woensdag 17 april 2013

De gemeente in beweging als reisgezelschap


‘Waarom komen ze niet?’ Dat is een veelgehoorde uitspraak over bijvoorbeeld de opkomst bij kerkdiensten en activiteiten. ‘Waarom zien we ze nooit?’ We steken veel energie in het aantrekkelijk maken van alles wat we als kerk doen. ‘Daar wil je toch bij horen?’ Het is dan ook wel eens frustrerend als je er zo aan ‘moet trekken’ maar het niet nieuwe mensen oplevert die komen, laat staan dat alle mensen die wel kwamen blijven komen. We doen er alles aan, maar kennelijk is het niet genoeg?

De vraag is of je die conclusie moet trekken. Ook al zien we dat bepaalde mensen gewoon niet komen of niet meer komen, en ook al zien we dat met name de middengeneratie (laten we zeggen de mensen met thuiswonende kinderen en hun leeftijdgenoten) wegblijft – dat betekent nog niet dat wij niet genoeg doen. Het betekent misschien wel dat wij een ommekeer moeten maken. Letterlijk. Dat wij ons er niet op moeten richten dat mensen komen, maar dat wij naar de mensen toe moeten gaan.

Op maandag 15 april hield dominee Simon Dingemanse uit Maarn een interessante lezing naar aanleiding van zijn boek In beweging blijven. De gemeente op reis met de middengeneratie. Hij vertelde hoe hij in een zoektocht naar een goed model voor de gemeente in deze tijd uitkwam bij de gemeente als reisgezelschap. In de afgelopen jaren is het model van de gemeente als herberg populair geworden. De gemeente als gastvrije herberg waarin de gemeente gastheer en gastvrouw is. Maar dat betekent wel dat mensen moeten komen. En dat doen ze niet altijd, zeker niet in de middengeneratie.

Dingemanse hield tijdens zijn studieverlof gesprekken met mensen uit de middengeneratie. Voor het gemak verbonden we daar de leeftijdsgrenzen aan van 25-50 jaar, maar dat is maar een globale afbakening. Wie zich erin herkent, mag zich ertoe rekenen. Wat deze groep beweegt is allereerst de druk van de combinatie van werk en gezin. De groep heeft last van een chronisch tijdgebrek; alles gebeurt onder tijdsdruk. Ze vinden wel allerlei inspiratiebronnen in mensen en bezigheden, maar kerk en geloof staat onderaan het lijstje. Ze vinden het moeilijk om geloof met het dagelijks leven te verbinden. Het Godsidee vervaagt; er is wel iets, en geloof stemt wel tot dankbaarheid en verwondering. De kerkdiensten ervaart men wel als positief, maar men neemt er minder tijd voor, al heeft men wel behoefte aan rust. Voor vrijwilligerswerk wil deze groep bewust kiezen, zoals men sowieso heel bewust leeft. Maar alles wat deze groep doet is een keuze. En door de overvloed aan keuzen is er dan ook sprake van keuzestress. Men is minder geworteld in een gemeenschap of in een plaats. Er zijn dus minder dingen voorgegeven. Alles is een keuze, en alles gebeurt onder druk.

Als je dit alles zo leest is het niet verwonderlijk als deze mensen niet komen. Het beeld van de kerk als reisgezelschap wil de gemeente ertoe bewegen naar mensen toe te gaan en een tijdje met de mee te gaan. En bij hen te gast te zijn. En daarbij niet alleen oog te hebben voor de zwakke, maar ook de sterke kanten van het leven: succes, geluk, kansen. Opvallend detail was dat veel mensen in de gesprekken kerk zagen als iets voor later als het minder goed gaat. Terwijl geloof er ook is voor dankbaarheid, en om geluk te ervaren, en te delen.

Dingemanse noemde Jezus en Paulus als voorbeeld. Jezus was nooit thuis maar altijd onderweg en bij mensen te gast. En de reizen van Paulus zijn uitvoerig opgeschreven in de Bijbel.      Dingemanse gebruikte het verhaal van Paulus op de Areopagus als voorbeeld. Paulus wordt bij de kladden gegrepen door de omstanders en meegevoerd naar de Areopagus. Hij heeft dus zelf niet het initiatief maar is dus te gast. En hij hoort hoe mensen spreken over het goddelijke. Dat ze of niet kennen, of waar ze niet in geloven, of toch wel, maar dan onbenoemd, in iets… En als hij bij het altaar voor de onbekende God komt, gaat hij die God verkondigen. Hij blijft trouw aan zijn boodschap, maar hoe die boodschap ter sprake komt hangt af van de ontmoeting tijdens zijn reis. Maar hij spreekt in de wij-vorm. Hij plaatst zichzelf ook onder de boodschap, het Evangelie van de Opstanding. Het is Gód die verkondigt. En zo presenteert hij zichzelf als iemand die zich een weg zoekt met zijn geloof door de wereld en met anderen daarover in gesprek gaat en ook zo van anderen leert, en open staat naar hen.

Zo brengt het beeld van de gemeente als reisgezelschap een ommekeer teweeg. Van vasthouden en behouden en afvragen hoe we ervoor kunnen zorgen dat mensen (blijven) komen naar op mensen afgaan en zoeken naar sporen van het Evangelie in het leven van alledag. Zolang tweederde van deze middengeneratie aangeeft minimaal religieus te zijn, is er nog een wereld te leren aan alles wat deze mensen ons kunnen vertellen wat hen beweegt en is er nog een wereld te winnen voor het Evangelie, dat ons gezamenlijk verkondigd wordt. Om uit te delen en verder te delen. Met Gods hulp, reishulp.

Simon Dingemanse, In beweging blijven. De gemeente op reis met de middengeneratie, Skandalon Vught 2010, ISBN 978-94-90708-03-0

maandag 1 april 2013

Pasen geeft ruimte! - preek Pasen 31 maart 2013




Te beluisteren via Kerkomroep


Toen u vanochtend naar de kerk kwam hield u het denk ik niet voor mogelijk dat het al lang en breed lente is en dat vanmorgen vroeg de zomertijd is ingegaan. Niet alleen valt Pasen dit jaar vroeg; na sneeuw op Witte Donderdag, op sommige plaatsen toch echt wel een laagje, hadden we bijna een witte Pasen. Het weer is er nog niet aan toe. Wij zijn er allang aan toe. Aan de lente dan. Het mag zo onderhand wel eens. Veel mensen roepen in herinnering dat het in andere jaren eind maart warm was, en bewaren daar soms goede herinneringen aan. In ieder geval voedt dat het gevoel dat we echt aan de lente toe zijn. De tuin ook, de knoppen staan ondanks het weer op springen. En wij kijken ook reikhalzend uit naar de lente.

Maar zijn we er echt wel aan toe? En dan bedoel ik niet de lente, maar Pasen? Nieuw leven, nieuw begin? Zijn we daar aan toe? Of zitten we nog teveel verstrikt in het oude? Dat wat ons zorgen baart; dat wat een last op onze schouders is; dat wat we met ons meezeulen, en dat wat misschien soms niemand weet: onze schuld, ons tekortschieten, ons falen? Met die schuld hebben we een dubbele verhouding: aan de ene kant geloven we er niet in – we zijn allemaal mensen; alsof dat een excuus is – en aan de andere kant is het wel in onze wereld een steeds groter wordende realiteit. En ik bedoel daarmee nu eens niet dat dominee gaat vertellen hoe zondig het er in de wereld aan toe gaat. Ik bedoel hoe de wereld er zelf mee omgaat. Aan alle kanten wordt gesproken over schuld. En dan vooral: schuld van anderen. Bankdirecteuren zijn op dit moment dankbare zondebokken. Politici staan op gelijke hoogte of net nummer 2. Maar het gaat veel verder en het is veel ernstiger. Voor alles wat mensen overkomt zoeken we een schuldige, die we verantwoordelijk kunnen houden. Of het nu de NS is, waarvan de dienstregeling in de soep liep, of een ziekenhuis, waar iets is gebeurd, of een producent van een artikel dat onveilig bleek; we zoeken een schuldige die we verantwoordelijk kunnen houden. We kunnen niet meer accepteren dat dingen gewoon gebéuren. Nee, we zeggen gauw: dat mág niet gebeuren, en zoeken iemand die we daarvoor verantwoordelijk kunnen stellen. Alsof wij de wereld perfect kunnen maken. En eigenlijk gaat het daarbij niet eens om verantwoordelijkheid, maar om aansprakelijkheid. Kunnen we een vergoeding krijgen voor wat dan heet ‘de geleden schade’? Met andere woorden: kunnen we de schuld vergelden?

We maken veel mee. En niet alles gaat goed. Dat is erg, pijnlijk, en anderen spelen daar ook een rol in. Bewust of onbewust. Als dader. Of veel vaker gewoon als betrokkene, omdat je gebruik maakt van iemands diensten of met iemand samenwerkt of gewoon met elkaar in de kerk zit. En wat er steeds meer gebeurt is dat we anderen verantwoordelijk houden, of eigenlijk beter gezegd: aansprakelijk stellen voor wat ons overkomt. We hebben erg weinig geduld met elkaar. We zijn daardoor erg geneigd om ons op onze eigen vierkante meter terug te trekken en de schuld bij een ander te leggen. Onze eigen schuld, onze medeverantwoordelijkheid, hoe klein ook, zien we niet meer. Vergelding, daar gaat het om. Die ander moet bloeden. Vergeven kunnen we pas als die ander gebloed heeft. Of soms zelfs, niet meer bestaat. Letterlijk, of omdat die ander niet meer in je leven is, of omdat je niet meer met die organisatie te maken hebt. Wie of wat je verbant uit je leven kun je wel vergeven, maar hoe gaat dat als iemand betrokken blijft bij je leven?

Deze focus op vergelding die we veelvuldig terug zien in klachtenprocedures en in rechtszaken, soms jarenlang, heeft een tweede schaduwzijde. Wie werkelijk schuldig is en verantwoordelijk en aansprakelijk wordt gesteld, trekt zich sneller terug op zijn eigen vierkante meter en ontkent of verzwakt schuld zover als hij kan. Verzachtende omstandigheden, onwetendheid om incidenteel geheugenverlies, of ronduit het ontkennen van verantwoordelijkheid, maakt dat de wonden open blijven, aan de kant van wie zich slachtoffer voelt en aan de kant van wie aansprakelijk wordt gesteld. En zo klagen we over te lage straffen voor personen die we er makkelijk weg van vinden komen. Maar zo blijft de wond, de schuld, etterend tussen mensen in staan. Waarom die voortdurende drang om anderen verantwoordelijk te houden voor wat ons gebeurt, en aansprakelijk te stellen om de schuld te kunnen vergelden? Van wie hebben we dat geleerd?

Niet van God.

Nu is God niet iemand die licht met schuld omgaat, maar Hij gaat er wel anders mee om. We lezen vandaag een laatste stuk uit de boeken Samuël. Een toegevoegd stuk aan het eind dat teruggrijpt op het moment dat de eerste koning van Israël, Saul, achter zijn opvolger David aan zit. En op momenten dat David in hevige strijd verwikkeld was met zijn vijanden. Dit lied is als psalm 18 nogmaals in de bijbel gekomen. Toch klinkt dit lied behoorlijk zwart wit. David is de rechtvaardige, de oprechte, staat er even later, en God gaat tegen de vijanden behoorlijk tekeer. Maar bekijk het nu eens vanuit Davids perspectief. Zo rechtvaardig was hij helemaal niet. Zijn grootste zonde was het ombrengen van Uria om diens vrouw Batseba te bemachtigen. Legt ook hier David alleen de schuld bij de ander? Nee. David heeft berouw getoond toen de profeet Nathan hem aansprak, en God heeft hem vergeven. En dát is precies waar het in onze samenleving aan ontbreekt: berouw en vergeving. Omdat de samenleving niet kan leven met schuld, zoekt ze verantwoordelijken die aansprakelijk kunnen worden gesteld, en bij wie de schuld kan worden vergolden.

God gaat een andere weg met ons. Hij gaat niet voorbij aan de schuld, ook niet aan de onze. Maar God ziet tegelijkertijd hoe ons dat verkrampt. Als er iets misgaat tussen mensen, dan voel je hoe moeilijk het is om allereerst toe te geven dat er iets mis is gegaan, laat staan dat je daar een aandeel in hebt. Om nog maar te zwijgen van onze schuld aan God. We zijn als de dood dat ons iets zou kunnen worden aangerekend. Waarom zouden we dat zijn? Door trots of hoogmoed, allicht. Maar meer nog dat we bang zijn dat we dan niet meer kunnen bestaan. Schuld is dodelijk. En dat is wat David ook ervaart. En de enige weg die hij kan gaan is berouw te tonen. En bij deze schuldbekentenis blijkt de weg niet dood te lopen, maar open te liggen. Zo ervaart David zijn God. ‘In mijn nood riep ik tot de Heer, ik riep mijn God om hulp, en in zijn paleis hoorde hij mijn stem, mijn geroep klonk in zijn oren.’ Letterlijker vertaalt staat er: ‘In dit nauw riep ik God aan.’ Niet ‘nood’ maar ‘nauw’. Dodelijke beklemming. En dan, zegt David later in vers 20, leidde Hij mij uit dat nauw en gaf mij ruimte, bevrijdde Hij mij, omdat Hij mij liefhad.

Dat is God. De evangelist Johannes zei het al vroeg in zijn evangelie: ‘Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. God heeft zijn Zoon niet naar de wereld gestuurd om een oordeel over haar te vellen, maar om de wereld door hem te redden.’ God wordt vaak verweten dat Hij het nodig vond dat Jezus stierf aan het kruis. Nou zijn wij het die God verwijten dat Hij onze schuld wil vergelden. Maar wat daar aan het kruis gebeurde is niet Gods realiteit, maar onze realiteit. Dat kruis komt niet door God, maar door ons. Door van alles dat dankzij en ondanks ons misgaat. Tussen mensen, in ruzies of veel erger. Waarmee we anderen te kort doen of schade toebrengen, pijn doen. God is geen God met oogkleppen op die zegt: ach, het valt wel mee. Nee, het valt niet mee. Maar Hij maakt er wel zelf een einde aan.

Ook bij David gaat het er heftig aan toe. In de tussenliggende verzen schudt en schokt de aarde onder het geweld waarmee God de vijand bestrijdt. Is dat nou nodig? Kijk naar de wereld en hoe wij hiermee omgaan. Wij maken ook korte metten met wie ons dwars zitten, en we maken er een behoorlijke bende van af en toe. In het groot en in het klein. En ook als het niet dankzij onszelf is, laten we het wel gebeuren. Voor de lieve vrede zeggen we er niets over. Het is nu een keer zo. Zo gaan die dingen. Maar God neemt daar geen genoegen mee. God is al die hectiek, al dat gekronkel, al dat in bochten wringen, al dat verkrampte leven meer dan zat. Niet om over ons te oordelen, maar om ons te bevrijden. God wil dat we kunnen leven. Daarom is die zin de David spreekt zo mooi: ‘Hij leidde mij uit de nood, uit de kramp, en gaf mij ruimte, omdat hij mij liefhad.’ Ja, God hield behoorlijk huis. Maar het ruimde ook lekker op, om het maar eens zo te zeggen. God negeert de schuld die wij hebben naar elkaar en naar hem niet, maar laat het er ook niet bij. Laat ik het zo zeggen: als iemand in je huis grondig komt schoonmaken, en als een witte tornado door je huis gaat, dan weet je niet wat je overkomt, maar het ruimt wel lekker op. Kijk maar om je heen: het is wel schoon en alles staat weer op zijn plek. Rust. Wat je zelf niet voor elkaar kreeg is wel gebeurd. Ja, God wijst ons op onze schuld en tekortkomingen die we liever bedekken, maar God staat ook niet toe dat we de schuld steeds bij de ander leggen. Maar ook: en dat is veel bevrijdender: dat we zelf de schuld onder ogen durven zien én vergeven worden.

Want dat is het grote verschil hoe God met schuld om gaat en hoe de wereld met schuld omgaat. Bij God is er vergeving. En niet alleen vergeving van elkaar, maar ook van jezelf. Want daar begint het mee. De kramp waardoor je niet in staat bent om je eigen schuld onder ogen te zien, omdat je er anders aan onderdoor gaat. Maar ook de kramp tussen mensen, waardoor het niet mogelijk is elkaar te naderen, weer gewoon te luisteren en verder te gaan. God doorbreekt met de opstanding van Jezus uit de dood de eeuwige goed en fout tegenstelling; het alsmaar elkaar de maat nemen, van: dit doe je verkeerd, en dat doe jij verkeerd. En dat doorbreken van goud en fout geeft een enorme ruimte!

Als Maria uiteindelijk Jezus herkent in de graftuin, zegt Jezus: ‘Hou mij niet vast.’ Dat betekent: ‘Maria, neem de ruimte in, net als Ik. Ik ben nog niet opgestegen, rustig maar. Maar zeg wel tegen mijn broeders en zusters dat ik zal opstijgen naar mijn Vader, die ook jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ Er is geen afstand meer tussen ons en God. Geen afstand, omdat we Hem niet onder ogen zouden kunnen komen. Nee, er is geen kramp meer, er is ruimte!

En dat lieve mensen, dat is wat wij als gelovigen te bieden hebben aan de wereld. Ruimte om uit de kramp van schuld te komen. En vergeving te vinden met God en met elkaar. Zo vaak worden mensen afgerekend op wat ze niet kunnen of niet halen of wat ze doen. En of dat nu verwijtbaar is of niet, en er is veel verwijtbaar, daar kopen we niets voor. Natuurlijk moet het recht zijn loop hebben. Maar wat vooral moet gebeuren is dat mensen hun eigen schuld onder ogen durven zien, zonder dat er meteen vergelding op volgt. Ministers durven al geen sorry te zeggen uit angst dat er dan claims komen. Ik zeg niet dat die claims niet mogen, maar wel dat we gauw geneigd zijn ons in te dekken. En indekken is kramp. Laten we leven, voluit de ruimte nemen. Ook in de kerk. Omdat het een vreugde is dat we niet bestaan omdat we onze schuld bedekt kunnen houden of niet uit hoeven te spreken, en in gevecht met elkaar leven. Het is een vreugde dat we er gewoon mogen zijn en ja, met onze pijn, maar ook met wat gewoon niet goed zit in ons. Laten we samen naar de ruimte zoeken om weer volop mens, om weer volop kerk te kunnen zijn. Leven na Pasen is spelen. Ruimte krijgen om te leven. En dan gaat de zon wel weer stralen, en steken we elkaar ook weer aan en zetten we elkaar in vuur en vlam. Vandaag is de wereld voorgoed veranderd. Vandaag begint het leven. Neem de ruimte die je krijgt, speel met het leven, speel met elkaar. Omdat er nieuw leven is!

Niet tekort komen - preek Witte Donderdag 28 maart 2013




Te beluisteren via Kerkomroep


Op Witte Donderdag hangt er iets dreigends in de lucht. Heel concreet zelfs. Nog voordat Jezus en de leerlingen aanliggen aan het Pesachmaal, kondigt Jezus aan dat een van hen Hem zal overleveren. De maaltijd staat in het teken van het onherroepelijke en onvermijdelijke einde van het leven van Jezus hier op aarde. En nu is het niet zo dat iedereen dat kan meemaken. De leerlingen zitten er voor ongeloof naar te luisteren, en zien hoe Judas uiteindelijk verdwijnt om te doen wat hij moet doen. Bij de voetwassing is het Petrus die vol ongeloof het gebaar van zijn Meester aanziet, en hij kan het niet aanzien. ‘O nee, mijn voeten zult u niet wassen, nooit!’ En als Jezus daarop antwoord: ‘Als ik ze niet mag wassen, kun je niet bij mij horen – kun je mijn deelgenoot niet zijn’ dan zegt Petrus: ‘Heer, dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd – alles.’ Wat Jezus probeert is om zijn leerlingen, om ons deelgenoot te maken van wat er gaat gebeuren. Van wat er is gebeurd. En wij zien het vol ongeloof aan. Want delen lijkt alleen maar verlies te zijn. Dan wordt wat je hebt minder. Bovendien: als je het aanvaardt, het teken van brood en wijn, en van de voetwassing, dan schept dat verplichtingen. Dan zit je er midden in. Moet je zelf ook gaan delen, moet je jezelf delen. En willen we dat? En meer nog: kunnen we dat? Petrus faalt, als hij drie keer zegt dat hij Jezus niet kent. En wij met hem.

We hebben even vluchtig een inkijkje in het verhaal van David. Die koning met messiaanse trekken, van wie Jezus afstamt. Door de Veertigdagentijd zijn we op zoek geweest naar de familietrekken tussen David en Jezus, om zo meer zicht te krijgen op wie Jezus is. Vandaag lezen we kort uit het verhaal op het moment dat David Jeruzalem heeft verlaten, op de vlucht voor zijn zoon Absalom die hem naar de kroon steekt. Op de vlucht is hij. In tegenstelling tot Jezus gaat hij niet Jeruzalem in maar juist uit, en lijkt hij zijn lijden te ontvluchten. Maar dat is maar schijn. Het echte lijden zit in de vlucht, niet in het blijven in Jeruzalem. David heeft iets te behouden in het lijden, hoe gek dat ook klinkt. David heeft de lijn naar Jezus te verliezen als hij zich overgeeft aan Absalom. Absalom is niet degene die hem moet opvolgen, maar Salomo. En zo loopt de lijn in de toekomst door naar Jezus. Natuurlijk weet David niet van Jezus, maar hij weet wel waar zijn koningschap voor bedoeld is. Om door God generaties lang gevestigd te zijn, om hoop te geven aan de wereld en Zijn koninkrijk te stichten. Dus: als David zich had overgegeven aan Absalom, dan had hij daarmee God verloochend.

Dus Davids vlucht heeft iets Messiaans. En zijn lijden is messiaans lijden. En dan klinkt het toch wel mooi dat midden in de woestijn een dienaar – dat klinkt nog mooier dan een knecht – naar David toekomt met een span ezels bepakt met voedsel en drinken. Maar pas op. Wie is die Siba? Identificeer je eens even? Siba is de knecht van Mefiboset, de aan beide voeten verlamde zoon van Jonathan, de zoon van Saul. Mefiboset is de enige overlevende uit de strijd tussen David en Saul. Vanwege het verbond van David met zijn vader Jonathan, zijn vriend en zoon van Saul, blijft Mefiboset in leven en wordt Siba zijn verzorger. En het is deze Siba die naar David komt met een span ezels en voedsel en drinken.

Maar pas op. Zijn missie is bedrieglijk. Als de koning vraagt: ‘Wat hebt u daar?’ zegt Mefiboset: ‘De ezels zijn voor de Koninklijke familie’. Dat is mooi, en het doet ook denken aan het messiaanse karakter van Davids koningschap. Geen grote koningen, strijdvaardig op paarden, maar op ezels. Zoals Jezus Jeruzalem binnenkwam op een ezel. Maar: waarom zegt Siba niet gewoon: ‘Deze ezels zijn voor u en uw familie.’ Welke Koninklijke familie bedoelt hij. Is hij in gedachten overgelopen? Even later zal hij dat beweren van zijn meester Mefiboset – dat deze weer Sauls dynastie nieuw leven in zou willen blazen. Ongelofelijk en het is ook niet waar. Siba blijkt een bedrieger. Maar door zijn bedrog laat hij wel Davids messiaanse karakter zien. Luister maar verder: ‘het brood en de vruchten zijn voor de soldaten’. Mooi en zeer welkom. Maar de vruchten, zomerfruit is het, zal door de Judeeërs worden ingezameld aan de vooravond van de ballingschap. En ‘wijn om te drinken voor wie uitgeput raakt in de woestijn’? Klinkt mooi, maar zou je niet liever water willen? En doet de wijn tegelijkertijd niet denken aan de zure wijn die Jezus te drinken krijgt?

Siba ontpopt zich als iemand die wil heersen. Als iemand die hier David probeert te dienen om er zelf beter van te worden. Om inderdaad alle bezittingen van Mefiboset toegewezen te krijgen als beloning voor wat bedrog blijkt te zijn geweest.

Maar wat is werkelijk dienen? Werkelijk dienen is delen. Iets van jezelf prijsgeven om het te laten vermenigvuldigen. Zoals Jezus het brood brak. Niet alleen tijdens het Laatste Avondmaal, maar ook tijdens de wonderbare broodvermenigvuldiging. Jezus deelt zichzelf tijdens het Laatste Avondmaal. In de hoop dat wij het beamen en verder delen. ‘Doe dit om Mij te gedenken’. Niet voor niets collecteren we als we aan het Avondmaal gaan. Om zelf weer verder te delen in de wereld. Als Jezus de voeten van zijn leerlingen wast, dient Hij en deelt Hij. Hij zegt dat Petrus zo deelgenoot aan Hem kan worden. De ander dienen is delen. Daar is Petrus maar al te bang voor. En dus wil hij meer hebben. Zo onzeker is hij.

Waar halen we het vertrouwen vandaan als we delen? Ik vond het in psalm 23. De Heer is mijn herder, staat er. En dan: ‘Ik kom niets tekort’. Maar dat klinkt me zo nog teveel ‘wie goed doet goed ontmoet’ of ‘als je maar vraagt kom je niet tekort’. Nee, een andere vertaler schreef: ‘ik kom niet tekort’. Zonder de s. Een wezenlijk verschil. Komen we nietS tekort? Allicht komen we iets tekort. En niet alleen omdat we graag iets zouden willen hebben. Ook omdat we dingen verlangen, maar ook vrezen. Omdat we houvast zoeken. Tekort gedaan worden. Misschien wel niet lijken te mogen bestaan. En dan: De Heer is mijn herder. Ik kom niet tekort. Het gaat er niet om dat je niets tekort komt. Het gaat erom dat we bij Jezus, dat we bij God, dat krijgen wat we nodig hebben.

Wees niet bang dat je te weinig hebt, of zelfs niet dat je tekort bent gekomen, om Jezus te volgen. En om iets te delen te hebben in de wereld. De Heer is onze herder, wij komen niet tekort. Het draait niet om ons, maar om Hem. En dan komen wij niet tekort. Maar zal er gedeeld worden, in overvloed, om Hem te gedenken.

woensdag 27 maart 2013

De deal en de maaltijd: het Laatste Avondmaal in het teken van het onvermijdelijke lijden

Vanmorgen trof me de lezing van de woensdag in de Stille Week, Mattheüs 26: 14-25. Daarin sluit Judas een deal met de hogepriesters. Daarna 'zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem over te leveren'.

Waarom mij dit zo raakte was omdat het direct gevolgd wordt door de voorbereidingen op het Paasmaal, het Laatste Avondmaal, dat we morgen gedenken. En nog voordat de maaltijd goed en wel begonnen is zegt Jezus dat een van zijn leerlingen Hem zal overleveren. Waarop Judas uiteindelijk zegt: "Ik ben het toch niet, Rabbi?' Waarop Jezus zegt: "Jij zegt het."

Ik heb wel gevoeld en altijd ook wel geweten, maar me nog nooit zo bewust gerealiseerd dat de overlevering van Judas niet alleen de 'cliffhanger' is van het Laatste Avondmaal en het verhaal van Goede Vrijdag, maar dat het verhaal van het Laatste Avondmaal letterlijk ingeklemd zit tussen de deal en de overlevering. Meer dan ooit staat het Laatste Avondmaal voor mij in het teken van het lijden van Jezus.

Dat maakt die nacht ook anders dan alle andere keren dat we met elkaar Avondmaal vieren. Het is niet zomaar klinisch de avond dat Jezus het Avondmaal instelde. Elk jaar als we bij de instellingswoorden op deze avond de zin toevoegen 'DAT IS DEZE NACHT' - dan wil die ene zin ons meenemen naar het drama dat zich daar afspeelde.

Hoe hebben de leerlingen daar aan de maaltijd gezeten na de woorden van Jezus dat Hij door een van hen zou worden overgeleverd? We stellen ons misschien heel veel verontwaardiging voor, of heel veel onderlinge beschuldigingen: 'Jij bent die man!' Maar kan het niet heel anders zijn? Jezus heeft vanaf de voorbereidingen van de maaltijd de regie in handen. Hij zegt wat er moet gebeuren en Hij zegt wat er zal gebeuren. En Hij neemt het brood en de wijn en zegt: 'Dit is mijn lichaam en dit is mijn bloed'. Voor de laatste keer zoals ze hier nu bij elkaar zitten. De hele maaltijd staat in het teken van de dreiging. Daarom is die nacht anders dan alle andere nachten. Een nacht ook van Jezus afvallen. Niet alleen Judas, ook Petrus zal het niet redden. En de leerlingen zullen op de Olijfberg in slaap vallen. Zij zullen allemaal niet voor Jezus kunnen staan. Er zal die avond veel ontreddering zijn, en ongeloof over eigen onvermogen, maar ook besef van de dreiging dat het zo zal zijn.

Het laatste avondmaal in Des Hommes et des Dieux

Toen ik de film Des Hommes et des Dieux zag werd ik getroffen door de scène van het laatste avondmaal van de monniken in deze film. De film speelt zich af in de Algerijnse burgeroorlog van de jaren negentig, waarin islamitisch fundamentalisten strijden om de macht met het Algerijnse regeringsleger, waartussen geen scheiding van goed en kwaad is. Er valt geen partij in te kiezen. Gruwelijkheden alom. En de Franse monniken die daar een klooster bewonen kiezen dus ook geen partij en verzorgen iedereen, van de gewone man tot terroristen. Als je de film ziet ken je de geschiedenis, want het is een waargebeurd verhaal. De meeste monniken moeten het met hun leven bekopen. En niemand weet tot op de dag van vandaag welke partij dat op zijn geweten heeft. In ieder geval: mensen.

Op een gegeven moment is in de film duidelijk dat het einde voor de monniken onvermijdelijk is en bovendien niet meer aan te ontkomen. Dat is het moment waarop de onderstaande scène begint van het laatste avondmaal van de monniken. De meest aangrijpende scène van de hele film wat mij betreft. Minutenlang stil spel. Een van de monniken, de arts onder hen, die alle patiënten met allerlei achtergronden binnenhaalt, maakt twee flessen wijn open en zet de muziek van Het Zwanenmeer op; een muzikaal verhaal dat ook gaat over het onherroepelijke gevolg van bedrog, de dood. Waarin het kwaad ook wordt meegesleurd, maar toch, dat is later. Nu is er de ontsteltenis van de aanstaande dood, die vele producenten van dit balletstuk ertoe heeft bewogen het slot te veranderen.

Onder deze muziek eten en drinken de monniken voor het laatst met elkaar. Ze weten het. En je ziet het aan hun gezichten. Zelfs een eerste ontspanning en een lach, daarna verdriet en besef van het onvermijdelijke. In een dergelijke sfeer zal het Laatste Avondmaal van Jezus ook hebben plaatsgevonden. Met brood en wijn als tekenen van het onvermijdelijke. Nog niet te bevatten wat ze betekenen. Geen overwinningsmaal, en zeker ook geen galgenmaal, maar wel een gemeenschap die gebroken wordt, een mens die gebroken wordt, onvermijdelijk. Niet te snel aankomen met dat het was 'tot vergeving van zonden' en dat de dood is overwonnen. Dat is de vreugde van Pasen. Eerst is er dit, en niets meer dan dat. Jezus bidt later niet voor niets: 'Vader, als het mogelijk is, laat deze beker dan aan mij voorbijgaan!' Om daarna te beseffen dat het moet gebeuren zoals het gaat gebeuren.

Zo vieren wij Avondmaal op Witte Donderdag. In die sfeer. In dat gedeelte van het verhaal. En als we het Avondmaal tijdens de Paaswake vieren is het dus totaal anders. Dan is het tot Zijn gedachtenis, voor de vergeving van onze zonden, omdat de dood niet het laatste woord heeft. Maar nu is hij nog wel aan het woord, en hoe...


Op Witte Donderdag vindt er een viering plaats in de Ambrosiuskerk in Waalwijk, om 19.30u. Van harte welkom.

De film Des Hommes et des Dieux wordt op vrijdag 29 maart uitgezonden om 22.55u op Nederland 2

maandag 25 maart 2013

Het wordt niet zomaar Pasen - inleiding op de Stille Week

Na Palmpasen duurt het nog een weekje. En dan is het Pasen. Nog zeven nachtjes slapen. En dan is het zover. Niets om je zorgen over te maken. 'Morgen' zal het Pasen zijn.

En toch, dat wil nog niet zeggen dat het Pasen wordt voor mij. Dat ik er klaar voor ben. Dat ik het voel. Het gaat allemaal zo snel. En zeker met dit weer heb ik helemaal geen paasgevoel. En door de drukte ben ik ook niet echt aan de stilte in mijn hart toegekomen. Veel ruis, veel drukte, veel waan van de dag. Ik ben er een als zovelen. En ook voor jou wordt het Pasen. Ben je er klaar voor? Of komt het ook wat snel?

Maar ook als je stil kunt staan bij de tijd is het niet zomaar Pasen. Het zijn niet twee zondagen die elkaar opvolgen. Er gebeurt iets er tussenin. En zonder dat hebben die twee zondagen, Palmpasen en Pasen, geen verbinding. Palmpasen was het feest met een rouwrandje. Versierde kruisen. 'Heden Hosanna, morgen Kruisigt Hem.' Jezus wordt enthousiast binnengehaald maar zal in de loop van de week worden verraden, uitgeleverd, veroordeeld en gekruisigd. Ja, ik weet het, Hij staat op. Maar dat gebeurt niet zomaar. Natuurlijk wordt het 'gewoon' Pasen, maar als je echt de vreugde wilt voelen met Pasen, moet je ook gevoeld hebben wat er gebeurd is. Anders is er slechts een vlakke lijn van Palmpasen met zijn vreugde en Pasen met zijn vreugde. Dan leef je op een hoogvlakte. Juist de diepte die we met Jezus deze week doormaken, maakt het Paasfeest vreugdevoller en intenser. Ook omdat Jezus' diepte onze eigen diepte is: onze eigen gebrokenheid, onze eigen schuld, de breuken in ons leven, het verlies dat wij leden enz.

Er zijn talloze manieren bij die diepte stil te staan. Kerken bieden talloze vieringen en stiltemomenten. Maar er zijn ook talloze boekjes en tv programma's, films. Een open uitnodiging wil ik hier doen om eens stil te staan op een of meerdere momenten bij deze week. Bij de diepte van het verhaal, bij de diepte van het leven, bij de diepte van je hart. Hieronder staan wat suggesties.

Nieuw, voor het tweede jaar, is voor mij het vieren hier in Waalwijk van de paaswake. Want dat ontbrak nog in de lijn van Palmzondag naar Pasen. Een verbinding tussen Goede Vrijdag en Pasen. Jezus sterft, maar met Pasen is Hij er ineens weer. Niet dus. Stille Zaterdag is geen dag waarop niets gebeurt. Stille Zaterdag is een dag van waken bij wat de geloofsbelijdenis vertelt dat Jezus is 'nedergedaald ter helle'. Oude woorden, een oude geloofsvoorstelling misschien, maar dan toch: er is zoveel hels in de wereld. Daarmee is God aan het breken tijdens Stille Zaterdag. We waken, en dan breekt het Licht door in de duisternis: Hij is opgestaan! En als het dan Licht is op Paasmorgen, dan weten we vol vreugde: deze week is niet voor niets geweest. Het is niet bij de diepte, bij de dood gebleven. God heeft ons gezien, heeft ons gehoord, heeft onder ons geleefd. En Hij is gestorven én opgestaan. Het één kan niet zonder het ander. Diepte en hoogte komen samen en zo kan de Opstanding ons leven ook veranderen.

Ga je mee op weg? Op je eigen plaats, thuis of in je eigen kerk, of tijdens onderstaande momenten? Welkom! Een inspirerende bemoedigende en gezegende Stille Week gewenst!

Als bemoediging wil ik graag een uitspraak van Jezus meegeven die ik in het boekje dat hieronder genoemd staat tegenkwam en zo anders ineens binnenkwam: ook voor deze dagen geldt Jezus' uitspraak: 'Ik ben met jullie alle dagen.'

Maandag tot en met zaterdag: meditatieuur in de Antonsiuskerk, De Genestetstraat, Waalwijk, met Madeleine Schreurs-Fortanier en diaken Anton van Diessen, elk dag om 9.00u, naar aanleiding van het boekje 'Goede stille week. Voor elke dag een meditatie', ook aldaar te koop.
Van dit boekje verstuur ik elke dag de haiku op twitter (@ottogrevink) met hashtag #stillehaiku

Maandag: oecumenische vesper in de Antoniuskerk, De Genestetstraat, Waalwijk, met dhr. Hans Rigters en diaken Anton van Diessen, 19.00u

Woensdag: Paasviering van de Juliana van Stolbergschool; open voor gemeenteleden. 19.00u in de Ambrosiuskerk

Donderdag: eredienst waarin we het Laatste Avondmaal gedenken en de Maaltijd van de Heer vieren, Ambrosiuskerk, Ambrosiusweg 25, Waalwijk, 19.30u met ds. Otto Grevink

Donderdag: Live-uitzending van The Passion in Den Haag, 20.25u, Nederland 1. Het lijdensverhaal van Jezus vertolkt in moderne muziek door een keur van bekende Nederlandse artiesten.

Vrijdag: eredienst waarin we stilstaan bij het lijdensverhaal van Christus met muziek, stilte, kaarslicht en beelden, Ambrosiuskerk, Ambrosiusweg 25, Waalwijk, 19.30u met ds. Otto Grevink

Vrijdag: Film Des Hommes et des Dieux, 22.55u, Nederland 2

Zaterdag: paaswake waarin we waken bij het graf van Jezus, en stilstaan bij de zorg van God over Zijn Schepping en Zijn mensen, en het Licht zien doorbreken in de duisternis. We vieren de Maaltijd van de Heer, die Hij ons opdroeg om te doen 'om Hem te gedenken'. Ambrosiuskerk, Ambrosiusweg 25, Waalwijk, 21.00u met ds. Otto Grevink

Zondag: feestelijke paasmorgendienst waarin we de Opstanding van Jezus vieren: de dood heeft niet het laatste woord!  Ambrosiuskerk, Ambrosiusweg 25, Waalwijk, 10.00u met ds. Otto Grevink

Zondag: Pasen met de Zandtovenaar, 16.55u op Zapp (Nederland 3)

donderdag 21 maart 2013

En nou moet (het met) het Nieuwe Liedboek uit zijn!

Eind mei verschijnt het Nieuwe Liedboek. Dit liedboek is bedoeld om op termijn het Liedboek voor de kerken van 1973 en allerlei tussentijds verschenen bundels te vervangen. In de afgelopen veertig heeft de kerkmuziek nogal wat veranderingen doorgemaakt. We zijn modernere melodieën gaan zingen met modernere teksten, verschenen in verschillende bundeltjes van Zingend Geloven. Ook zijn we uit meer verschillende tradities gaan zingen. Waren er eerst de 'Rooms-katholieke' liederen, zoals die van Oosterhuis, later kwamen daar ook Taizé, Iona, Opwekking en diverse kinder- en tienerliederen bij. Ook bleken sommige 'klassiekers' als 'Welke een vriend is onze Jezus' of 'Vaste rots van mijn behoud' van meer eeuwigheidswaarde dan de samenstellers van het Liedboek voor de kerken hoopten in hun kerkmuzikale wijsheid. Bekend is dat in ieder geval de laatste terugkeert in het Nieuwe Liedboek.

Met dat het liedrepertoire zich verbreedt, is er dus ook meer keuze. En dat maakt het samenstellen van het Nieuwe Liedboek er niet makkelijker op. Vandaar dat het enigszins voorspelbaar is dat daar nu kritiek op komt. En ook dat Trouw daar als de kippen bij is. Want geen kerknieuws zonder tegenstellingen en conflicten.

Wat mij in het artikel stoort, is dat verschillende mensen die kritiek hebben op de samenstelling van het Nieuwe Liedboek of hem juist verdedigen, allemaal tipjes van de sluier oplichten van hoe de bundel is samengesteld. Want wij, ook predikanten, weten eigenlijk niets (het moderamen van onze landelijke kerk naar verluid na lang aandringen wel). Er is een proefbundeltje verschenen een paar jaar geleden, en ook nu circuleert er weer een proefbundeltje als promotiemateriaal, maar dat is enkel te krijgen als je naar een liedboekavond gaat, waar deze liederen gezongen worden. En wij moeten maar aannemen dat het bundeltje een voldoende representatief beeld geeft. En een antwoord op wat er nu eigenlijk in komt te staan hebben we al helemaal niet. Ook begrijp ik van studenten dat er weliswaar over het Nieuwe Liedboek wordt gesproken op de opleiding, maar dat de samenstellers onder een zwaar embargo staan om er tot het verschijnen van de bundel verder niets over te zeggen.

In de aanloop naar de Liedboekavond die wij hier organiseren op woensdag 15 mei 2013 in de Ambrosiuskerk hoor ik vaak het woord 'copyright' en 'rechten' als reden waarom ook de bestaande proefbundels niet zomaar verspreid kunnen worden, al krijgen we ze ook in PDF... Ik word daar een beetje moe van. Het geeft mij net als bij het achterhouden van de inhoudsopgave van de bundel het gevoel dat men de liederen nog even voor zichzelf wil houden. En dan snap ik alle commerciële belangen best, maar denken ze nou werkelijk dat ze er één bundel minder om verkopen? Bovendien: het zijn liederen ván de kerken. Wij zingen niet bij de gratie van betaalde auteursrechten, maar omdat liederen deel zijn uit gaan maken van onze geloofstraditie en onze geloofsbeleving.

Dus: nou moet het uit zijn! Als zelfs de commissieleden erover uit de school klappen en het Evangelisch Werkverband (binnen de Protestantse Kerk in Nederland!) officieel afstand neemt van het Liedboek, terwijl hun handtekening eronder blijkt te staan, dan kan de commissie niet langer meer de gemeente in onzekerheid laten. Dus voeg gewoon nog een PDF'je met auteursrechten erbij, waarin gewoon de samenstelling zichtbaar is, liefst met de herkomst ervan. En ja, dan gaan we net als bij Oranje, tellen welk aandeel de verschillende bundels erin hebben, maar dan weten we tenminste allemaal waarover we praten. Het zou een mooi paasgeschenk zijn!

Meer info over het Liedboek is te vinden op www.liedboek.nl

donderdag 14 maart 2013

Delen is het nieuwe hebben - preek Biddag voor Gewas en Arbeid 13 maart 2013

Tekst: 2 Kronieken 1:7-13 en Lucas 11: 1-13


Mooi verhaal van Salomo. De schrijver van Kronieken is een Salomo fan. Anders dan de schrijver van de Koningenboeken is Salomo voor hem een gedroomde koning, een priesterkoning met messiaanse trekken. En zo vraagt Salomo aan God, die voor hem verschijnt, om wijsheid en inzicht, om het volk te leiden. De schrijver van de koningenboeken is minder euforisch over Salomo. Voor hem ligt de oorzaak van de verdeeldheid en het uiteenvallen van het koninkrijk in het koningschap van Salomo zelf. Veel te uitbundig en bovendien helemaal niet zo vroom. Het is maar hoe je de geschiedenis evalueert vanuit je geloof. Voor de Kroniekenschrijver was het koningschap van Salomo het hoogtepunt. De wijsheid en inzicht die daarin Salomo van God vraagt is niet eens alleen bedoeld om het volk te leiden, zoals er nu enkel vertaald staat, maar om het te richten, Gods weg te wijzen.

In deze dagen, waarin we uitkijken naar een nieuwe koning, die bij de gratie Gods heet te regeren, is dat wat je hem toewenst, wijsheid en inzicht. Eigenlijk het enige dat een koning echt nodig heeft. Die rest eromheen komt er wel bij. Maar daar vertrouwt niet iedere koning op. Er is een verhaal in de Griekse mythologie van koning Midas die in plaats van wijsheid vraagt dat alles wat hij aanraakt in goud verandert. Dat lijkt even leuk, tot ook zijn eten en zijn kind in goud verandert als hij het aanraakt. Daarop geeft hij de macht dat alles wat hij aanraakt in goud verandert terug door het weg te wassen in de rivier.

Wat wensen we ons in ons werk toe? Wijsheid en inzicht? Dat klinkt mooi, maar wat zou het dan concreet betekenen? Ik noem dat vandaag bezieling. Wanneer je kunt werken vanuit je ziel, vanuit hoe God jou gemaakt heeft en waar je voor geschapen bent, dan maakt wat je doet deel uit van wie je bent. En dan ben je niet zomaar een iemand geld probeert te verdienen, maar doe je waar je goed in bent en waar je je goed bij voelt, en waarin je als naar het beeld van God geschapen mens kunt groeien. Daarmee krijgt het werk kwaliteit en krijg je er veel voor terug. Voldoening en inkomen.

Nu klinkt dat erg mooi, bezieling in je werk, maar de realiteit voor veel mensen is dat ze allang blij zijn als ze werk hebben, en zich in ieder geval een inkomen wensen. Behalve de toenemende werkeloosheid zit voor veel mensen de onzekerheid in het verlies aan zekerheid van werk. Op allerlei manieren is het werk flexibeler geworden. Nederland loopt samen met Portugal, Spanje en Polen voorop in Europa in het aandeel werknemers met tijdelijk werk. Daaronder vallen ook de vele zelfstandigen zonder personeel waar werkgevers steeds meer gebruik van maken. Voor veel mensen betekent dat dus dat ze niet meer zeker zijn van een inkomen. En als dat zo is, dat je al blij bent als je werk hebt en moet aanpakken wat je aanpakken kan voor tenminste wat inkomen, waar haal je dan je bezieling vandaan?

In een tijdschrift over dit thema van het Arbeidspastoraat staan een paar concrete verhalen. Zoals van Ingrid. Zij werkt in deeltijd als postsorteerder. Ze heeft een nulurencontract en is daarmee afhankelijk voor haar inkomen van de hoeveelheid werk. Als ze anderhalf jaar werkt moet ze er drie maanden uit, want anders zou ze een ander contract moeten krijgen. Ze heeft mbo detailhandel gedaan, maar de winkel waarin ze werkte moest zijn deuren sluiten. Bezieling in het werk dat ze nu doet vindt ze niet. Wel in het dovenpastoraat waarin de als vrijwilliger tolk is. ‘Daar’, zegt ze, ‘kan ik mijn bezieling in leggen.’

Bauke is kerkmusicus en werkt voor 30% in loondienst bij parochiebesturen; daarnaast is hij voor de overige 70% zelfstandige zonder personeel (zzp’er). Hij heeft weinig zekerheden voor werk en is afhankelijk van opdrachten. Het werk is heel onregelmatig en is daardoor steeds aanwezig in het leven van Bauke en zijn vrouw Karin. Karin heeft een vaste kantoorbaan en dat is een onmisbare basis voor Bauke om zijn passie uit te kunnen voeren. Beiden ervaren ze dat Karins werk ruimte maakt voor de passie van Bauke, zowel voor de flexibiliteit van zijn werk als voor de bezieling waarmee hij dat doet.

Ook voor grafisch ontwerper Arjen geldt dat de zekerheid in zijn leven als zzp’er komt van  de vaste baan van zijn partner en dat de bezieling afhangt van de opdrachten.

Claudia ervaart als postbezorgster en schoonmaakster dat het fijn is dat ze haar betaalde werk zelf kan plannen, ook vanwege de kinderen. Zeker als haar man werk heeft. Maar nu zit hij thuis. Ze maken zich zorgen; Claudia’s loon en de WW bieden onvoldoende basis om van te leven, zeker met de plannen die voor de WW in het verschiet liggen. Claudia’s hart ligt eigenlijk bij het vrijwilligerswerk.

Het is ons niet altijd gegeven datgene als betaald werk te kunnen doen waar wij bezield voor zijn. In eerste instantie moet er toch brood op de plank. Toch is het belangrijk om die bezieling te zoeken. Als het niet is in het betaalde werk, dan wel in wat je erom heen doet, als ouder, als vrijwillliger, als grootouder en noem maar op. Alleen werken voor het geld zorgt dat je verliest waar het om gaat. Net als koning Midas. De wijsheid en inzicht die koning Salomo vraagt is niet minder dan een verbondenheid met God. Vrouwe Wijsheid is in het Oude Testament een beeld van God die mensen bijstaat en inzicht geeft in wat God met het leven bedoelt. In die wijsheid gaat het ook om de diepere band met de schepping, waar Gods Wijsheid bij betrokken was. Je maakt met je leven deel uit van een groter geheel. Van de schepping, die met Gods Geest van wijsheid is doordrongen. Die mensen inspireert, enthousiast maakt, gaven geeft van dingen waar ze goed in zijn. En zo is ieder mens bijzonder; wij allemaal hebben iets waarmee we het verschil kunnen maken, als we dat doen, waartoe we in onze ziel aangesproken worden. Daarom is het zo mooi als je van je hobby je werk kunt maken, en het toch als een hobby blijft voelen. Of, als je dat niet in werk is gegeven, dat je op andere plekken, in vrijwilligerswerk of thuis, van waarde kan zijn voor mensen en de wereld. Dat hoeven niet altijd grote dingen te zijn, als het je maar bezielt, raakt in de kern van je bestaan.

Je maakt met je leven deel uit van een groter geheel, van de schepping die door Gods Geest van Wijsheid is gemaakt. En je kunt alleen maar van een groter geheel deel uitmaken als je deelt. In alle moeilijkheden op de arbeidsmarkt en met de toenemende flexibilisering ervan is dat wel een van de ontdekkingen. Beeldend kunstenaar Daan Roosegaarde zei in het tv-programma ‘De wereld draait door’: ‘Het oude systeem crasht, qua economie en energie. Een nieuw systeem moet nog worden ontwikkeld. We moeten op een andere manier gaan nadenken: met minder meer doen. Delen is het nieuwe hebben...’

Delen is het nieuwe hebben. Dat is ook iets wat die mensen ontdekken die zelf de boer opmoeten om hun opdrachten en daarmee hun inkomen binnen te krijgen. Zo heeft Adrianne een eigen bedrijf als supervisor en trainster. Na een ongeluk is ze voor een langere periode thuis komen te zitten. Ze ontdekte dat ze haar werk toch kon voortzetten, maar dan online, via het internet. Ze ontdekte dat het werk dan helemaal niet zo anders is. Ze kon contact blijven maken met mensen, dat zo belangrijk was voor haar werk. In haar werk vindt de het een uitdaging om mensen in hun kracht te zetten en mensen opnieuw plezier te laten ontdekken in hun werk. Ze komt vaak bij Seats2meet, een ontmoetingsplek voor jong en oud, waarin mensen met allerlei verschillende functies contacten met elkaar leggen en kennis delen. Deze plek wordt een plek van inspiratie en bezieling doordat de mensen zelf bereid zijn om hun kennis te delen. ‘Dat’, zegt ze, ‘is een ander concept van werken: elkaar niet beconcurreren en tegen elkaar opboksen, maar verbindingen aangaan en delen. Dit concept biedt de mogelijkheid om overvloed te creëren met elkaar in een wereld van crisis. Dat is mijn drive.’

Ik zie Jezus zo bij Seats2meet zitten, met dat voorbeeld dat Hij in de Bijbeltekst aanhaalt. Een vriend van je heeft iets nodig dat jij te bieden hebt, en het is niet tijdens kantooruren laten we maar zeggen, en je weigert, want het is al laat en je hebt geen zin meer om te delen; je vriend zal laten blijken dat hij je nodig heeft, zodat je alsnog geeft. En als je werkelijk met elkaar deelt wat je te bieden hebt, datgene waar je goed in bent, dan ontstaat er een wereld waarin wie vraagt ontvangt en voor wie klopt zal worden opengedaan.

Delen is het nieuwe hebben. Daarmee kunnen we een overvloed creëren met elkaar in een wereld van crisis. Het doet denken aan het verhaal van de vijf broden en twee vissen. Wat uit het delen voort komt is groter dan datgene dat we in handen hebben. Wat wij te bieden hebben vermenigvuldigt zich door te delen. En het komt van God. Want als wij geven aan elkaar, ‘hoeveel te meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie hem erom vragen.’