zaterdag 16 mei 2020

9 tips om liefdevol met het corona-protocol voor kerken om te gaan

In alle kerken ligt nu het 'Protocol kerkdiensten en andere kerkelijke bijeenkomsten' klaar om geïmplementeerd te worden. En dat is maatwerk. Ieder gebouw is anders, en veel belangrijker: iedere gemeente is anders. Daarom is het belangrijk het protocol toe te passen met een sausje van liefde. Liefde geeft smaak aan wat je doet. Ook als het om protocollen gaat. Hoe doe je dat?

1. Niet alles wat mag, hoeft

Het protocol geeft mogelijkheden aan om het kerkelijk leven weer voorzichtig op te starten. Het mag. Maar het hoeft niet. Misschien ben je er nog niet aan toe. Of is de gemeente er niet aan toe. Of gaat het eigenlijk wel even goed zo: je hebt goede contacten met gemeenteleden en je kunt iets aanbieden waarin mensen kunnen vieren. Mooi. Natuurlijk is het niet compleet. Maar dat wordt het voorlopig ook niet. Het duurt nog wel even voor we weer 'voluit' kerk kunnen zijn.

2. Neem je tijd

Neem dus ook gerust je tijd. Ja, je mag gaan oefenen, maar het hoeft niet meteen voor het 'echie'. Misschien wil je even met twintig gemeenteleden eens kijken hoe dat zou gaan, en een korte gebedsdienst houden. Zonder internet erbij, zonder formeel karakter. En kies je zelf je twintig mensen uit. Of je gaat je eerst bezinnen op hoe de komende tijd eruit gaat zien. En dan gaat het niet eens om concrete maatregelen, maar om de vraag hoe deze crisis nog wel even je kerk zal beïnvloeden en in zekere zin je geloofsgemeenschap ook vormt. Wie komen erbij, wie raak je kwijt? Hoe is je plek in de samenleving veranderd? Wat heb je ontdekt? En wat voor invloed heeft dat op je gemeenschap?

3. Pas je tempo aan aan wie niet mee kan

Hoe voortvarend je ook kunt zijn met het opstarten van bijeenkomsten voor 30 en straks 100 mensen maximaal, niet iedereen zal erbij kunnen zijn als je een middelgrote gemeente hebt, of een klein gebouw. Maar ook: er zullen mensen zijn die om persoonlijke redenen liever thuis blijven, omdat ze tot een risicogroep behoren. Voor hen was de afgelopen tijd in zekere zin een verademing: iedereen zat thuis. Laat ze niet achter. Je kunt weliswaar niet voorkomen dat je ze niet bij nieuwe initiatieven kunt betrekken, maar neem dat niet voor lief. Neem hen niet voor lief. Een belletje of kaartje is niet voldoende: bedenk een manier om hen er echt bij te betrekken. En vooral: pas je tempo aan. Dat geeft hen ook de kans om eraan te wennen.

4. Wees lief voor je vrijwilligers

Dat er weer wat mag en kan, kan je het gevoel geven dat je weer moet. 'We moeten weer de kerkdienst opstarten, anders gaat het mis.' Wees lief voor jezelf: wat is het ergste dat er kan gebeuren? En was de kerk niet van Jezus? Ja, makkelijk gezegd, maar wij moeten het doen. Ja, maar niet ten koste van alles. Er komt nogal veel bij kijken om de kerk weer op te starten. En mensen zullen weer graag willen, of soms met gezonde tegenzin of aarzeling. Wees lief voor ze. Ook dit moet geen sprint worden, maar zal een marathon zijn. Vraag hoe het met ze gaat. En blijf dat doen. En vraag hoe ze zich erbij voelen.

5. Wees lief voor je dominees en kerkelijk werkers

Dat we nu weer mogen opstarten betekent niet dat er niets gedaan is in de afgelopen tijd. Terwijl veel kerkelijke vrijwilligers helaas op hun handen moesten zitten, zijn er vaak een aantal mensen heel druk geweest met online-vieringen, alternatieve activiteiten, vaak voorgetrokken door predikanten en kerkelijk werkers. Nu vlak voor de laatste christelijke feestdagen voor de zomer en de zomervakantie het kerkelijk leven weer wat kan worden opgestart, kunnen zij best moe zijn. Geef ze even vrij. Pas je tempo ook aan hen aan. Dan kunnen zij er weer fris tegenaan.

6. Maak geen inhaalslag

De sportkalender van de zomer en het najaar puilt uit met elkaar overlappende toernooien en wedstrijden. We hoeven dat voorbeeld niet te volgen. We hoeven niet in te halen wat we gemist hebben. We kunnen gewoon weer opnieuw beginnen. En misschien belijdenis laten doen op startzondag, en lezingen en gespreksgroepen gewoon doorschuiven naar het najaar. En wat je voor dan gepland had doorschuiven naar het voorjaar. We zullen nog wel vaker gaan meemaken dat door nieuwe maatregelen bij een nieuwe piek activiteiten niet door kunnen gaan. Als we continu de druk voelen om alles in te halen, dan is het steeds gas geven en weer remmen. Dat is doodvermoeiend. Gun jezelf iets door te schuiven. We hebben de tijd. We hebben de eeuwigheid.

7. Blijf glimlachen

Het klinkt allemaal zo streng, dat er een coördinator in de kerk in de gaten moet houden dat iedereen zich aan de regels houdt en dat er niemand binnenkomt met corona-gerelateerde klachten. Je zult je misschien erg verantwoordelijk daarvoor voelen. Laat de spanning van je afglijden door één ding te doen: glimlach! Gun iemand die binnenkomt je stralende glimlach, en vraag later eventueel met diezelfde glimlach om toch afstand te houden. Het zal je zoveel krediet geven, en rust.

8. Geef je coördinator een bemoedigend hesje aan

In het protocol wordt aangeraden dat een coördinator goed herkenbaar is, bijvoorbeeld met een hesje. Ik zag al foto's voorbijkomen van mensen in gele hesjes. Nog maar een korte tijd geleden stond heel Frankrijk er vol mee... Bovendien ziet het er zo controleerderig uit. We zijn niet op een parkeerplaats. Kunnen we daar niet iets liefdevollers voor bedenken? Ik heb dominee Anne-Meta Kobes uit Heerenveen voorgesteld om van hun ontwerp van de vlag met de tekst 'houd moed heb lief' ook hesjes te laten maken. Deze zijn nu te bestellen via kerkhesje.nl!

9. Vraag eens of je kunt helpen

Als we zelf geen verantwoordelijkheid ergens voor hebben, zijn we snel geneigd iemand ergens verantwoordelijk voor te houden. Veel kosters raken gefrustreerd van opmerkingen (vaak via via) dat iets niet schoon is of iets anders niet goed is geregeld. Voor het opstarten van het kerkelijk leven zullen er nog meer vrijwilligers in touw moeten zijn en verantwoordelijkheid dragen. Zie hen. En vraag eens of je ook iets kan doen. Misschien mee helpen schoonmaken. Want echt: er komt heel veel bij kijken. Ga niet langs de zijlijn toekijken hoe het geregeld is. De beste stuurlui staan aan wal, weet je nog? Vraag eens of je iets kan doen. En hoe het met de vrijwilligers en professionals gaat (kosters, predikanten, kerkelijk werkers, cantor-organisten). Je zult zien hoe dat gewaardeerd wordt!

zaterdag 4 mei 2019

Wat zijn de kansen van pionieren op een basisschool? (Petrus Vertelt Podcast)


Dit verhaal is te beluisteren via de Podcast Petrus Vertelt. Het is mijn verhaal op de nieuwjaarsbijeenkomst van de Protestantse Kerk in Nederland


Hoe kun je ouders en hun kinderen
die nauwelijks nog iets weten van de bijbelverhalen
maar die wel voor een protestants-christelijke school kiezen,
weer in contact brengen met dat Evangelie?
Simpel antwoord: door er naartoe te gaan.

En dat heb ik gedaan. Nadat ik op de protestants christelijke basisschool van Waalwijk City een vertrouwd gezicht was geworden door de jaren heen ben ik daar maar eens een dagdeel in de week gaan zitten. Gewoon om te zien wat er op me af zou komen. En het bleek dat de klassen het leuk vonden als ik af en toe eens langskwam. En dat heb ik gedaan in de aanloop naar Dierendag. Ik ging met mijn hamster de klassen langs om te vertellen aan de hand van Genesis 2 waarom God de dieren heeft geschapen; zodat de mens niet alleen zou zijn. En ik had voor de zondag daarna een Dierendagviering gepland, waarin iedereen met zijn huisdier mocht komen. En voor alle huisdieren had ik na de dienst iets lekkers. De ronde langs de klassen bracht wel wat teweeg. Een moeder vertelde een andere moeder op het schoolplein dat haar kind met zo’n raar verhaal thuiskwam: dat de dominee met z’n hamster in de klas was geweest. Mijn kind ook, zei de andere moeder. Dus het was doorgekomen. Maar die zondag kwam er behalve de kinderen van de kerk niemand van de kinderen van school. Niemand. Dit was wat je noemt een geslaagde mislukking, want ik leerde eruit dat je op school weliswaar kunt aansluiten bij de belevingswereld van kinderen, maar dat dat niet automatisch betekent dat ze wel enthousiast worden om naar de kerk te komen. Dáár op school moet het dus gebeuren.

Dus ging ik in gesprek met ouders. En ik vroeg aan een moeder die ik kende van de sportschool waarom zei voor deze school gekozen had. En ze vertelde dat ze eigenlijk drie andere scholen voorbij fietst op weg naar deze, maar dat ze deze had gekozen vanwege de goede naam, het nieuwe gebouw enz. Of de identiteit ook een rol in die keuze speelde, vroeg ik haar. Nee, eigenlijk niet. Ze is katholiek opgevoed, maar doet daar eigenlijk niets meer mee. Daarom schrok ze ook wel even toen haar zoontje thuiskwam en tijdens het afwassen ineens een liedje over Jezus ging zingen… O ja, dat kreeg ze er natuurlijk bij… Maar het herinnerde haar ook aan haar jeugd in de parochie, en ze betrapte zich er later op dat ook als niemand thuis was zij tijdens de afwas toch dat liedje over Jezus zong. Of we iets voor haar konden betekenen in die herontdekking van de verhalen en de liedjes, waarmee haar zoontje thuiskomt? Een avond over bijbelverhalen of zo? Neu, alsjeblieft niet. Maar waar we wel mee zouden kunnen helpen was het volgende: we hadden op school het verhaal verteld over de kruisiging van Jezus. Dat was met Pasen toch? Ja, zoiets… Haar zoontje had de hele nacht wakker gelegen, want dat doodgaan leek hem niet zo leuk. En na het nachtelijke gesprek van drie kwartier had zijn moeder om half vier maar gezegd dat als hij niet in de hemel wilde zijn, dat er dan een knopje was, waarop je kon drukken, en dat je dan hoppa weer naar hier kon. Waarop het zoontje dat weekend tegen oma zei: als je niet dood wilt zijn, dan kun je op een knopje drukken… Handvatten om met je kind over de dood te praten zou dus wel welkom zijn.

En zo ontstaat er een speelveld, een pioniersveld, waarin je met opnieuw gewekte interesse in de bijbelverhalen en de levensthema’s die daaraan raken probeert met kinderen en hun ouders verder te zoeken naar de relevantie van bijbelverhalen voor hun leven, op weg naar misschien wel iets van een duurzame gemeenschapsvorm. Omdat daar op school hun leven plaatsvindt, uitgewisseld wordt wat gezinnen meemaken: daar worden bijbelverhalen en geloofsthema’s actueel!
Dat is een kwetsbaar speelveld. Aanvankelijk voorzichtig enthousiasme maakt ouders nog niet tot geloofsleerlingen. De moeder van de sportschool heb ik nog niet op een activiteit gezien. Het blijft zoeken naar aansluiting als ouders niet meteen zitten te wachten op iets van geloof als ze er zelf nauwelijks meer wat mee hebben. Het gaat dus eerst en vooral om relaties leggen. Ook met de kerk. En dat is ook lastig. En ik pieker me suf waarom eigenlijk. Want dit is toch een mooie kans, ook al heb je daar als kerkelijke gemeente in eerst instantie helemaal niet zoveel aan, omdat het op school gebeurt? En ik realiseer me dat vroeger de christelijke school een verlengstuk was van de kerk. En dat is ze niet meer. En veel christelijke scholen zoeken weer een relevante invulling van hun identiteit. En daarvoor komen ze niet naar de kerk. Daarvoor moeten wij naar hen komen. En dan kan er zomaar een meisje op je afkomen, dat na een kinderkerstfeest zegt: dominee Otto, ik wil gedoopt worden. En dat is ze. Niet door mij, maar door de dominee van de kerk, samen met mijn dochter. Want pionieren kan niet zonder de kerk, maar de kerk ook niet zonder pionieren.

maandag 22 april 2019

De opgestane Jezus is daar te vinden waar mensen gewond zijn - Paaspreek 2019


Wat is de kracht van het Paasverhaal? Als je de enorme belangstelling mag geloven voor uitvoeringen van de Matthäus Passion, The Passion en allerlei andere concerten dan lijkt dat toch vooral te zitten in het Passieverhaal: het verhaal van het lijden van Christus. Dat verhaal van de Opstanding is als vaag vergezicht aan het eind van moderne uitvoeringen wel een baken van hoop om daarna in ieder geval weer naar huis te kunnen, maar mensen worden geraakt juist door het herkenbare lijden en de emoties die dat oproept. Dat het Paasverhaal, het verhaal van de Opstanding van Jezus, minder volle kerken trekt heeft misschien niet zozeer te maken met de theologische vraag hoe dat kan, die Opstanding uit de dood, maar meer met het gevoel dat het een onvoorstelbaar happy end is. Een ongeloofwaardig slot van een verder zo voorstelbaar en geloofwaardig lijdensverhaal.

Het lijkt erop alsof een van Jezus’ eigen leerlingen, Thomas, daar ook last van heeft. Zijn naam betekent Tweeling. Blijkbaar hinkt hij op twee gedachten. Aan de ene kant wil hij graag geloven dat Jezus leeft, maar het komt hem zo onvoorstelbaar over dat hij het niet kan geloven. Waar zit hem dat in?

woensdag 23 januari 2019

Hoe komen wij in het dreigende wereldnieuws ons lot te boven? Preek over Esther 1 en 2

Het verhaal van Esther stuitte mij deze week onverwacht tegen de borst. In eerste instantie dacht ik: leuk, we gaan het over Esther hebben: dat heb ik altijd een boeiend verhaal gevonden. 

Het spannende verhaal van een meisje dat koningin wordt heeft in eerste instantie iets van een sprookje. En wordt vervolgens heel serieus als het aankomt op de redding van haar eigen volk. En durft Esther dan, met al haar voorrechten, haar nek uit te steken, met gevaar voor eigen leven? Durf je je luxe-leventje en durf je je leven op het spel te zetten als er onrecht wordt gedaan aan je eigen mensen? En zou je anders kunnen? Want kun je er wel aan ontkomen? Zo is Esther een ongelofelijk spannend verhaal van een vrouw, die nota bene haar afkomst moet verbergen met een veel normalere schuilnaam, terwijl ook God zich verborgen houdt. Waar is God in deze dreiging, waarin een mens de moed moet opbrengen om op te staan tegen onrecht? Mensen lijken overgeleverd aan het lot, aan het toeval. En dan blijkt toch die toeval de logica van God. Een ongelofelijk actueel verhaal dat raakt aan racisme, anti-semitisme, discriminatie, vooroordelen en zelfs volkerenmoord.

Schoonheidswedstrijd

Maar actueel zijn ook de eerste twee hoofdstukken om een andere reden. En daarom stuitte het verhaal van Esther mij nu tegen de borst. Die schoonheidswedstrijd die gehouden wordt in het tweede hoofdstuk kan toch niet meer?

zondag 13 januari 2019

Waarom heeft het zin om over het Evangelie te blijven vertellen? - preek 13 januari 2019



“Hoor, een stem zegt: ‘Roep!’ En de mens antwoordt: ‘Wat zou ik roepen? De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem. Het gras verdort en de bloem verwelkt wanneer de adem van de Heer erover blaast. Ja, als gras is dit volk.’”

Wie wil het nog horen?

Wat zouden wij roepen? Over de goede boodschap van God, het Evangelie? Wie wil het nog horen? Als ik om me heen luister in de zoektocht naar hoe we met elkaar in gesprek kunnen gaan over de toekomst van de gemeente met het oog op de invulling van de predikantsvacature, dan bekruipt me wel eens het gevoel dat we er eigenlijk niet meer zo in geloven. Wel in die goede boodschap, maar niet in dat roepen.

Nashvilleverklaring

Bovendien zijn we in dat roepen veel voorzichtiger geworden. We beleven dat steeds meer mensen heel anders in het leven staan, en wie zijn wij dan? Bovendien heeft al te zeker van de daken schreeuwen van onze boodschap ook veel leed veroorzaakt. Ook deze week komen herinneringen boven bij de Nashvilleverklaring aan een kerk waarin de norm werd gesteld aan wat normaal was. En waarin geen ruimte is voor wie anders is. De theologie die daarachter steekt hebben we veelal achter ons gelaten, al is daar tegelijkertijd ook weinig voor terug in de plaats gekomen. Daardoor weten we het ook niet altijd meer. Wat kun je nog geloven? En wat zou je er dan over roepen, als je het zelf al niet altijd meer weet?

Loopt het af?

Het roept het besef, de angst of misschien al de berusting op dat het met deze generatie wel eens afgelopen zou kunnen zijn. En dan houden we het nog wel een aantal jaren vol, en ronden we het netjes af, en doet iemand na ons misschien wel het licht uit.

Kerk in de verdrukking

“Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.” Dat is geen troost bij rouw van wat voorbij gaat. Nee: “Spreek moed in”, want blijkbaar is er hoop. Ook in Jesaja’s tijd wordt gevoeld: ‘Wat blijft er van ons over?’ Het is een bedreigende tijd waarin Israël tussen de grootmachten van het Perzische Rijk en het Babylonische Rijk platgedrukt wordt. En zo is er in onze tijd zoveel dat belangstelling voor de kerk en het Evangelie wegdrukt. Letterlijk de drukte, maar ook de vele keuzemogelijkheden die er zijn, en waar mensen al bijna in verzuipen.

Er is een weg

En toch is er reden om te troosten en moed in te spreken. Er is blijkbaar een weg te banen voor God, een weg door de woestijn. Ja, ondanks dat ons eigen kerk-zijn en ons eigen geloven zo kwetsbaar is en zo snel kan vergaan als het gras. Want, zegt Jesaja, ‘het woord van onze God houdt altijd stand.’ Mooi gezegd, maar wat betekent dat voor ons? Kunnen wij daar meer aan hebben dan alleen een houvast dat het na ons misschien dan toch wel doorgaat? Ook al geloven we daar misschien zelf niet zo in.

Niet alles wat kan is heilzaam

Kijk eens naar Johannes de Doper. Hij staat daar te roepen. In de woestijn. En wat hij roept wil niet iedereen graag horen. Wat hij zegt schuurt. En de vrouw van Herodes kan dat niet goed hebben. Johannes’ woorden gaan in tegen wat normaal wordt gevonden, en dat alles zomaar kan. Hij zou een mooie profeet zijn in een tijd waarin mensen dingen doen en op Facebook zetten met de tekst: ‘Gewoon omdat het kan.’ Niet alles wat kan is heilzaam en maakt je tot een heel en compleet mens. En dus roept Johannes. Misschien ook tegen beter weten in. Want hij wil geen betweter zijn. Maar zo gaat het niet goed. Hij zal zich een roepende in de woestijn hebben gevoeld, zoals we dat zijn gaan noemen. Maar hij weet ook dat het niet van hem afhangt. ‘Nee, ik ben niet de messias’, zegt hij. ‘Ik doop jullie met water, maar er komt iemand die meer vermag dan ik. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur.’

Jezus belichaamt Gods woord

Waar Jesaja dus zegt: het hangt niet van ons af, want het woord van God houdt altijd stand, wijst Johannes concreet naar iemand: Jezus. In de traditie wordt hij het vleesgeworden woord genoemd. Incarnatie met een moeilijk woord: in het vlees gekomen. Dat riekt naar oude taal en oude theologie, met name door dat woord ‘vlees’. Laten we het nieuw omschrijven: In Jezus herkent de traditie iemand die het woord van God belichaamt. Dat is heel mooi, want dan blijven de woorden niet in de lucht hangen. De woorden van God krijgen concreet gestalte. Ze brengen iets teweeg. Dat zullen we later in het leven van Jezus ook gaan zien. Zijn woorden zijn niet zomaar woorden. Ze brengen iets teweeg.

Moed

Daar mogen we moed uit putten. De geboorte van Jezus, zijn menswording, zoals dat zo mooi heet, betekent dat het woord van God zich in ons bestaan nestelt. Er is iemand onder ons die dat belichaamt. En die ons in beweging zet. Ook wij kunnen die woorden van God belichamen, en dus ook uitdelen en doorgeven.

'Waar zijn ze?'

Zijn er dan wel handen om het aan door te geven? Ja, per definitie, omdát het woord van God onder ons is komen wonen, mens is geworden. Alleen moeten we wel op zoek gaan wáár dat woord dan mensen in beweging zet. Dat zijn niet automatisch meer onze kinderen en mensen die nieuw in onze kerk komen. Dat automatisme dat mensen wel naar de kerk komen als het om geloven gaat is er niet meer. Dus de vraag ‘Waar zijn ze?’ is niet de goede vraag.

Of misschien toch tegelijkertijd wel. Want inderdaad: waar zijn ze dan wel? Laten we maar eens op zoek gaan. Op scholen, in je buurt, op je werk, in je klas, verzin het maar. Waar zijn mensen? Daar kan het Evangelie mensen in beweging zetten. Gewoon, omdat het kan 😉. Omdat het woord van God niet zomaar een verhaal is, en zomaar een visie op het leven, zoals er zovelen zijn. Dit woord van God wordt concreet, in Jezus. In Jezus wordt het belichaamd. En in ons krijgt het handen en voeten. En op zoveel plekken meer waar mensen geïnspireerd worden door Jezus’ woorden.

Inspiratie

In dat woord inspiratie, in de Geest, zit die heilige Geest, die we op Jezus zien neerdalen bij zijn doop. Misschien kun je je daar nog meer bij voorstellen dan iemand die het woord van God belichaamt. Er is een heel bijzonder lijntje tussen God en Jezus: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik mijn vreugde.’ Waar mensen geïnspireerd worden geven ze Gods woorden handen en voeten en komen ze in beweging. Niet omdat wij dat doen, maar omdat Gods woorden onder ons wonen. Het hangt gelukkig niet van ons af.

Het licht blijft aan

En dan blijft het licht dus branden. Is het niet hier, dan wel ergens anders, of hier op dezelfde of een andere manier. Zoals dominee Ruth vorige week aanhaalde uit Johannes 1: “In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen.” Om daaraan het volgende vers toe te voegen: “Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.”



maandag 2 april 2018

Hoe zie je lichtpuntjes?



Afgelopen donderdagmiddag was deze kerk gevuld met bijna 200 kinderstemmen. En die zongen dat Jezus leeft en dat de steen helemaal weg is. Foetsie! Bijna 200 leerlingen van de Prins Bernhardschool waren ook even 200 kerkgangers, met hun leerkrachten erbij en een aantal ouders en grootouders die tijd konden maken om erbij te zijn. En ze hoorden het paasverhaal dat ze al een paar weken eerder op school hadden gehoord. Toen was ik bij hen. 

Opdracht
En ik had ze een opdracht gegeven. Het paasfeest is dus het feest waarop we vieren dat Jezus is opgestaan uit de dood. 'Dat kan toch eigenlijk niet' riepen er meteen een paar. Klopt, zei ik, en daarom vieren we feest. Omdat het leven van Jezus niet stopte. Dus is Pasen het feest van een nieuw begin als je denkt dat er helemaal geen nieuw begin meer mogelijk is. Bedenk maar eens iets wat je kunt doen, of wat andere mensen doen in situaties waar geen nieuw leven meer mogelijk lijkt of geen hoop meer is of waar je denkt: hier stopt het. Bijvoorbeeld een school die gebouwd wordt op de puinhopen van oorlog door een goed doel, of dorre aarde waar zaadjes in geplant worden, zodat er weer nieuw leven uitkomt.

Aan de slag
De klassen gingen creatief aan de slag.

maandag 26 maart 2018

Hoe ga je met twijfel om in je geloof? - preek in vespers Stille Week 26 maart 2018

'Het was een nacht, anders dan and're nachten
want in het duister loerde het verraad.
Bij elke leerling kwam het in gedachten:
o, ik toch niet, zo'n gruwelijke daad?'

Wonderlijk eigenlijk, en wat goed dat de voorbereiders van deze liturgie het zagen: waarom schiet bij elke leerling in gedachten: 'Ik toch niet, Heer?' Wat maakte dat ze dat dachten van zichzelf? Een andere evangelist, Lucas, schrijft een veel voorspelbaardere reactie op: 'Ze vroegen zich onder elkaar af wie van hen zoiets zou kunnen doen.' Je kunt je zomaar voorstellen dat ze zouden zeggen: 'Is hij het?' Alsof ze aan het nomineren slaan wie de Judas is onder hen. Maar dat zeggen ze niet. Ze zeggen: 'Ik toch niet, Heer?'

Onzeker

Wat gaat er toch in hen om dat ze dat zeggen? Als Jezus zegt: 'Eén van jullie zal mij uitleveren', dan zou je toch zeggen dat ze zelf weten of ze iets van plan zijn? Nou, dat is te zeggen. Vergeet niet dat zij op dat moment niet weten welke daad er bij het verraad hoort. Wij weten wat Judas gaat doen. Jezus misschien ook wel. Maar de leerlingen weten niet waar Jezus precies op doelt. 'Een van jullie zal mij uitleveren, verraden'. Kennelijk maakt Jezus' uitspraak hen onzeker. Het is meer dan een schok dat er onder hen een verrader is. Ze schrikken ook omdat het kennelijk iets in hen raakt. Wat zou dat zijn? In ieder geval een soort twijfel. Misschien twijfel of ze het kunnen volhouden dichtbij Jezus te blijven? Het vraagt best wel wat van ze. En wie weet hoe anderen erover praten. Hoe lang kun je tegenover anderen volhouden dat je bij Jezus hoort, ondanks alle vragen en misschien wel verwensingen? Hoe sterk ben je in je geloof? Nou, kennelijk valt dat nogal mee bij de leerlingen van Jezus. Of tegen.

Twijfel

En dat raakt aan onze twijfel.