigend te beantwoorden. Want natuurlijk is er de publieke verantwoordelijkheid van de overheid. En natuurlijk hebben we allen een zekere verantwoordelijkheid voor een algemeen belang. En willen wij persoonlijk ook allemaal dezelfde aandacht.
Dan de volgende vraag. Die is misschien wat makkelijker: ‘En als een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest, steekt ze toch de lamp aan, veegt het hele huis schoon en zoekt ze alles af tot ze het muntstuk gevonden heeft?’ Die vraag beantwoorden we misschien wel heel erg gauw met ja, en dat zegt ook veel over ons, en niet over deze vraag. Het is niet makkelijk om een bepaald geldbedrag af te schrijven omdat je niet weet waar het gebleven is. Dus naar geld dat we kwijt zijn zouden we zeker op zoek gaan, al is het maar om te weten waar het naartoe is gegaan. En als we ons dat realiseren worden we wellicht wat kritischer. Dan zal deze vrouw wel arm zijn geweest en elk dubbeltje hebben moeten omdraaien voor ze het uit kon geven. Dus deze verloren drachme is voor haar van levensbelang. Nou is dat wel zo, maar niet op deze manier. Niets wijst ons erop dat ze arm is, ook niet dat ze met die tien drachmen heel rijk is. Dus haar levensbelang zit niet in die ene verloren munt. Omdat dat geen rol speelt kunnen we denk ik wel zeggen dat ze die ene munt best kan missen, en dat ze niet uit zuunigheid alles op alles zet om die laatste munt te zoeken. Het is niet in haar persoonlijk belang, het is haar verantwoordelijkheid. En die neemt ze.
Beide verhalen staan achter elkaar in het Lucas-evangelie, waar we de afgelopen weken ook al uit gelezen hebben. We hebben gezien dat Lucas een heel sociaal evangelie schrijft allereerst. Over de omgang tussen mensen. En de wijze waarop mensen met elkaar om moeten gaan, bijvoorbeeld als ze te gast zijn of gastheer zijn, vertelt ook iets over de omgang van God met de mens. En zo is het ook hier. De verhalen gaan over de zoektocht naar wat verloren is. En als vanzelf denk je wellicht ook aan het verhaal van de Verloren Zoon. En dat klopt; dat is het verhaal dat je hierna kunt lezen in Lucas 15. En eigenlijk hebben we dit verhaal ook nodig om de verhalen van vandaag ten volle te waarderen. Ook daar is er vreugde om de terugkeer van wat verloren is. Maar om die vreugde te begrijpen en daar ook naar te handelen moeten we maar eens even kijken naar de broer van de verloren zoon. Als hij hoort dat zijn vader een groot feest wil geven voor zijn verloren gewaande broer, wordt hij woedend en zegt: ‘Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.’ Het is een jaloezie, waarvan we vanwege de bekendheid van het verhaal weten dat die fout is. Maar is die jaloezie niet erg herkenbaar, bijvoorbeeld als je hem terugplaatst in het verhaal van die schapen? Hoe zouden we reageren als we in de gemeente zien dat bijna alle zorg naar een enkeling in de gemeente gaat? Ligt jaloezie en afgunst dan niet op de loer? En zeggen we dan niet dat die aandacht toch gelijk moet worden verdeeld; dat mensen recht hebben op zorg, om allerlei redenen, misschien wel omdat ze veel doen of over hebben voor de kerk? En ik heb het dan niet over bevoorrechting of iets dergelijks, maar om de zorg voor mensen die buiten de boot dreigen te vallen van aandacht van anderen, of van materiële ondersteuning. Mensen dus die het sociaal en financieel niet redden. En in het ergste geval misschien ook nog door hun eigen schade en schande. Mensen die misschien veel irritatie opwekken, mensen die veeleisend overkomen. Maar is dat een criterium? Vanuit de publieke verantwoordelijkheid wordt gezegd: ja. Een mens heeft een eigen verantwoordelijkheid, ook voor zijn eigen ondergang. En ja, ook in het kerkenwerk mag dat best een criterium zijn, want ook God stelt mensen verantwoordelijk. Dus je neemt niet de verantwoordelijkheid van mensen over. Maar, God is ook genadig. En Hij ziet de mens die terugkeert van zijn schreden. Hij ziet de mens die zegt: ik kan het niet alleen, en ik lijk alles te hebben verloren. De kerk is geen plaats om naïef te blijven geven totdat we leeg raken. We mogen mensen op hun eigen verantwoordelijkheid wijzen, en die hebben wijzelf ook. Maar, er ligt eveneens een verantwoordelijkheid om ons tot het uiterste in te zetten om mensen niet verloren te laten gaan. Met inachtneming van hun eigen verantwoordelijkheid en hun eigen autonomie, of hoe je het ook noemen wilt. Maar we houden ze vast! En als dat betekent dat we onevenredig veel tijd aan een enkeling kwijt kunnen zijn, dan is dat precies onze opdracht: die andere 99 redden zich wel. Die zijn ook niet hulpeloos. Waak voor die afgunst en die jaloezie. Je moest maar niet hopen in de schoenen van de ander te staan. Vind je dat een ander onevenredig veel aandacht krijgt, terwijl die helemaal niet zo vaak naar de kerk komt of bijdraagt aan de kerk, wees dan dankbaar dat dat kan, want die persoon mag dan de weg wellicht kwijt zijn, of geen richting weten vast te houden, of geen toekomst in het vizier hebben of om wat voor reden ook dan ver weg zijn, maar wij houden hem of haar wel vast.
Het is bijzonder kwetsend voor de vader dat de jaloerse zoon met hem spreekt over ‘die zoon van u’. Hij trekt zijn handen van zijn broer af! Maar tegelijk geeft hij zelf het antwoord al: de ander is ook een zoon van de Vader, een kind van God. Het is een verbondenheid die nooit overgaat, en die gelegd wordt bij de doop. Daar ben je aangenomen als kind van God. Aan het ja van de ouders of aan je eigen ja bij je belijdenis of een latere doop, gaat Gods ja vooraf. Een standvastig ja. Ja, ondanks de woorden met Mozes. Het lijkt de omgekeerde wereld: God die zegt: de rest is een zooitje, hardleers en niets mee te beginnen, ik ga verder met jou! Maar zou God net zo makkelijk mensen afschrijven als wij dat doen? Nee, natuurlijk niet. En een wijze Mozes vertelt hem ook waarom. Die belofte aan Abraham, die droom van al die sterren en dat Abraham zoveel nakomelingen zou krijgen als er sterren zijn. Die belofte blijft staan. Dat is een verbond. Daar verbindt God zich aan. Vandaag, morgen en in de verdere toekomst. Hoe ver het leven je ook van God vandaan kan drijven, God blijft met jou verbonden. En er is altijd een weg terug. Je bent altijd welkom. Je bent nooit afgeschreven. Je terugkeer zal met vreugde worden ontvangen. En zie dat niet te groot. Dat kan een terugkerend verlangen zijn om weer eens bezig te zijn met geloof, of een radicale ommekeer in je persoonlijke omstandigheden, of wat voor concrete aanleiding van ziekte, verlies, vreugde of wat dan ook. Nooit, nooit, mogen wij als kerk mensen afschrijven, nooit. Iedereen die wel eens in moeilijkheden is geweest, door eigen fouten of door wat hem of haar overkomt, zou wel eens willen dat alles niet is gebeurd en je weer terug zou kunnen naar het moment daarvoor. Als het gaat om je relatie met God, die je kwijt kunt raken, door je eigen levensloop of door vervelende ervaringen met de kerk of wat dan ook; je relatie met God blijft en daarin is het altijd mogelijk terug te gaan, terug te komen naar huis, in het huis van de Vader.
Laten we de vraag van Jezus eens eerlijk beantwoorden: ‘Als iemand van u honderd schapen heeft waarvan er één verloren is geraakt, laat hij dan niet de negenennegentig andere in de woestijn achter om naar het verdwaalde dier op zoek te gaan tot hij het gevonden heeft?’ We geneigd om deze overbekende vraag hevig knikkend te beantwoorden met: jaha! Want we kennen het verhaal en we weten dat Jezus een retorische vraag stelt. Een vraag die al veronderstelt dat je met ja antwoordt. Maar, is dat echt het antwoord dat je zou geven als je de situatie goed bekijkt? Stel je jezelf eens voor als schaapherder. En je mist één schaap, laat je dan die 99 anderen achter, nota bene in de woestijn, om dat ene schaap te zoeken en koste wat kost te vinden? Zijn in termen van risicomanagement de risico’s niet veel te groot om die 99 anderen alleen te laten. Nog los van de barre omstandigheden in de woestijn, denk ik nog aan allerlei dieren die de schapen kunnen bedreigen. Nog los van de vraag of we vaak niet enig verlies incalculeren bij wat we doen.
Ik denk dat de vraag als het erop aankomt veel minder vanzelfsprekend is om bevestigend te beantwoorden, omdat de praktijk weerbarstiger is. Minister Donner, ook in zijn plaatselijke kerk veel actief geweest, zei ooit in een interview: ‘Christelijke verantwoordelijkheid is om het verloren schaap te zoeken. Publieke verantwoordelijkheid is eerst te zorgen dat de 99 andere schapen veilig thuiskomen.’ Ik denk dat die uitspraak weergeeft hoe het in de praktijk gaat. En dat het ook de moeilijkheid aangeeft om de vraag van Jezus bevestigend te beantwoorden. Want natuurlijk is er de publieke verantwoordelijkheid van de overheid. En natuurlijk hebben we allen een zekere verantwoordelijkheid voor een algemeen belang. En willen wij persoonlijk ook allemaal dezelfde aandacht.
Dan de volgende vraag. Die is misschien wat makkelijker: ‘En als een vrouw tien drachmen heeft en er één verliest, steekt ze toch de lamp aan, veegt het hele huis schoon en zoekt ze alles af tot ze het muntstuk gevonden heeft?’ Die vraag beantwoorden we misschien wel heel erg gauw met ja, en dat zegt ook veel over ons, en niet over deze vraag. Het is niet makkelijk om een bepaald geldbedrag af te schrijven omdat je niet weet waar het gebleven is. Dus naar geld dat we kwijt zijn zouden we zeker op zoek gaan, al is het maar om te weten waar het naartoe is gegaan. En als we ons dat realiseren worden we wellicht wat kritischer. Dan zal deze vrouw wel arm zijn geweest en elk dubbeltje hebben moeten omdraaien voor ze het uit kon geven. Dus deze verloren drachme is voor haar van levensbelang. Nou is dat wel zo, maar niet op deze manier. Niets wijst ons erop dat ze arm is, ook niet dat ze met die tien drachmen heel rijk is. Dus haar levensbelang zit niet in die ene verloren munt. Omdat dat geen rol speelt kunnen we denk ik wel zeggen dat ze die ene munt best kan missen, en dat ze niet uit zuunigheid alles op alles zet om die laatste munt te zoeken. Het is niet in haar persoonlijk belang, het is haar verantwoordelijkheid. En die neemt ze.
Beide verhalen staan achter elkaar in het Lucas-evangelie, waar we de afgelopen weken ook al uit gelezen hebben. We hebben gezien dat Lucas een heel sociaal evangelie schrijft allereerst. Over de omgang tussen mensen. En de wijze waarop mensen met elkaar om moeten gaan, bijvoorbeeld als ze te gast zijn of gastheer zijn, vertelt ook iets over de omgang van God met de mens. En zo is het ook hier. De verhalen gaan over de zoektocht naar wat verloren is. En als vanzelf denk je wellicht ook aan het verhaal van de Verloren Zoon. En dat klopt; dat is het verhaal dat je hierna kunt lezen in Lucas 15. En eigenlijk hebben we dit verhaal ook nodig om de verhalen van vandaag ten volle te waarderen. Ook daar is er vreugde om de terugkeer van wat verloren is. Maar om die vreugde te begrijpen en daar ook naar te handelen moeten we maar eens even kijken naar de broer van de verloren zoon. Als hij hoort dat zijn vader een groot feest wil geven voor zijn verloren gewaande broer, wordt hij woedend en zegt: ‘Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.’ Het is een jaloezie, waarvan we vanwege de bekendheid van het verhaal weten dat die fout is. Maar is die jaloezie niet erg herkenbaar, bijvoorbeeld als je hem terugplaatst in het verhaal van die schapen? Hoe zouden we reageren als we in de gemeente zien dat bijna alle zorg naar een enkeling in de gemeente gaat? Ligt jaloezie en afgunst dan niet op de loer? En zeggen we dan niet dat die aandacht toch gelijk moet worden verdeeld; dat mensen recht hebben op zorg, om allerlei redenen, misschien wel omdat ze veel doen of over hebben voor de kerk? En ik heb het dan niet over bevoorrechting of iets dergelijks, maar om de zorg voor mensen die buiten de boot dreigen te vallen van aandacht van anderen, of van materiële ondersteuning. Mensen dus die het sociaal en financieel niet redden. En in het ergste geval misschien ook nog door hun eigen schade en schande. Mensen die misschien veel irritatie opwekken, mensen die veeleisend overkomen. Maar is dat een criterium? Vanuit de publieke verantwoordelijkheid wordt gezegd: ja. Een mens heeft een eigen verantwoordelijkheid, ook voor zijn eigen ondergang. En ja, ook in het kerkenwerk mag dat best een criterium zijn, want ook God stelt mensen verantwoordelijk. Dus je neemt niet de verantwoordelijkheid van mensen over. Maar, God is ook genadig. En Hij ziet de mens die terugkeert van zijn schreden. Hij ziet de mens die zegt: ik kan het niet alleen, en ik lijk alles te hebben verloren. De kerk is geen plaats om naïef te blijven geven totdat we leeg raken. We mogen mensen op hun eigen verantwoordelijkheid wijzen, en die hebben wijzelf ook. Maar, er ligt eveneens een verantwoordelijkheid om ons tot het uiterste in te zetten om mensen niet verloren te laten gaan. Met inachtneming van hun eigen verantwoordelijkheid en hun eigen autonomie, of hoe je het ook noemen wilt. Maar we houden ze vast! En als dat betekent dat we onevenredig veel tijd aan een enkeling kwijt kunnen zijn, dan is dat precies onze opdracht: die andere 99 redden zich wel. Die zijn ook niet hulpeloos. Waak voor die afgunst en die jaloezie. Je moest maar niet hopen in de schoenen van de ander te staan. Vind je dat een ander onevenredig veel aandacht krijgt, terwijl die helemaal niet zo vaak naar de kerk komt of bijdraagt aan de kerk, wees dan dankbaar dat dat kan, want die persoon mag dan de weg wellicht kwijt zijn, of geen richting weten vast te houden, of geen toekomst in het vizier hebben of om wat voor reden ook dan ver weg zijn, maar wij houden hem of haar wel vast.
Het is bijzonder kwetsend voor de vader dat de jaloerse zoon met hem spreekt over ‘die zoon van u’. Hij trekt zijn handen van zijn broer af! Maar tegelijk geeft hij zelf het antwoord al: de ander is ook een zoon van de Vader, een kind van God. Het is een verbondenheid die nooit overgaat, en die gelegd wordt bij de doop. Daar ben je aangenomen als kind van God. Aan het ja van de ouders of aan je eigen ja bij je belijdenis of een latere doop, gaat Gods ja vooraf. Een standvastig ja. Ja, ondanks de woorden met Mozes. Het lijkt de omgekeerde wereld: God die zegt: de rest is een zooitje, hardleers en niets mee te beginnen, ik ga verder met jou! Maar zou God net zo makkelijk mensen afschrijven als wij dat doen? Nee, natuurlijk niet. En een wijze Mozes vertelt hem ook waarom. Die belofte aan Abraham, die droom van al die sterren en dat Abraham zoveel nakomelingen zou krijgen als er sterren zijn. Die belofte blijft staan. Dat is een verbond. Daar verbindt God zich aan. Vandaag, morgen en in de verdere toekomst. Hoe ver het leven je ook van God vandaan kan drijven, God blijft met jou verbonden. En er is altijd een weg terug. Je bent altijd welkom. Je bent nooit afgeschreven. Je terugkeer zal met vreugde worden ontvangen. En zie dat niet te groot. Dat kan een terugkerend verlangen zijn om weer eens bezig te zijn met geloof, of een radicale ommekeer in je persoonlijke omstandigheden, of wat voor concrete aanleiding van ziekte, verlies, vreugde of wat dan ook. Nooit, nooit, mogen wij als kerk mensen afschrijven, nooit. Iedereen die wel eens in moeilijkheden is geweest, door eigen fouten of door wat hem of haar overkomt, zou wel eens willen dat alles niet is gebeurd en je weer terug zou kunnen naar het moment daarvoor. Als het gaat om je relatie met God, die je kwijt kunt raken, door je eigen levensloop of door vervelende ervaringen met de kerk of wat dan ook; je relatie met God blijft en daarin is het altijd mogelijk terug te gaan, terug te komen naar huis, in het huis van de Vader.
zondag 5 september 2010
Goede voornemens volhouden – volharden in geloof
Voor de lezing Lucas 14: 25-33 klik hier
Vandaag is het de laatste dag van de officiële zomervakantie. Voor sommige ouders is dat een opluchting… Maar voor anderen is het toch best weer lastig om de draad na een vakantie weer op te pakken. Waar zit hem dat toch in? Het normale leven is toch vaak zo slecht nog niet? Maar toch heeft niet iedereen zin in dat normale patroon. Hoe komt dat toch? Natuurlijk is een vakantie vrijer; je kunt meer je eigen tijd indelen en bezigheden bepalen en je hebt even wat minder verantwoordelijkheden. Je bent even los van het alledaagse. Maar kennelijk hebben veel mensen weer terug in dat alledaagse het gevoel dat ze weer in een soort korset of maatpak moeten rondlopen dat hen eigenlijk niet meer zo lekker zit, of dan toch in ieder geval even wennen is. Het is helemaal niet zo makkelijk om vanuit dat vakantiegevoel weer aan de slag te gaan en met de normale dingen van alledag bezig te gaan. Kennelijk wrikt er iets bij sommigen. En dat moet je denk ik niet simpel af doen met een tegenstelling tussen vrije tijd en werktijd. Misschien zit hem dat ook wel in goede voornemens die je al dan niet expliciet maakt in de vakantie. In ieder geval: dat je bepaalde dingen, bijvoorbeeld je gezinsleven, of de natuur, of bepaalde hobby’s, of je geloof, veel meer bent gaan waarderen en daar ook tijd en ruimte voor wilt maken als je weer aan de slag gaat. Misschien zelfs een gevoel van het helemaal anders te willen gaan doen. Vakantie kan je bepalen bij wat je werkelijk belangrijk vindt, of waar je je goed of gelukkig door voelt. En sommigen proberen dat gevoel expliciet te verwoorden in voornemens om na de vakantie meer dit of minder dat te gaan doen. Maar de realiteit is soms zo hard dat na een paar dagen werken je dat vakantiegevoel al bijna kwijt kunt zijn.
Ook Deuteronomium en Lucas stellen ons vandaag voor een keuze. Die keuzen lijken heel hard. Deuteronomium vraagt ons te kiezen tussen leven en dood, zegen en vloek. Jezus lijkt ons te vragen hem te volgen en te breken met onze vaders en moeders en echtgenoten, kinderen, broers en zussen. Vandaag, wanneer we de hele familie Den Ouden mogen ontvangen is dat zo op het eerste gezicht een confronterende tekst. Bedoelt Jezus hier werkelijk dat we onze familie moeten verlaten en alles moeten overhebben voor ons geloof? Het klinkt haast fundamentalistisch. Kijk dan eens even mee naar de voorgaande teksten in Lucas. Om mee te kunnen kijken liggen er voortaan achterin de kerk bijbels. Maar u kunt natuurlijk ook zelf uw eigen bijbel meenemen. Jezus is op weg naar Jeruzalem, lezen we vanaf Lucas 13: 22; de preektekst van twee weken geleden. Sindsdien gaat het over gastvrijheid; wat onze plaats is ten opzichte van de gastheer, Jezus, en wat onze plaats is ten opzichte van anderen, ook als wijzelf gastheer zijn. De maaltijd is daarbij een terugkerend thema; en ook een gelijkenis met de gemeenschap met God. In de verhalen over de maaltijd wordt ook iets verteld over onze gemeenschap met God. Vanaf 13:22 ging het erover dat het er in die gemeenschap met God niet zozeer om gaat dat je zo dicht mogelijk bij het vuur zit, maar dat je ook werkelijk wat met dat vuur in je leven doet. Dat het er niet om gaat dat je altijd dicht in de buurt van Jezus en de kerk blijft, vaak naar de kerk gaat en veel voor de kerk doet, maar dat je ook in je hart bij het geloof bent, je verbonden voelt met Jezus. Vorige week lazen we in hoofdstuk 14 over de plek die je toekomt op een feest en over wie je zou uitnodigen op een feest. En daar zei Jezus ook: nodig eens andere mensen uit dan die het dichtst bij je staan, je familie en je vrienden. Daarmee bedoelde hij niet dat je je van hen moet distantiëren, maar dat het niet gaat om je verwantschap met mensen, maar om je verbondenheid met mensen. Dat is helemaal in de lijn van het verhaal in hoofdstuk 13. Het gaat er niet om dat je waarde ontleent aan het feit dat je nu eenmaal aan mensen verwant bent, of door een instituut bij elkaar bent gebracht, maar dat er een hartsverbondenheid is met anderen, en dat je je van daaruit op die ander richt. En zo bedoelt Jezus in het verhaal van vandaag ook de passage waarin hij oproept je familie te verlaten. Dat gaat niet tegen het gebod in dat je je ouders moet eren, en je grootouders niet te vergeten. Het gaat er daar om dat je ze niet voor lief neemt. En voor lief nemen betekent dat je ze wel als zinvol voor jezelf beschouwt, maar dat je niet meer alles doet om hen lief te hebben. Want net als bij het gast zijn en bij het gastheer zijn gaat het niet om jou, maar om die ander. Omdat je het fijn vindt bij de gastheer gast te zijn om de gastheer, dat je het fijn vindt dat anderen gast bij jou zijn omwille van die gasten, zo vertellen de vorige verhalen. En in het verhaal van vandaag: dat je niet je veiligheid zoekt bij de mensen dichtbij, waardoor alles om jou draait, maar dat je er voor hen wilt zijn. Dat jij je eigen kruis opneemt, en die niet door je familie laat dragen. Dat je ze niet voor lief neemt omdat zij jouw basis zijn, maar dat jij hun basis wilt zijn. Dat jij laat zien dat je de mensen om je heen waardevol vindt.
En Jezus stelt zijn gelovigen voor die keuze, net zoals Deuteronomium uitdaagt te kiezen voor het leven: Kies voor het leven, zegt hij, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen. Hé, ze zijn dus wel belangrijk. Jazeker, maar het is aan jou om dat ook na te leven en te laten zien. En breder nog: om na te leven wat je belangrijk, wat je waardevol vindt. Maar hoe doe je dat? Juist dit moment na de vakantie is zo’n moment dat je voelt dat wat je herontdekt in de vakantie als waardevol, zo moeilijk weer in praktijk te brengen is als alles weer zijn gewone gang krijgt. In het verhaal hiervoor in Lucas 14 zien we zoiets begrijpelijks gebeuren. Iemand wil een feestmaal houden, en nodigt mensen daarvoor uit. Maar de één heeft een akker gekocht, een ander heeft ossen gekocht, en weer een ander is net getrouwd. En vult u zelf maar aan. Wat staat jou in de weg om je hart te volgen? Wat nemen we niet op ons aan verplichtingen, wat zijn we niet druk met van alles en nog wat, en allemaal even begrijpelijk, en wat kan het dan pijn doen als je dan niet toekomt aan wat en wie je het meest lief zijn. Want je voelt dat alle drukte en redenen eigenlijk geen excuses zijn. En als Jezus dan zegt dat de gastheer van het feest dan maar andere mensen uitnodigt, dan klinkt dat hard, maar evenzeer begrijpelijk. En meer nog dan een oordeel is het een aansporing om erover na te denken: wat missen we al niet door al onze drukte? En het meest van alles: wat gaan we voorbij aan de ander, naast ons en boven ons?
Boven ons is God; Hij schonk ons ons geloof. En voor velen bloeit ook dat geloof weer op in de vakantie; verlangen om daar meer mee te doen, omdat dat toch heel waardevol is. Maar Jezus waarschuwt: begin niet aan de bouw van een toren als je hem niet kunt afmaken. Trek niet met halve voorbereidingen ten strijde. Maak ernst van wat je waardevol vindt in je leven, en wat je misschien herontdekt in je vakantie. Doe het, en helemaal, of doe het niet. Wees zuinig op je geloof, al is het nog zo klein. Maar laat het dan klein zijn. Blaas het niet op. Neem je niets voor dat je niet kunt volbrengen. Het heeft geen zin tot driekwart te komen en te zeggen: ik heb het toch aardig volgehouden? Nee, als je het waardevol vindt, ga ervoor, helemaal. Zo ver als je zelf denkt te kunnen, maar volbreng dat.
Dat bracht me op het volgende: van de week hoorde ik een discussie op de radio vanwege de formatieperikelen, een discussie die op Twitter eerst #dedeur heette en later #debrief. En in die discussie werd gezegd dat we veel praten over dat iedereen rechten en plichten heeft. Maar dat we eigenlijk alleen stilstaan bij ieders rechten, en niet bij ieders plichten. Dat er wel een universele verklaring is van de rechten van de mensen, maar niet van de plichten van de mens. We praten daar niet gauw over in onze vrije samenleving. Maar iets waardevols, en zelfs of zeker de liefde en het geloof, houdt naast rechten ook plichten in. Onze voornemens verplichten ons ook ergens toe. Als wij ons aan ons geloof committeren, verplicht dat ons ook ergens toe. Rechten gaan niet zonder plichten. Het recht om aan tafel te gaan, betekent ook de plicht de ander te dienen. Het recht om in de kerk te mogen zitten, betekent ook serieus nemen wat daar gebeurt, en wat jouw bijdrage daaraan kan zijn, hoe klein ook.
Met plicht bedoel ik geen dwang, begrijp me goed. Denk dus niet dat Jezus of de bijbel je ergens toe dwingt. Je bent zelf degene die bepaalt wat jij waardevol vindt. Dat is je recht. Maar je plicht is er dan ook vol voor te gaan, zo vol als jij kunt. Is dat weinig, akkoord. Maar beloof jezelf en God en de ander dan niet meer. Maar vind je het belangrijk, maak het dan ook af. Op jouw manier. En niet voor jezelf, maar voor God en voor elkaar.
Maar… we zijn niet voor niets begonnen met de constatering dat het zo moeilijk is om vanuit wat als je waardevol herontdekt in je vakantie ook werkelijk mee te nemen in het dagelijks leven. Denk er dan eens over na hoe dat niet iets extra’s is dat je ook nog moet, maar iets is dat je meeneemt door alles heen. Bezie eens wat je doet, door de bril van wat je waardevol vindt, en niet andersom. Dan kunnen prioriteiten verschuiven, worden vanzelfsprekendheden minder vanzelfsprekend, en kun je wellicht werkelijk je leven vernieuwen. Moet je dat alleen doen? Welnee, daar is de samenkomst van mensen op tal van plaatsen in gezinnen, kerken, scholen, kringen en noem maar op voor, om elkaar te inspireren en te ondersteunen. En dat alles in naam van Jezus, die gezegd heeft: ‘Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’
Vandaag is het de laatste dag van de officiële zomervakantie. Voor sommige ouders is dat een opluchting… Maar voor anderen is het toch best weer lastig om de draad na een vakantie weer op te pakken. Waar zit hem dat toch in? Het normale leven is toch vaak zo slecht nog niet? Maar toch heeft niet iedereen zin in dat normale patroon. Hoe komt dat toch? Natuurlijk is een vakantie vrijer; je kunt meer je eigen tijd indelen en bezigheden bepalen en je hebt even wat minder verantwoordelijkheden. Je bent even los van het alledaagse. Maar kennelijk hebben veel mensen weer terug in dat alledaagse het gevoel dat ze weer in een soort korset of maatpak moeten rondlopen dat hen eigenlijk niet meer zo lekker zit, of dan toch in ieder geval even wennen is. Het is helemaal niet zo makkelijk om vanuit dat vakantiegevoel weer aan de slag te gaan en met de normale dingen van alledag bezig te gaan. Kennelijk wrikt er iets bij sommigen. En dat moet je denk ik niet simpel af doen met een tegenstelling tussen vrije tijd en werktijd. Misschien zit hem dat ook wel in goede voornemens die je al dan niet expliciet maakt in de vakantie. In ieder geval: dat je bepaalde dingen, bijvoorbeeld je gezinsleven, of de natuur, of bepaalde hobby’s, of je geloof, veel meer bent gaan waarderen en daar ook tijd en ruimte voor wilt maken als je weer aan de slag gaat. Misschien zelfs een gevoel van het helemaal anders te willen gaan doen. Vakantie kan je bepalen bij wat je werkelijk belangrijk vindt, of waar je je goed of gelukkig door voelt. En sommigen proberen dat gevoel expliciet te verwoorden in voornemens om na de vakantie meer dit of minder dat te gaan doen. Maar de realiteit is soms zo hard dat na een paar dagen werken je dat vakantiegevoel al bijna kwijt kunt zijn.
Ook Deuteronomium en Lucas stellen ons vandaag voor een keuze. Die keuzen lijken heel hard. Deuteronomium vraagt ons te kiezen tussen leven en dood, zegen en vloek. Jezus lijkt ons te vragen hem te volgen en te breken met onze vaders en moeders en echtgenoten, kinderen, broers en zussen. Vandaag, wanneer we de hele familie Den Ouden mogen ontvangen is dat zo op het eerste gezicht een confronterende tekst. Bedoelt Jezus hier werkelijk dat we onze familie moeten verlaten en alles moeten overhebben voor ons geloof? Het klinkt haast fundamentalistisch. Kijk dan eens even mee naar de voorgaande teksten in Lucas. Om mee te kunnen kijken liggen er voortaan achterin de kerk bijbels. Maar u kunt natuurlijk ook zelf uw eigen bijbel meenemen. Jezus is op weg naar Jeruzalem, lezen we vanaf Lucas 13: 22; de preektekst van twee weken geleden. Sindsdien gaat het over gastvrijheid; wat onze plaats is ten opzichte van de gastheer, Jezus, en wat onze plaats is ten opzichte van anderen, ook als wijzelf gastheer zijn. De maaltijd is daarbij een terugkerend thema; en ook een gelijkenis met de gemeenschap met God. In de verhalen over de maaltijd wordt ook iets verteld over onze gemeenschap met God. Vanaf 13:22 ging het erover dat het er in die gemeenschap met God niet zozeer om gaat dat je zo dicht mogelijk bij het vuur zit, maar dat je ook werkelijk wat met dat vuur in je leven doet. Dat het er niet om gaat dat je altijd dicht in de buurt van Jezus en de kerk blijft, vaak naar de kerk gaat en veel voor de kerk doet, maar dat je ook in je hart bij het geloof bent, je verbonden voelt met Jezus. Vorige week lazen we in hoofdstuk 14 over de plek die je toekomt op een feest en over wie je zou uitnodigen op een feest. En daar zei Jezus ook: nodig eens andere mensen uit dan die het dichtst bij je staan, je familie en je vrienden. Daarmee bedoelde hij niet dat je je van hen moet distantiëren, maar dat het niet gaat om je verwantschap met mensen, maar om je verbondenheid met mensen. Dat is helemaal in de lijn van het verhaal in hoofdstuk 13. Het gaat er niet om dat je waarde ontleent aan het feit dat je nu eenmaal aan mensen verwant bent, of door een instituut bij elkaar bent gebracht, maar dat er een hartsverbondenheid is met anderen, en dat je je van daaruit op die ander richt. En zo bedoelt Jezus in het verhaal van vandaag ook de passage waarin hij oproept je familie te verlaten. Dat gaat niet tegen het gebod in dat je je ouders moet eren, en je grootouders niet te vergeten. Het gaat er daar om dat je ze niet voor lief neemt. En voor lief nemen betekent dat je ze wel als zinvol voor jezelf beschouwt, maar dat je niet meer alles doet om hen lief te hebben. Want net als bij het gast zijn en bij het gastheer zijn gaat het niet om jou, maar om die ander. Omdat je het fijn vindt bij de gastheer gast te zijn om de gastheer, dat je het fijn vindt dat anderen gast bij jou zijn omwille van die gasten, zo vertellen de vorige verhalen. En in het verhaal van vandaag: dat je niet je veiligheid zoekt bij de mensen dichtbij, waardoor alles om jou draait, maar dat je er voor hen wilt zijn. Dat jij je eigen kruis opneemt, en die niet door je familie laat dragen. Dat je ze niet voor lief neemt omdat zij jouw basis zijn, maar dat jij hun basis wilt zijn. Dat jij laat zien dat je de mensen om je heen waardevol vindt.
En Jezus stelt zijn gelovigen voor die keuze, net zoals Deuteronomium uitdaagt te kiezen voor het leven: Kies voor het leven, zegt hij, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen. Hé, ze zijn dus wel belangrijk. Jazeker, maar het is aan jou om dat ook na te leven en te laten zien. En breder nog: om na te leven wat je belangrijk, wat je waardevol vindt. Maar hoe doe je dat? Juist dit moment na de vakantie is zo’n moment dat je voelt dat wat je herontdekt in de vakantie als waardevol, zo moeilijk weer in praktijk te brengen is als alles weer zijn gewone gang krijgt. In het verhaal hiervoor in Lucas 14 zien we zoiets begrijpelijks gebeuren. Iemand wil een feestmaal houden, en nodigt mensen daarvoor uit. Maar de één heeft een akker gekocht, een ander heeft ossen gekocht, en weer een ander is net getrouwd. En vult u zelf maar aan. Wat staat jou in de weg om je hart te volgen? Wat nemen we niet op ons aan verplichtingen, wat zijn we niet druk met van alles en nog wat, en allemaal even begrijpelijk, en wat kan het dan pijn doen als je dan niet toekomt aan wat en wie je het meest lief zijn. Want je voelt dat alle drukte en redenen eigenlijk geen excuses zijn. En als Jezus dan zegt dat de gastheer van het feest dan maar andere mensen uitnodigt, dan klinkt dat hard, maar evenzeer begrijpelijk. En meer nog dan een oordeel is het een aansporing om erover na te denken: wat missen we al niet door al onze drukte? En het meest van alles: wat gaan we voorbij aan de ander, naast ons en boven ons?
Boven ons is God; Hij schonk ons ons geloof. En voor velen bloeit ook dat geloof weer op in de vakantie; verlangen om daar meer mee te doen, omdat dat toch heel waardevol is. Maar Jezus waarschuwt: begin niet aan de bouw van een toren als je hem niet kunt afmaken. Trek niet met halve voorbereidingen ten strijde. Maak ernst van wat je waardevol vindt in je leven, en wat je misschien herontdekt in je vakantie. Doe het, en helemaal, of doe het niet. Wees zuinig op je geloof, al is het nog zo klein. Maar laat het dan klein zijn. Blaas het niet op. Neem je niets voor dat je niet kunt volbrengen. Het heeft geen zin tot driekwart te komen en te zeggen: ik heb het toch aardig volgehouden? Nee, als je het waardevol vindt, ga ervoor, helemaal. Zo ver als je zelf denkt te kunnen, maar volbreng dat.
Dat bracht me op het volgende: van de week hoorde ik een discussie op de radio vanwege de formatieperikelen, een discussie die op Twitter eerst #dedeur heette en later #debrief. En in die discussie werd gezegd dat we veel praten over dat iedereen rechten en plichten heeft. Maar dat we eigenlijk alleen stilstaan bij ieders rechten, en niet bij ieders plichten. Dat er wel een universele verklaring is van de rechten van de mensen, maar niet van de plichten van de mens. We praten daar niet gauw over in onze vrije samenleving. Maar iets waardevols, en zelfs of zeker de liefde en het geloof, houdt naast rechten ook plichten in. Onze voornemens verplichten ons ook ergens toe. Als wij ons aan ons geloof committeren, verplicht dat ons ook ergens toe. Rechten gaan niet zonder plichten. Het recht om aan tafel te gaan, betekent ook de plicht de ander te dienen. Het recht om in de kerk te mogen zitten, betekent ook serieus nemen wat daar gebeurt, en wat jouw bijdrage daaraan kan zijn, hoe klein ook.
Met plicht bedoel ik geen dwang, begrijp me goed. Denk dus niet dat Jezus of de bijbel je ergens toe dwingt. Je bent zelf degene die bepaalt wat jij waardevol vindt. Dat is je recht. Maar je plicht is er dan ook vol voor te gaan, zo vol als jij kunt. Is dat weinig, akkoord. Maar beloof jezelf en God en de ander dan niet meer. Maar vind je het belangrijk, maak het dan ook af. Op jouw manier. En niet voor jezelf, maar voor God en voor elkaar.
Maar… we zijn niet voor niets begonnen met de constatering dat het zo moeilijk is om vanuit wat als je waardevol herontdekt in je vakantie ook werkelijk mee te nemen in het dagelijks leven. Denk er dan eens over na hoe dat niet iets extra’s is dat je ook nog moet, maar iets is dat je meeneemt door alles heen. Bezie eens wat je doet, door de bril van wat je waardevol vindt, en niet andersom. Dan kunnen prioriteiten verschuiven, worden vanzelfsprekendheden minder vanzelfsprekend, en kun je wellicht werkelijk je leven vernieuwen. Moet je dat alleen doen? Welnee, daar is de samenkomst van mensen op tal van plaatsen in gezinnen, kerken, scholen, kringen en noem maar op voor, om elkaar te inspireren en te ondersteunen. En dat alles in naam van Jezus, die gezegd heeft: ‘Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’
dinsdag 31 augustus 2010
Het draait niet om jou - preek over Lucas 14: 7-14
Voor de lezing, klink hier.
In de doorgaande lezing gaan we door op het thema van vorige week zondag. Toen ging het over de vele mensen die zich in Lucas 13 dichtbij Jezus wanen, maar waarvan Jezus zegt dat zij de smalle poort niet door zullen komen. We hebben toen vastgesteld dat het er niet zozeer om gaat dat Jezus botweg mensen uitkiest en anderen in de steek laat, maar dat het erom gaat of mensen, of wij, met de juiste intentie dichtbij het vuur proberen te zitten. Dat het niet om het er dichtbij zitten gaat, maar om het geloof in wat Jezus te vertellen heeft. Hoe simpel en eenvoudig je geloof misschien ook is. De warmte van het geloof komt anders gezegd van Jezus en niet van onze drukte waarmee we in de weer zijn. Het draait om Jezus.
Met dat thema gaan we verder in een aantal voorbeelden die weer gaan over een gastenlijst. Vorige week hebben we uitgebreid stilgestaan hoe moeilijk het soms kan zijn om voor een groot feest een gastenlijst te maken. En Jezus pakt dat thema op in het vervolg van Lucas, als hijzelf wordt uitgenodigd. In de eerste helft van ons verhaal gaat het erover dat je niet de beste plaatsen vooraan moet kiezen als je ergens uitgenodigd wordt. En Jezus schetst de beschamende vertoning van wat er zou gebeuren als een belangrijker iemand zou komen waarvoor jij dan wordt gevraagd plaats te maken. Tot zover lijkt dit een lesje bescheidenheid. Dat is op zich ook niet verkeerd, maar je zou daaruit de conclusie kunnen trekken dat je beter maar zo ver mogelijk achteraan kunt zitten. En dat doen we in de kerk al genoeg als ik kijk hoe de banken zich vullen. Met de conclusie dat je altijd maar beter achteraan kunt gaan zitten sla je de plank mis. Jezus stelt geen algemene regel. Jezus reageert op wat hij ziet gebeuren op het feest waar hij wordt uitgenodigd. Dat lezen we in vers 7: Hij vertelde de genodigden een gelijkenis, want hij had gezien hoe ze de ereplaatsen voor zichzelf kozen. Jezus reageert dus op wat hij ziet. Evenzo goed had hij mensen aan kunnen spreken op een feest waar iedereen achteraan blijft zitten. Want het gaat Hem niet zozeer om het voor of achteraan zitten, maar om de intentie. Het draait om degene bij wie je te gast bent, en niet om jou. Het gaat er dus niet om dat jij jezelf profileert op een feest als belangrijk, en evenmin om valse bescheidenheid. De moraal van het stuk van vandaag is niet simpel dat de eerste de laatste zal zijn en andersom. Nee, die laatsten kunnen evengoed achteraan gezet worden. Het gaat erom dat het niet om ons draait, overal waar we te gast zijn.
Voor Lucas heeft dat een dubbele laag. Lucas schrijft allereerst een heel sociaal evangelie. Het gaat daarin vaak om menselijke verhoudingen; hoe we met elkaar omgaan. De lezing uit Deuteronomium over hoe we om moeten gaan met vreemdelingen, weduwen en wezen is uit zijn hart gegrepen. En in dit sociale evangelie gaat het vaak over maaltijden en te gast bij elkaar zijn. Dus Lucas schrijft allereerst gewoon over omgangsvormen. Tegelijkertijd is dat een spiegel voor onze omgang met God. Niet voor niets schetst hij hier een bruiloft. De bruiloft is immers het beeld van het moment dat God ons bij zich uitnodigt en alles hier op aarde afgelopen is. Het is een soort beslissingsmoment, waarin het niet meer gaat om onze status, onze kennis of onze prestaties, maar we beoordeeld worden en uitgenodigd worden op onze intenties. Dat betekent: wie we willen zijn voor anderen en voor God. En in dat beeld is des te helderder: het draait niet om ons.
In de tweede helft van ons verhaal wordt dat eens te meer duidelijk. Wanneer wijzelf mensen voor een maaltijd uitnodigen, raadt Jezus ons aan nu eens niet de voor de hand liggende mensen uit te nodigen, maar armen, kreupelen, verlamden en blinden. Het gaat Jezus hier nogmaals niet om algemene regels, en dat je nooit bekenden zou moeten uitnodigen en altijd mensen die je niet kent. Waar het om gaat is dat ook als je gastheer bent het niet om jou zou moeten draaien, maar om de mensen die je uitnodigt. Dus dat je niet mensen uitnodigt, om door hen zo belangrijk te worden gevonden dat zij jou ook weer uitnodigen. Dat jij dus mensen uitnodigt om er iets voor terug te krijgen. En dan gaat het Jezus er niet om dat je geen feest mag houden met mensen waarmee je het leuk hebt, maar het gaat om de diepte van die ontmoetingen. Denk er maar eens aan hoe leeg weer die gastenlijst kan zijn, als je je daarbij ook nog moet bedenken wie je uit moet nodigen omdat jijzelf ook bent uitgenodigd door die ander. Dat gaat dan toch helemaal nergens over? Nee, natuurlijk, ik snap ook wel dat je er niet aan ontkomt soms, maar voel dan ook aan wat Jezus hier bedoelt. Als je mensen uitnodigt omwille van hen; omdat je zegt: ik vind het leuk om dit met jóu te vieren – dan krijg je toch hele andere ontmoetingen? En een heel ander feest? Dan gaat het niet meer om het netwerk dat je aan het onderhouden bent, maar om die mensen die een leuke tijd met jou hebben? En dat is in zichzelf toch voldoende lonend? Dan hoef je toch niet ook nog eens een keer door hen per se te worden uitgenodigd?
Dat bedoelt Jezus met: Dan zult u gelukkig zijn. Natuurlijk heeft dat ook een hemelse dimensie. Maar hemel en aarde gaan zeker bij Lucas in de ethiek, in de omgangsvormen, samen. Die hemel, dat moment waarop we bij God uitgenodigd worden, is een moment dat alles nieuw maakt. Dat alles ontdoet van alle franje en leegte, en alles opnieuw laat beginnen bij de kern.
En hoe kom je die kern, dat nieuwe op het spoor? Niet door je vooraan te dringen dichtbij het vuur. Dan verbrand je je. Dan zit je er te dicht op. Dan zou het zoveel beter zijn om eens afstand te nemen, bescheidener te zijn. Eens niet op de voorste rij te zitten. Wat zou je dan voor nieuws zien?! Dan zou je alle mensen zien die er ook zijn, en waar het eigenlijk om draait. En dat betekent voor ons in de kerk bijvoorbeeld: hoe laten we mensen in de kerk aan het woord komen die nooit aan het woord komen? Er zijn zoveel mensen die zo graag iets zouden willen vertellen over hun verlangens, hun zorgen, hun pijn, hun vreugde. Maar die we simpelweg niet horen, omdat we bezig zijn met onszelf en de mensen die we kennen. En dat is logisch, want dat is al complex genoeg. Er is zoveel te regelen en er zijn al zoveel zorgen bij de mensen die dichtbij het vuur zitten. Maar als je afstand neemt dan zie je dat de schare breder is, en dan vallen die zorgen van een kleine kern misschien nog wel mee. Dan zie je het grote geheel weer, en wat vernieuwend kan dat zijn!
Het is niet makkelijk om de mensen aan het woord te laten die anders nooit aan het woord komen. Allereerst, logischerwijs, omdat we ze niet horen, maar ook omdat je niet weet wat je moet zoeken. En juist daarom moet je bij de deur gaan staan, en er misschien wel buiten om de kerk open te zetten, om te zeggen: het gaat in Jezus’ naam niet om ons maar om jullie. En als we bang zijn niets in handen te hebben dan kruipen we ineen op ons plekje vooraan. Juist door afstand te nemen en achteraan plaats te nemen krijgen we de creativiteit om het vuur te laten gloeien in onze geloofsgemeenschap.
Hoe laat je de mensen aan het woord die anders nooit aan het woord komen? Het is ook de vraag die vandaag de dag in de politiek speelt. Tussen alle mannetjesmakerij en machtpolitiek van wie op het pluche wil zitten en met wie en met wie niet, en tussen al het geschreeuw van prominenten en van nieuwe partijen, gaat het in wezen om de vraag: hoe laten we de gewone man aan het woord die het gevoel heeft nooit aan het woord te komen? Los van standpunten in al zijn extremiteiten gaat het in de kern om die vraag: en die vraag zou leidend moeten zijn in de politiek van vandaag: hoe geef je mensen een stem die het gevoel hebben dat ze niet worden gehoord? En dat moet je niet zelf schreeuwen, dan moet je luisteren!
En dan zult u gelukkig zijn. Hoe kom je nog meer tot de kern van het nieuwe? Door mensen te ontmoeten die je niet kent en omwille van hen. Het bepaalt ons erbij hoe vaak wij bij het koffiedrinken in een kringetje met bekenden staan; of hoezeer wij eraan gehecht zijn dat bepaalde mensen naast ons zitten. Onbekend maakt onbemind. Maar het nieuwe, en de kern waar het om gaat, komt van mensen die iets nieuws te vertellen hebben. Waarvan je niet van tevoren weet wat je aan ze hebt, en ja, misschien helemaal niets. Maar het nieuwe komt je pas toe als je je kringetje openbreekt en de plaats naast je openstelt, of je straks even voorstelt aan degene naast je als je die niet kent. O, het is allemaal zo begrijpelijk dat het zo gaat, maar we laten zoveel liggen. En het leven is zoveel rijker. Wees niet bang. God komt je tegemoet in het nieuwe, en in de nieuwe ander. In een nieuwe ontmoeting kan het vuur weer gaan branden, komen we God op het spoor, en weten we weer waar het om gaat: niet om al onze drukte, maar om een simpele man uit Nazareth.
Jezus is op weg, lezen we vlak voor ons verhaal. Op weg naar Jeruzalem. In dat teken staat het allemaal. En tussen het verhaal van vorige week en vandaag staat een verhaal waarin enige farizeeërs hem tippen vooral weg te gaan, omdat Herodes hem zou willen doden. Ze willen hem wegduwen, maar Jezus blijft op koers naar Jeruzalem. Want in die voornaamste stad komt hem de voornaamste plaats toe. Iedereen wil hem daarvan weghouden, en ook in het verhaal van vandaag houden ze hem in de gaten. Maar hij zet door. De steen die door bouwlieden weggeworpen wordt zou tot hoeksteen worden. Op de plaats waar hij vernederd werd, werd hij verhoogd. De dood, waar ze hem injoegen, werd zijn overwinning. Want het nieuwe komt als al het oude heeft afgedaan. Daarom: wees niet bang. God zal alles nieuw maken, ook jou, nu of later als we zeggen: Gezegend hij die komt in de naam van de Heer.
In de doorgaande lezing gaan we door op het thema van vorige week zondag. Toen ging het over de vele mensen die zich in Lucas 13 dichtbij Jezus wanen, maar waarvan Jezus zegt dat zij de smalle poort niet door zullen komen. We hebben toen vastgesteld dat het er niet zozeer om gaat dat Jezus botweg mensen uitkiest en anderen in de steek laat, maar dat het erom gaat of mensen, of wij, met de juiste intentie dichtbij het vuur proberen te zitten. Dat het niet om het er dichtbij zitten gaat, maar om het geloof in wat Jezus te vertellen heeft. Hoe simpel en eenvoudig je geloof misschien ook is. De warmte van het geloof komt anders gezegd van Jezus en niet van onze drukte waarmee we in de weer zijn. Het draait om Jezus.
Met dat thema gaan we verder in een aantal voorbeelden die weer gaan over een gastenlijst. Vorige week hebben we uitgebreid stilgestaan hoe moeilijk het soms kan zijn om voor een groot feest een gastenlijst te maken. En Jezus pakt dat thema op in het vervolg van Lucas, als hijzelf wordt uitgenodigd. In de eerste helft van ons verhaal gaat het erover dat je niet de beste plaatsen vooraan moet kiezen als je ergens uitgenodigd wordt. En Jezus schetst de beschamende vertoning van wat er zou gebeuren als een belangrijker iemand zou komen waarvoor jij dan wordt gevraagd plaats te maken. Tot zover lijkt dit een lesje bescheidenheid. Dat is op zich ook niet verkeerd, maar je zou daaruit de conclusie kunnen trekken dat je beter maar zo ver mogelijk achteraan kunt zitten. En dat doen we in de kerk al genoeg als ik kijk hoe de banken zich vullen. Met de conclusie dat je altijd maar beter achteraan kunt gaan zitten sla je de plank mis. Jezus stelt geen algemene regel. Jezus reageert op wat hij ziet gebeuren op het feest waar hij wordt uitgenodigd. Dat lezen we in vers 7: Hij vertelde de genodigden een gelijkenis, want hij had gezien hoe ze de ereplaatsen voor zichzelf kozen. Jezus reageert dus op wat hij ziet. Evenzo goed had hij mensen aan kunnen spreken op een feest waar iedereen achteraan blijft zitten. Want het gaat Hem niet zozeer om het voor of achteraan zitten, maar om de intentie. Het draait om degene bij wie je te gast bent, en niet om jou. Het gaat er dus niet om dat jij jezelf profileert op een feest als belangrijk, en evenmin om valse bescheidenheid. De moraal van het stuk van vandaag is niet simpel dat de eerste de laatste zal zijn en andersom. Nee, die laatsten kunnen evengoed achteraan gezet worden. Het gaat erom dat het niet om ons draait, overal waar we te gast zijn.
Voor Lucas heeft dat een dubbele laag. Lucas schrijft allereerst een heel sociaal evangelie. Het gaat daarin vaak om menselijke verhoudingen; hoe we met elkaar omgaan. De lezing uit Deuteronomium over hoe we om moeten gaan met vreemdelingen, weduwen en wezen is uit zijn hart gegrepen. En in dit sociale evangelie gaat het vaak over maaltijden en te gast bij elkaar zijn. Dus Lucas schrijft allereerst gewoon over omgangsvormen. Tegelijkertijd is dat een spiegel voor onze omgang met God. Niet voor niets schetst hij hier een bruiloft. De bruiloft is immers het beeld van het moment dat God ons bij zich uitnodigt en alles hier op aarde afgelopen is. Het is een soort beslissingsmoment, waarin het niet meer gaat om onze status, onze kennis of onze prestaties, maar we beoordeeld worden en uitgenodigd worden op onze intenties. Dat betekent: wie we willen zijn voor anderen en voor God. En in dat beeld is des te helderder: het draait niet om ons.
In de tweede helft van ons verhaal wordt dat eens te meer duidelijk. Wanneer wijzelf mensen voor een maaltijd uitnodigen, raadt Jezus ons aan nu eens niet de voor de hand liggende mensen uit te nodigen, maar armen, kreupelen, verlamden en blinden. Het gaat Jezus hier nogmaals niet om algemene regels, en dat je nooit bekenden zou moeten uitnodigen en altijd mensen die je niet kent. Waar het om gaat is dat ook als je gastheer bent het niet om jou zou moeten draaien, maar om de mensen die je uitnodigt. Dus dat je niet mensen uitnodigt, om door hen zo belangrijk te worden gevonden dat zij jou ook weer uitnodigen. Dat jij dus mensen uitnodigt om er iets voor terug te krijgen. En dan gaat het Jezus er niet om dat je geen feest mag houden met mensen waarmee je het leuk hebt, maar het gaat om de diepte van die ontmoetingen. Denk er maar eens aan hoe leeg weer die gastenlijst kan zijn, als je je daarbij ook nog moet bedenken wie je uit moet nodigen omdat jijzelf ook bent uitgenodigd door die ander. Dat gaat dan toch helemaal nergens over? Nee, natuurlijk, ik snap ook wel dat je er niet aan ontkomt soms, maar voel dan ook aan wat Jezus hier bedoelt. Als je mensen uitnodigt omwille van hen; omdat je zegt: ik vind het leuk om dit met jóu te vieren – dan krijg je toch hele andere ontmoetingen? En een heel ander feest? Dan gaat het niet meer om het netwerk dat je aan het onderhouden bent, maar om die mensen die een leuke tijd met jou hebben? En dat is in zichzelf toch voldoende lonend? Dan hoef je toch niet ook nog eens een keer door hen per se te worden uitgenodigd?
Dat bedoelt Jezus met: Dan zult u gelukkig zijn. Natuurlijk heeft dat ook een hemelse dimensie. Maar hemel en aarde gaan zeker bij Lucas in de ethiek, in de omgangsvormen, samen. Die hemel, dat moment waarop we bij God uitgenodigd worden, is een moment dat alles nieuw maakt. Dat alles ontdoet van alle franje en leegte, en alles opnieuw laat beginnen bij de kern.
En hoe kom je die kern, dat nieuwe op het spoor? Niet door je vooraan te dringen dichtbij het vuur. Dan verbrand je je. Dan zit je er te dicht op. Dan zou het zoveel beter zijn om eens afstand te nemen, bescheidener te zijn. Eens niet op de voorste rij te zitten. Wat zou je dan voor nieuws zien?! Dan zou je alle mensen zien die er ook zijn, en waar het eigenlijk om draait. En dat betekent voor ons in de kerk bijvoorbeeld: hoe laten we mensen in de kerk aan het woord komen die nooit aan het woord komen? Er zijn zoveel mensen die zo graag iets zouden willen vertellen over hun verlangens, hun zorgen, hun pijn, hun vreugde. Maar die we simpelweg niet horen, omdat we bezig zijn met onszelf en de mensen die we kennen. En dat is logisch, want dat is al complex genoeg. Er is zoveel te regelen en er zijn al zoveel zorgen bij de mensen die dichtbij het vuur zitten. Maar als je afstand neemt dan zie je dat de schare breder is, en dan vallen die zorgen van een kleine kern misschien nog wel mee. Dan zie je het grote geheel weer, en wat vernieuwend kan dat zijn!
Het is niet makkelijk om de mensen aan het woord te laten die anders nooit aan het woord komen. Allereerst, logischerwijs, omdat we ze niet horen, maar ook omdat je niet weet wat je moet zoeken. En juist daarom moet je bij de deur gaan staan, en er misschien wel buiten om de kerk open te zetten, om te zeggen: het gaat in Jezus’ naam niet om ons maar om jullie. En als we bang zijn niets in handen te hebben dan kruipen we ineen op ons plekje vooraan. Juist door afstand te nemen en achteraan plaats te nemen krijgen we de creativiteit om het vuur te laten gloeien in onze geloofsgemeenschap.
Hoe laat je de mensen aan het woord die anders nooit aan het woord komen? Het is ook de vraag die vandaag de dag in de politiek speelt. Tussen alle mannetjesmakerij en machtpolitiek van wie op het pluche wil zitten en met wie en met wie niet, en tussen al het geschreeuw van prominenten en van nieuwe partijen, gaat het in wezen om de vraag: hoe laten we de gewone man aan het woord die het gevoel heeft nooit aan het woord te komen? Los van standpunten in al zijn extremiteiten gaat het in de kern om die vraag: en die vraag zou leidend moeten zijn in de politiek van vandaag: hoe geef je mensen een stem die het gevoel hebben dat ze niet worden gehoord? En dat moet je niet zelf schreeuwen, dan moet je luisteren!
En dan zult u gelukkig zijn. Hoe kom je nog meer tot de kern van het nieuwe? Door mensen te ontmoeten die je niet kent en omwille van hen. Het bepaalt ons erbij hoe vaak wij bij het koffiedrinken in een kringetje met bekenden staan; of hoezeer wij eraan gehecht zijn dat bepaalde mensen naast ons zitten. Onbekend maakt onbemind. Maar het nieuwe, en de kern waar het om gaat, komt van mensen die iets nieuws te vertellen hebben. Waarvan je niet van tevoren weet wat je aan ze hebt, en ja, misschien helemaal niets. Maar het nieuwe komt je pas toe als je je kringetje openbreekt en de plaats naast je openstelt, of je straks even voorstelt aan degene naast je als je die niet kent. O, het is allemaal zo begrijpelijk dat het zo gaat, maar we laten zoveel liggen. En het leven is zoveel rijker. Wees niet bang. God komt je tegemoet in het nieuwe, en in de nieuwe ander. In een nieuwe ontmoeting kan het vuur weer gaan branden, komen we God op het spoor, en weten we weer waar het om gaat: niet om al onze drukte, maar om een simpele man uit Nazareth.
Jezus is op weg, lezen we vlak voor ons verhaal. Op weg naar Jeruzalem. In dat teken staat het allemaal. En tussen het verhaal van vorige week en vandaag staat een verhaal waarin enige farizeeërs hem tippen vooral weg te gaan, omdat Herodes hem zou willen doden. Ze willen hem wegduwen, maar Jezus blijft op koers naar Jeruzalem. Want in die voornaamste stad komt hem de voornaamste plaats toe. Iedereen wil hem daarvan weghouden, en ook in het verhaal van vandaag houden ze hem in de gaten. Maar hij zet door. De steen die door bouwlieden weggeworpen wordt zou tot hoeksteen worden. Op de plaats waar hij vernederd werd, werd hij verhoogd. De dood, waar ze hem injoegen, werd zijn overwinning. Want het nieuwe komt als al het oude heeft afgedaan. Daarom: wees niet bang. God zal alles nieuw maken, ook jou, nu of later als we zeggen: Gezegend hij die komt in de naam van de Heer.
donderdag 26 augustus 2010
Megamoskee Ground Zero is geen moskee
Trouw Podium 23 augustus 2010 Youssef Azghari, Publicist en docent communicatie, cultuur en ethiek Avans Hogeschool
De ophef over het islamitische centrum op Manhattan is niet terecht. Het wordt een uniek cultureel instituut.
De discussie over de zogenaamde megamoskee die vlakbij Ground Zero zal verrijzen, houdt de gemoederen overal in de wereld bezig. Om de bouw van dit centrum tegen te houden, hanteren radicale tegenstanders drogredenen en valse beelden. Omdat de aanslagen op 11 september 2001 diepe sporen hebben achtergelaten in het hart van New York mag er op loopafstand geen gebouw komen waar Amerikaanse moslims ook God eren. Het zou een enorme dreun zijn in het gezicht van de slachtoffers. En een belediging voor de nabestaanden die rouwen om hun omgekomen dierbaren. Maar het gaat hier helemaal niet om de bouw van een moskee. Het gaat om een groot buurthuis, zonder koepel en minaret.
Lees meer in Trouw...
De ophef over het islamitische centrum op Manhattan is niet terecht. Het wordt een uniek cultureel instituut.
De discussie over de zogenaamde megamoskee die vlakbij Ground Zero zal verrijzen, houdt de gemoederen overal in de wereld bezig. Om de bouw van dit centrum tegen te houden, hanteren radicale tegenstanders drogredenen en valse beelden. Omdat de aanslagen op 11 september 2001 diepe sporen hebben achtergelaten in het hart van New York mag er op loopafstand geen gebouw komen waar Amerikaanse moslims ook God eren. Het zou een enorme dreun zijn in het gezicht van de slachtoffers. En een belediging voor de nabestaanden die rouwen om hun omgekomen dierbaren. Maar het gaat hier helemaal niet om de bouw van een moskee. Het gaat om een groot buurthuis, zonder koepel en minaret.
Lees meer in Trouw...
maandag 23 augustus 2010
Gasten eerst! - Preek bij Lucas 13:22-30
Hebt u wel eens voor de zware opgave gestaan om een gastenlijst te maken voor een feest? Voor een bruiloft, een verjaardag, een huwelijksjubileum of voor welke gelegenheid dan ook die u groots wil vieren? Als u daarvoor een gastenlijst moet maken, dan is het begin makkelijk. De eerste pakweg twintig mensen zijn mensen die u er per se bij wilt hebben. Mensen die uw hele leven met u zijn meegegaan, ook op de moeilijke momenten, en mensen die op cruciale momenten in uw leven kwamen. Heel betekenisvolle mensen, die ook duidelijk te onderscheiden zijn van andere gasten. Maar daarna wordt het lastig, als u het groots wilt vieren. Het verschil tussen 50 en 150 mensen, of misschien zelfs 250 mensen, is vaak moeilijk te maken. Natuurlijk nodig je die collega uit, maar dan moet je de andere collega’s ook uitnodigen. Ja, natuurlijk nodig je die tante uit, die altijd even belt hoe het met de kinderen gaat, maar dan moet je die tante die altijd over zichzelf praat, als je haar al tegenkomt, ook uitnodigen. Je komt gauw in de categorie mensen uit die je anders ook nooit ziet, en waar je mee verlegen kunt zitten bij het maken van een gastenlijst. Passeren kun je ze niet, omdat je op de een of andere wijze met elkaar verbonden bent via werk- of familiebanden. En zo werkt het nu eenmaal, zo doen we dat. En dan is het nog steeds heerlijk om met zoveel mensen te vieren, als je maar niet de illusie hebt dat dit allemaal vrienden zijn – al is het begrip vriend sinds de komst van allerlei netwerksites ook behoorlijk gedevalueerd.
Zo werkt het als wij een gastenlijst zouden moeten maken, maar werkt het ook zo voor Jezus? Het antwoord daarop is in de tekst van vanmorgen: nee. Jezus laat zich niet leiden door het feit dat hij bepaalde mensen van dichtbij gezien heeft en dat zij Hem kennen. Er is schijnbaar een hele smalle toegangspoort. En, beste vrienden, Hij doelt daarmee niet op mensen die we nauwelijks zien in de kerk, alle mensen die we schandelijkerwijs randleden zijn gaan noemen, de ouders die hun kinderen oprecht laten dopen maar niet meer komen, en anderen. Nee, als u hier vanmorgen bent en dacht: laat ik weer eens naar de kerk gaan: Van harte welkom! Als u van de camping komt en dacht: thuis vind ik het niet meer, laat ik hier eens weer naar de kerk gaan: Van harte welkom! Nee, het gaat in de tekst van vanmorgen juist om die mensen die vanzelfsprekend met de kerk verbonden zijn door het feit dat ze gedoopt zijn, frequent en zelfs regelmatig in de kerk komen, en veel in en voor de kerk doen.
Is de band met Jezus vanwege het feit dat je gedoopt bent en regelmatig naar de kerk gaat en je in meer of mindere mate ook inzet voor die kerk voldoende voor een ticket to heaven? Het antwoord daarop vandaag is: in wezen niet. Het antwoord op de vraag aan Jezus – Heer, zijn er maar weinigen die worden gered? – is niet zozeer een schok voor mensen op afstand, maar juist voor mensen dichtbij, die dachten een band te hebben en verzekerd te zijn en denken dat ze wel goed zitten. Het gaat er blijkbaar niet om dat je dichtbij het vuur zit en vaak genoeg aanwezig bent en van je laat horen. Het gaat blijkbaar niet om de kwantiteit van ons geloven, hoeveel wij geloven, en hoe vaak wij iets doen voor onze kerk. De deur naar binnen toe die Jezus beschrijft is niet breed zodat er grote aantallen mensen naar binnen kunnen, maar smal. Het moet blijkbaar uit de lengte komen, en niet uit de breedte. Het moet uit de lengte komen van een intensief geloof, staan voor wat je gelooft, je leven tot in lengte van dagen laten leiden door je geloof en door God. Anders gezegd: het gaat in geloven niet om kwantiteit, om een getalswaarde van hoe vaak en hoeveel? Maar het gaat in geloven om de kwaliteit, om de waarde en de betekenis van je geloven.
Laat heel helder zijn dat ik hier geen angst probeer aan te praten, die vroeger veel is aangepraat omdat je nooit zeker zou kunnen zijn dat je gered wordt. Het enige ware daarvan is dat het niet van je hoeveelheid geloof en succes in je leven door hard en vroom te werken of van je inzet voor de kerk afhangt. Natuurlijk is die inzet wel belangrijk, maar het gaat niet om de hoeveelheid van die inzet die de doorslag geeft. De kwaliteit van je geloof is het criterium, en daarin gaat het niet om een hoeveelheid. Dus ook niet om een examen. Je geloof kan nog zo simpel zijn en je vragen zo legio en je mogelijkheden zo beperkt – als het hier (in je hart) maar goed zit.
In het leven van een geloofsgemeenschap gaat het dus ook niet om aantallen, want dat is maar uiterlijk. Hoe oprecht de betrokkenheid ook is, ja precies. Het gaat om het innerlijk. Om de kwaliteit van ons geloven en onze geloofsgemeenschap. En die is veel lastiger te meten. Hoe ben je een kwalitatief goede geloofsgemeenschap? Een paar dingen kunnen we uit de tekst van vandaag halen:
Jezus zegt: er zijn laatsten die de eersten zijn, en er zijn eersten die de laatsten zijn. Laten wij ons niet beschouwen als eersten, maar degene buiten de directe kern van onze gemeenschap. Onze gasten vandaag. Uit het oosten en het westen en uit het noorden en het zuiden zullen ze komen. Bij sommige grote Amerikaanse kerken is het daarom gewoonte dat op die grote parkeerplaatsen de plaatsen voor de gasten het dichtst bij de ingang staan… En er zijn de mensen in onze gemeenschap en daarbuiten die zoekend zijn. Deze gemeenschap is niet van ons, maar van Christus. Zoals Christus nodigt aan de Tafel, zo nodigt Hij Zijn mensen op Zijn tijd in Zijn huis. Wij hebben de sleutel niet, die heeft Hij.
Jezus citeert de mensen aan de dichte deur die zeggen dat ze in Zijn bijzijn hebben gegeten en gedronken en dat Hij in hun straten onderricht heeft gegeten. En toen? Hebben we er wat mee gedaan? En dan niet een kerk gebouwd rondom de herhaling van dat hele ritueel, maar er echt iets mee gedaan in ons leven van alledag? En weer gaat het dan niet om de hoeveelheid, maar om de waarde ervan, en dat kan in kleine dingen zitten. Het gaat er andersom niet om dat je heel gemakkelijk buiten de boot kunt vallen, waardoor je je heel hard moet inzetten, en soms wel eens een foutje kunt maken. Nee, het gaat erom dat de waarde achter wat je doet goed is. En dat je niet bij een foutje zegt: moet kunnen toch? Ik doe al zoveel goeds. Nee, juist in foutjes kan blijken wat je echt drijft. Of je uiterlijk bent bezig geweest of innerlijk ertoe gedreven bent. En nog kun je zondigen, ja allicht. Maar hoe groot die ook zijn, die zijn voor Jezus dan van weinig waarde.
We moeten ons niet te breed maken als gelovigen en geloofsgemeenschap. Het mooie is dat Jezus de vraag of er weinigen worden gered niet beaamt, maar wijst op hoe veel mensen te weinig moeite doen, dat is: te weinig kwaliteit hebben in hun geloven. Hoe klein het geloof ook is, het kan zoveel waarde hebben voor God en de mensen om je heen.
Zo werkt het als wij een gastenlijst zouden moeten maken, maar werkt het ook zo voor Jezus? Het antwoord daarop is in de tekst van vanmorgen: nee. Jezus laat zich niet leiden door het feit dat hij bepaalde mensen van dichtbij gezien heeft en dat zij Hem kennen. Er is schijnbaar een hele smalle toegangspoort. En, beste vrienden, Hij doelt daarmee niet op mensen die we nauwelijks zien in de kerk, alle mensen die we schandelijkerwijs randleden zijn gaan noemen, de ouders die hun kinderen oprecht laten dopen maar niet meer komen, en anderen. Nee, als u hier vanmorgen bent en dacht: laat ik weer eens naar de kerk gaan: Van harte welkom! Als u van de camping komt en dacht: thuis vind ik het niet meer, laat ik hier eens weer naar de kerk gaan: Van harte welkom! Nee, het gaat in de tekst van vanmorgen juist om die mensen die vanzelfsprekend met de kerk verbonden zijn door het feit dat ze gedoopt zijn, frequent en zelfs regelmatig in de kerk komen, en veel in en voor de kerk doen.
Is de band met Jezus vanwege het feit dat je gedoopt bent en regelmatig naar de kerk gaat en je in meer of mindere mate ook inzet voor die kerk voldoende voor een ticket to heaven? Het antwoord daarop vandaag is: in wezen niet. Het antwoord op de vraag aan Jezus – Heer, zijn er maar weinigen die worden gered? – is niet zozeer een schok voor mensen op afstand, maar juist voor mensen dichtbij, die dachten een band te hebben en verzekerd te zijn en denken dat ze wel goed zitten. Het gaat er blijkbaar niet om dat je dichtbij het vuur zit en vaak genoeg aanwezig bent en van je laat horen. Het gaat blijkbaar niet om de kwantiteit van ons geloven, hoeveel wij geloven, en hoe vaak wij iets doen voor onze kerk. De deur naar binnen toe die Jezus beschrijft is niet breed zodat er grote aantallen mensen naar binnen kunnen, maar smal. Het moet blijkbaar uit de lengte komen, en niet uit de breedte. Het moet uit de lengte komen van een intensief geloof, staan voor wat je gelooft, je leven tot in lengte van dagen laten leiden door je geloof en door God. Anders gezegd: het gaat in geloven niet om kwantiteit, om een getalswaarde van hoe vaak en hoeveel? Maar het gaat in geloven om de kwaliteit, om de waarde en de betekenis van je geloven.
Laat heel helder zijn dat ik hier geen angst probeer aan te praten, die vroeger veel is aangepraat omdat je nooit zeker zou kunnen zijn dat je gered wordt. Het enige ware daarvan is dat het niet van je hoeveelheid geloof en succes in je leven door hard en vroom te werken of van je inzet voor de kerk afhangt. Natuurlijk is die inzet wel belangrijk, maar het gaat niet om de hoeveelheid van die inzet die de doorslag geeft. De kwaliteit van je geloof is het criterium, en daarin gaat het niet om een hoeveelheid. Dus ook niet om een examen. Je geloof kan nog zo simpel zijn en je vragen zo legio en je mogelijkheden zo beperkt – als het hier (in je hart) maar goed zit.
In het leven van een geloofsgemeenschap gaat het dus ook niet om aantallen, want dat is maar uiterlijk. Hoe oprecht de betrokkenheid ook is, ja precies. Het gaat om het innerlijk. Om de kwaliteit van ons geloven en onze geloofsgemeenschap. En die is veel lastiger te meten. Hoe ben je een kwalitatief goede geloofsgemeenschap? Een paar dingen kunnen we uit de tekst van vandaag halen:
Jezus zegt: er zijn laatsten die de eersten zijn, en er zijn eersten die de laatsten zijn. Laten wij ons niet beschouwen als eersten, maar degene buiten de directe kern van onze gemeenschap. Onze gasten vandaag. Uit het oosten en het westen en uit het noorden en het zuiden zullen ze komen. Bij sommige grote Amerikaanse kerken is het daarom gewoonte dat op die grote parkeerplaatsen de plaatsen voor de gasten het dichtst bij de ingang staan… En er zijn de mensen in onze gemeenschap en daarbuiten die zoekend zijn. Deze gemeenschap is niet van ons, maar van Christus. Zoals Christus nodigt aan de Tafel, zo nodigt Hij Zijn mensen op Zijn tijd in Zijn huis. Wij hebben de sleutel niet, die heeft Hij.
Jezus citeert de mensen aan de dichte deur die zeggen dat ze in Zijn bijzijn hebben gegeten en gedronken en dat Hij in hun straten onderricht heeft gegeten. En toen? Hebben we er wat mee gedaan? En dan niet een kerk gebouwd rondom de herhaling van dat hele ritueel, maar er echt iets mee gedaan in ons leven van alledag? En weer gaat het dan niet om de hoeveelheid, maar om de waarde ervan, en dat kan in kleine dingen zitten. Het gaat er andersom niet om dat je heel gemakkelijk buiten de boot kunt vallen, waardoor je je heel hard moet inzetten, en soms wel eens een foutje kunt maken. Nee, het gaat erom dat de waarde achter wat je doet goed is. En dat je niet bij een foutje zegt: moet kunnen toch? Ik doe al zoveel goeds. Nee, juist in foutjes kan blijken wat je echt drijft. Of je uiterlijk bent bezig geweest of innerlijk ertoe gedreven bent. En nog kun je zondigen, ja allicht. Maar hoe groot die ook zijn, die zijn voor Jezus dan van weinig waarde.
We moeten ons niet te breed maken als gelovigen en geloofsgemeenschap. Het mooie is dat Jezus de vraag of er weinigen worden gered niet beaamt, maar wijst op hoe veel mensen te weinig moeite doen, dat is: te weinig kwaliteit hebben in hun geloven. Hoe klein het geloof ook is, het kan zoveel waarde hebben voor God en de mensen om je heen.
dinsdag 20 juli 2010
Oefen je geloof - preek over 1 Timoteüs
Twee weken geleden in dit huis en vorige week in Baardwijk stonden we stil bij de achtergronden van de brief van Paulus aan Timoteus, waar we ook vandaag uit lezen. Het is een brief die een antwoord geeft op een trend in de gemeente van Efeze, waarin mensen in de gemeente zich afsluiten van de buitenwereld. Ze zijn niet meer bezig met het leven hier en nu en hoe je de wet van God kunt leven in je leven. Maar ze zoeken naar een hogere en diepere kennis die hen bevrijdt, verlicht van dit leven in deze wereld. Het is een moeilijke tijd daar voor de gemeente in Efeze, merkten we. In de zestiger jaren van de eerste eeuw ontvallen steeds meer eersten getuigen aan de gemeente en daardoor ook de mogelijkheid om rechtstreekse antwoorden te krijgen op vragen. Tegelijkertijd merken de gelovigen dat de wederkomst van Christus uitblijft, zodat ze toch iets moeten gaan doen met de tussentijd. En die tussentijd geeft nieuwe vragen, waar het al helemaal moeilijk antwoorden op vinden is. Een onzekere tijd dus. En als de gemeente dan ook nog eens te lijden heeft onder vervolgingen in een wereld de niet-christelijk is, dan begrijp je ook wel dat mensen zich afsluiten. Maar ze doen dat ook in hun geloof; en dan gaan ze de mist in volgens Paulus. Het geloof moet hier en nu in dit leven geleefd worden, met alle uitdagingen en bedreigingen erbij, ja zelfs vervolgingen. De toekomst vind je niet in de toekomst, maar vindt zijn oorsprong hier en nu, vandaag in ons leven. Vandaag begint de toekomst.
Zo is het ook bedoeld als Paulus over de eindtijd spreekt. Dat is niet een tijd ergens ver aan een onbepaald einde van de wereld. Nee, de eindtijd is nu begonnen. Dat is de tijd van nu tot de wederkomst van Christus, waar de gemeente reikhalzend naar uitziet. We moeten dan niet zozeer denken aan een sekte die het einde van de wereld afwacht, maar aan ons gelovige verlangen dat God alles rechtzet, en dat Hij een nieuwe hemel en een nieuwe aarde schept. Waarin het gedaan zal zijn met al het lijden en alle onvolmaaktheid en liefdeloosheid. Het gevoel bij de eindtijd is een gevoel dat de tijd op springen staat. Dat de tijdsgeest reikhalzend verlangt naar een doorbraak, die van buiten moet komen. Dat er zoveel chaos is in de wereld, dat er een nieuwe orde moet worden geschapen. Voor de gemeente was dat ook een chaotische wereld van een enorme omnireligieuze omgeving. Overal om je heen was religie, in allerlei soorten en veelvoud. En in die chaotische veelvoud verlangt de gemeente ernaar dat de wereld voleindigd wordt door die Ene God, dat de Geest haar vult, een totaal andere wind door de wereld waait, die net als bij de Schepping, alles nieuw maakt.
Misschien voelt u aan dat voor veel religieuze mensen onze tijd ook op springen staat. Dat alle complexiteit, alle gejaagdheid en alle crises in de wereld op het gebied van economie, milieu en vrede vragen om een antwoord, schreeuwen om een doorbraak, een nieuwe beweging in de wereld, ja zelfs het gevoel geven dat het einde nabij is. Dat roept bewegingen op van mensen die het einde snel verwachten en zich afzetten tegen de wereld.
Maar Paulus laat ons iets anders zien: het einde is niet nabij. De eindtijd is er al. Hier, vandaag, nu, leven wij met het verlangen dat alles anders wordt. Omdat alles anders is geworden met het sterven en opstaan van Christus, en de toekomst dus nú al is begonnen. Die toekomst zweeft niet ergens in het ongewisse. Die heeft zijn oorsprong vandaag, hier en nu.
We hebben er eerder bij stilgestaan dat geloven onvanzelfsprekend is, omdat het niet uit jezelf of uit de wereld, maar van God komt. De mensen die Paulus voor zich ziet hebben echter volgens hem hun geweten dichtgeschroeid, het huwelijk verboden, en geboden zich van voedsel te onthouden. En zegt Paulus erbij, voedsel dat God heeft geschapen, en goed heeft geschapen. Deze mensen zonderen zich af van de wereld en de gebruiksaanwijzing zoals God die goed gemaakt heeft en gaan hun eigen weg. In reactie op de ongelovigen in het dal die God ontkennen, gaan zij op de bergtop zitten wachten op het eind van de wereld, en houden zich niet met aardse zaken bezig. Maar geen enkel plantje, dat goed is geschapen, kan groeien in het luchtledige. Ja, een plantje heeft lucht nodig, maar zijn wortels moeten in de aarde geankerd zitten. Zo is het ook met geloven. Zo kun je ook niet alles van je buik en je onderbuik verachten, en alles daarboven vergeestelijken. Geloven gaat ook over je lichaam, en omgang met mensen, over relaties en eten en drinken, over geneugten en genot, over werken – en daar heeft God goede aanwijzingen voor gegeven, omdat hij alles goed heeft geschapen. Je moet niet denken dat door dat alles weg te laten je zo vergeestelijkt en vroom kunt geraken dat je vanzelf wel behouden blijft. Wie zich zo afsluit van de wereld en verlangt naar het einde veronachtzaamt dat deze wereld het toneel is van de eindtijd. Dat de toekomst nu begonnen is en dat we er nu werk van moeten maken, met en in de wereld.
Als je zo de achtergronden van de brief kent ga je hem ook anders lezen. Als Paulus zegt dat de oefening van het lichaam wel enig nut heeft, dan bedoelt hij dat ook echt zo, en vindt hij het niet nutteloos. Oefen in een vroom leven daarenboven, ja natuurlijk. Een mens is niet alleen zijn lichaam. En we hebben ons geweten om met de wereld, met elkaar en met onszelf om te gaan. Maar oefen dat vrome leven dan ook. Als we in een tijd leven waarin uiterlijk heel belangrijk is en we erg gebrand zijn om jong te blijven, zonder dat we daar nu iets aan veroordelen, maar als het zo belangrijk is dat we verzorgd leven, dat je moeite doet om een beetje gezond te blijven en goed wil overkomen; doe dat dan ook met je geloofsleven. Blijf bezig met de vragen van alle dag. Laat je geloof aarden in je leven. Voed jezelf met de woorden van het geloof. Vraag jezelf niet af hoe het zou zijn als… of als deze wereld er zo niet was. Verlies jezelf niet in toekomstbeelden van hoe de wereld eruit zou zien als alles goed was en dat je daar nu niets aan kunt doen. Net als bij het verzorgen van je lichaam, ligt ook bij het verzorgen van je geloof de valkuil van het streven naar perfectie op de loer. Maar dat hoeft niet. Want: de geschiedenis is in Gods hand. Hij leeft met ons mee. De fout die de mensen in Efeze maken is dat ze God niet toevertrouwen de geschiedenis te beheersen, maar zelf bepalen hoe de wereld zal zijn. Nee, de toekomst hangt niet in het luchtledige, de toekomst begint nu: Oefening van het lichaam heeft wel enig nut, maar het nut van een vroom leven is grenzeloos, omdat het een belofte inhoudt, staat er, voor dit en het leven dat komen zal.
Oefen je in geloof, blijf zoeken naar antwoorden en wacht niet af tot het wel eens goed zal komen. Hier en vandaag begint de toekomst. Het is de hoop die ons drijft, het geloof dat ons steunt, en de liefde die ons bindt aan elkaar en aan God, onze Vader.
Zo is het ook bedoeld als Paulus over de eindtijd spreekt. Dat is niet een tijd ergens ver aan een onbepaald einde van de wereld. Nee, de eindtijd is nu begonnen. Dat is de tijd van nu tot de wederkomst van Christus, waar de gemeente reikhalzend naar uitziet. We moeten dan niet zozeer denken aan een sekte die het einde van de wereld afwacht, maar aan ons gelovige verlangen dat God alles rechtzet, en dat Hij een nieuwe hemel en een nieuwe aarde schept. Waarin het gedaan zal zijn met al het lijden en alle onvolmaaktheid en liefdeloosheid. Het gevoel bij de eindtijd is een gevoel dat de tijd op springen staat. Dat de tijdsgeest reikhalzend verlangt naar een doorbraak, die van buiten moet komen. Dat er zoveel chaos is in de wereld, dat er een nieuwe orde moet worden geschapen. Voor de gemeente was dat ook een chaotische wereld van een enorme omnireligieuze omgeving. Overal om je heen was religie, in allerlei soorten en veelvoud. En in die chaotische veelvoud verlangt de gemeente ernaar dat de wereld voleindigd wordt door die Ene God, dat de Geest haar vult, een totaal andere wind door de wereld waait, die net als bij de Schepping, alles nieuw maakt.
Misschien voelt u aan dat voor veel religieuze mensen onze tijd ook op springen staat. Dat alle complexiteit, alle gejaagdheid en alle crises in de wereld op het gebied van economie, milieu en vrede vragen om een antwoord, schreeuwen om een doorbraak, een nieuwe beweging in de wereld, ja zelfs het gevoel geven dat het einde nabij is. Dat roept bewegingen op van mensen die het einde snel verwachten en zich afzetten tegen de wereld.
Maar Paulus laat ons iets anders zien: het einde is niet nabij. De eindtijd is er al. Hier, vandaag, nu, leven wij met het verlangen dat alles anders wordt. Omdat alles anders is geworden met het sterven en opstaan van Christus, en de toekomst dus nú al is begonnen. Die toekomst zweeft niet ergens in het ongewisse. Die heeft zijn oorsprong vandaag, hier en nu.
We hebben er eerder bij stilgestaan dat geloven onvanzelfsprekend is, omdat het niet uit jezelf of uit de wereld, maar van God komt. De mensen die Paulus voor zich ziet hebben echter volgens hem hun geweten dichtgeschroeid, het huwelijk verboden, en geboden zich van voedsel te onthouden. En zegt Paulus erbij, voedsel dat God heeft geschapen, en goed heeft geschapen. Deze mensen zonderen zich af van de wereld en de gebruiksaanwijzing zoals God die goed gemaakt heeft en gaan hun eigen weg. In reactie op de ongelovigen in het dal die God ontkennen, gaan zij op de bergtop zitten wachten op het eind van de wereld, en houden zich niet met aardse zaken bezig. Maar geen enkel plantje, dat goed is geschapen, kan groeien in het luchtledige. Ja, een plantje heeft lucht nodig, maar zijn wortels moeten in de aarde geankerd zitten. Zo is het ook met geloven. Zo kun je ook niet alles van je buik en je onderbuik verachten, en alles daarboven vergeestelijken. Geloven gaat ook over je lichaam, en omgang met mensen, over relaties en eten en drinken, over geneugten en genot, over werken – en daar heeft God goede aanwijzingen voor gegeven, omdat hij alles goed heeft geschapen. Je moet niet denken dat door dat alles weg te laten je zo vergeestelijkt en vroom kunt geraken dat je vanzelf wel behouden blijft. Wie zich zo afsluit van de wereld en verlangt naar het einde veronachtzaamt dat deze wereld het toneel is van de eindtijd. Dat de toekomst nu begonnen is en dat we er nu werk van moeten maken, met en in de wereld.
Als je zo de achtergronden van de brief kent ga je hem ook anders lezen. Als Paulus zegt dat de oefening van het lichaam wel enig nut heeft, dan bedoelt hij dat ook echt zo, en vindt hij het niet nutteloos. Oefen in een vroom leven daarenboven, ja natuurlijk. Een mens is niet alleen zijn lichaam. En we hebben ons geweten om met de wereld, met elkaar en met onszelf om te gaan. Maar oefen dat vrome leven dan ook. Als we in een tijd leven waarin uiterlijk heel belangrijk is en we erg gebrand zijn om jong te blijven, zonder dat we daar nu iets aan veroordelen, maar als het zo belangrijk is dat we verzorgd leven, dat je moeite doet om een beetje gezond te blijven en goed wil overkomen; doe dat dan ook met je geloofsleven. Blijf bezig met de vragen van alle dag. Laat je geloof aarden in je leven. Voed jezelf met de woorden van het geloof. Vraag jezelf niet af hoe het zou zijn als… of als deze wereld er zo niet was. Verlies jezelf niet in toekomstbeelden van hoe de wereld eruit zou zien als alles goed was en dat je daar nu niets aan kunt doen. Net als bij het verzorgen van je lichaam, ligt ook bij het verzorgen van je geloof de valkuil van het streven naar perfectie op de loer. Maar dat hoeft niet. Want: de geschiedenis is in Gods hand. Hij leeft met ons mee. De fout die de mensen in Efeze maken is dat ze God niet toevertrouwen de geschiedenis te beheersen, maar zelf bepalen hoe de wereld zal zijn. Nee, de toekomst hangt niet in het luchtledige, de toekomst begint nu: Oefening van het lichaam heeft wel enig nut, maar het nut van een vroom leven is grenzeloos, omdat het een belofte inhoudt, staat er, voor dit en het leven dat komen zal.
Oefen je in geloof, blijf zoeken naar antwoorden en wacht niet af tot het wel eens goed zal komen. Hier en vandaag begint de toekomst. Het is de hoop die ons drijft, het geloof dat ons steunt, en de liefde die ons bindt aan elkaar en aan God, onze Vader.
Abonneren op:
Posts (Atom)