dinsdag 12 maart 2013

Geen vergoeding maar verzoening - preek 10 maart 2013

Tekst: 2Samuël 14: 1-24 en Lucas 15: 11-32

Wat doe je als je kind zich tegen je keert? Iedere ouder maakt in een verschillende intensiteit mee dat zijn kind tijdens de pubertijd zich gaat afzetten. Een eigen mening heeft, opstandig wordt, zijn eigen weg forceert. En vaak willen ze juist helemaal niets, en is wat vroeg leuk en lief was, nu stom, want ‘ik ben geen kind meer!’ Hoewel ouders dit tot wanhoop kan drijven in een eengezinswoning, die ‘hotel mama’ is gaan heten; vaak komt er na een aantal jaren een balans tussen volwassenheid en kind zijn, en krijg je er nieuwe volwassen kinderen voor terug. Een hele overgang, en niet zonder weemoed, en het gezin breidt zich langzaam maar zeker uit, maar je blijft in ieder geval bij elkaar, in een nieuwe verhouding.

Maar wat als dat niet zo is? Behalve door scheidingen van ouders vallen ook gezinnen uiteen doordat kinderen zich tegen hun ouders keren, of andersom. Vanwege wederzijds onbegrip, of omdat er iets gebeurd is. Soms is het eigenlijk te knullig voor woorden wat er gebeurde, maar heeft het klimmen der jaren, of talloze andere kleine akkefietjes, de kloof onoverbrugbaar gemaakt. En zie die dan nog maar eens te overbruggen. Verdriet, dat dan heel veel overeenkomsten heeft met rouw, om een kind dat niet meer in je buurt is, maakt je lamgeslagen en ontneemt je alle moed om elkaar te naderen. Of het is koppigheid, maar vol woede en onbegrip, die je opsluit in het verdedigingswerk van je eigen gelijk, om de pijn niet te hoeven voelen.

En dan is er die vader in dat verhaal van Jezus, en lijkt het allemaal zo simpel. Maar het is niet voor niets een beeld van God. En die zoon maakt het bont. Hij eist zijn erfdeel op. Dat betekent eigenlijk zoveel als dat hij zijn vader dood wenst… Want hij wil zijn erfenis verzilveren. Hoe erg kun je je vader vernederen? En hoe erg worden ouders vernederd die telkens moeten opdraaien voor de weg die hun kinderen gaan, of die zich te zeer vader en moeder voelen om hun kind in zijn eigen sop gaar te laten koken?

Vader David bakt er niets van. En ik zeg expres ‘vader’ David en niet Koning David. Hoewel het een niet los van het ander staat. In de dynastie, de erfopvolging, die er eigenlijk nog niet eens is, omdat David de eerste in lijn zal zijn, wordt een erfopvolging wel verondersteld en is Koning David natuurlijk wel de vader van de volgende koning. Maar welke zoon wordt koning? Zo goed en voorbeeldig als David Koning is, zo krachteloos, besluiteloos en weinig principieel is hij als vader. We hebben eerder al kunnen lezen hoe David de vrouw van Uria afpakte, en hem de dood in joeg toen ze zwanger bleek te zijn. Zo liet David zien dat hij niet vertrouwde op God voor de toekomst, maar de toekomst in eigen hand wilde nemen. Het kind dat daaruit geboren werd had daarom ook geen toekomst. Maar al gauw werd Batseba opnieuw zwanger en werd Salomo geboren. Met zijn bijnaam ‘Lieveling van de Heer’ en met onze kennis van hoe het verhaal verder gaat weten we hoe het verhaal verder gaat en dat Salomo de volgende koning zal worden. Maar op dat moment is daar nog geen sprake van. Sterker nog, op het huis van David, de familiebanden, rustte geen zegen meer. Wanneer iemand de verhoudingen verstoort kan hij niet verwachten dat de andere verhoudingen intact en vredig blijven. Met dat David zich Uria’s vrouw toeëigend en bezwangert, is de beer los in zijn gezin. De profeet Nathan voorspelt het: voortaan zullen moord en doodslag in je koningshuis om zich heen grijpen. David heeft de vrede in zijn huis verspeeld. Misschien is het daarom wel dat vader David zo slap handelt als zijn oudste zoon Amnon zijn halfzus Tamar neemt, onteert, en voor grof vuil langs de weg zet. Er staat weliswaar: ‘Toen koning David hoorde wat er gebeurd was, werd hij woedend’. Maar daar blijft het ook bij. Hij doet niets. Hij lijkt wel vader Jakob, die na de ontering van zijn dochter Dina door Sichem, eerder geneigd is het op een akkoordje te gooien dan op te komen voor zijn dochter en voor zijn gezin als geheel. Mooie pater familias, Jakob, maar ook David.

Wat gebeurde er daarna in de familie van David, en wat maakte David van held ineens tot anti-held? Met dat David niets doet, verdwijnt zijn dochter Tamar in de anonimiteit bij haar broer Absalom. Daarover vertelt het verhaal dat ze ‘van het leven afgesneden’ is. Dat gaat over meer dan dat ze nu niet meer goed in de huwelijksmarkt ligt, omdat ze onteerd is en dus geen kinderen zal krijgen en een gewoon leven kan leiden. Dat zij van het leven is afgesneden is de opmaat naar het vervolg, waarin de dood de overhand lijkt te hebben. Absalom zint op wraak en wil zijn broer Amnon vermoorden vanwege de verkrachting van hun zus. Eerwraak. David zou daar eigenlijk getuige van moeten zijn in het plan van Absalom, maar David acht dat onverstandig. Daarmee ontwijkt David de beladen familiebanden en de mogelijke dreiging die daarin schuilt. Maar ook ontwijkt David de bedreigingen van zijn koningschap. Dat het feest in Efraïm gehouden wordt, in het Noordelijk deel van het rijk, dat David ook maar als koning heeft opgelegd gekregen, is Absalom bezig een machtsbasis te ontwikkelen. De machtige en daadkrachtige koning David is in geen velden of wegen te bekennen; hij laat het gebeuren.

De dood van Amnon dompelt hem in rouw. De dood krijgt vat op zijn huis. En David doet niets, helemaal niets om het leven weer te zoeken. Zoals hij na de dood van zijn naamloze kind van hem en Batseba weer opstond en daarmee liet zien dat hij zijn toekomst weer in de handen van God legde; zo blijft David hier hangen bij de dood. Over en uit, klaar. Leven wordt overleven. En dan regeren rouw, zelfbeklag, angst, woede, en uiteindelijk de dood. Na een periode van drie jaar rouw vat David het plan op om Absalom te doden. Eerst was er eerwraak; nu is er bloedwraak op handen. De dood in het kwadraat. En elke moord zal het erger maken. Want elke dode zal weer een dode vragen, en weer, en weer, en weer. Als Jezus zegt: heb uw vijanden lief en: als iemand je slaat, keer hem dan je andere wang toe; dan gaat het niet eens zozeer om pacifisme, vredelievendheid en wapenloosheid, maar om het doorbreken van deze cirkel van bloedwraak. Van de voortdurende vergelding van iemands dood op de dader. En vervolgens weer op de dader daarvan, en daarvan, en daarvan.

Opperbevelhebber Joab grijpt in. Zijn overwegingen weten we niet. Maar dat het de opperbevelhebber van het leger is, en niet de profeet Nathan, doet vermoeden dat er toch ook een militair belang meespeelt. Je kunt Absalom maar beter dichtbij je houden, dan zie je tenminste wat hij doet. In plaats van dat hij ver weg in het Noorden vrij spel heeft in het uitbreiden van zijn machtsbasis. Maar het verhaal gaat dieper: de vrouw vraagt in haar verhaal om de rouw te doorbreken en haar enig overgebleven zoon te laten leven. Want, zegt ze: ‘Zo zullen ze het laatste kooltje dat mij rest uitdoven, en dan zal er op aarde niets meer zijn dat nog aan mijn man en zijn naam herinnert.’ Dit verwijst overigens vooruit naar de uiteindelijke dood van Absalom die de macht zal grijpen. Na zijn dood staat er: ‘Absalom had bij zijn leven voor zichzelf een gedenkteken opgericht in de Koningsvallei. Omdat hij, zoals hij zei, geen zoon had om zijn naam te doen voortleven, gaf hij de gedenksteen zijn eigen naam.’ Het gaat hier dus om toekomst, om leven. Om niet te blijven bij de rouw en de dood, en dus ook niet bij de schuld. Schuld blokkeert relaties. Wanneer gebeurtenissen blijven hangen tussen mensen verwijderen ze van elkaar. Om vervolgens schuld op schuld te stapelen. Want waar er twee kijven hebben er twee schuld. En ja, hier gaat het niet om zomaar iets, maar om dood. En bij de verloren zoon in het verhaal van Jezus gaat het om het dood wensen van de vader. Maar wat is het alternatief voor verzoening? Nog meer schuld. De vrouw die bij David komt geeft met haar verhaal als weduwe en moeder van twee zoons, waarvan er één is gestorven, geeft een heel helder beeld: als de andere zoon uit wraak gedood wordt, is het over en uit voor haar. David kan daar tegenover stellen dat hij nog meer zoons heeft. Het staat of valt niet met deze twee, en Salomo zal uiteindelijk koning worden. En wij zoeken ook wel alternatieve mensen om mee om te gaan als andere relaties stokken. Maar dit verhaal van de vrouw laat zien dat het wel een keer ophoudt. En dan blijf je alleen achter. Veel beter dan alternatieven te zoeken in andere mensen is om je te verzoenen, omdat het leven anders stokt. Je kunt niet leven in rouw en schuld. Daar is geen vergoeding en laat staan vergelding voor. Geen vergoeding, maar verzoening; dat is het motto van deze verhalen.

David komt aan die verzoening niet toe. Hij haalt Absalom terug maar ontvangt hem niet. Bij Absalom is aan de andere kant ook geen berouw. Een gewapende vrede, die uiteindelijk zal escaleren. Zowel berouw als verzoening is er wel bij de verloren zoon en zijn vader. Daar is er eerst berouw en dan verzoening, maar een noodzakelijke volgorde is dit niet. Het is niet: eerst berouw en dan verzoening. De wil om je te verzoenen met iemand kan berouw of een simpel sorry voortbrengen. In ieder geval blijf je zelf niet in een eeuwige cirkel van wrok zitten. Nog los van dat waar twee kijven er ongetwijfeld twee schuld hebben, al is het maar de schuld om je niet te willen verzoenen. We hoeven onszelf daarin niet staande te houden. In de armen van de Vader zijn ook wij niet verloren, maar opgenomen, teruggenomen, in het huis van de Vader.

Flexibel en bezield? Thema biddag 2013


In de afgelopen jaren is het aantal mensen dat een flexibele arbeidsrelatie heeft toegenomen (zie onder). Mensen werken steeds vaker op basis van een tijdelijk of flexibel contract voor een werkgever of opdrachtgever. In de afgelopen vijftien jaar is het aantal werknemers met een tijdelijk dienstverband verdrievoudigd! Werkgevers maken bovendien in toenemende mate gebruik van zzp'ers (zelfstandigen zonder personeel). De vraag naar traditionele flexibele arbeid (uitzendkrachten, oproep- en invalkrachten) is slechts licht gestegen. Nederland behoort in Europa tot de landen met een groot aandeel werknemers met tijdelijk werk.

Deze toegenomen flexibiliteit geeft kansen, maar ook onzekerheid. Werkonzekerheid betekent immers inkomensonzekerheid. Met daar bovenop de crisis betekent dat dat voor steeds meer mensen inkomen de voornaamste drijfveer kan moeten worden om te werken, ongeacht of het werk aansluit bij je passie en voldoening geeft, laat staan bezieling. Toch vinden mensen hierin hun weg, en zoeken ze bezieling. Door hun flexibele werk een vaste basis te geven in een andere (bij)baan, en juist in hun flexibele werk voor hun passie te gaan en in hun vaste deeltijdbaan voor inkomsten. Of ze hebben een partner met vast werk. Of ze zoeken hun bezieling buiten hun werk, in bijvoorbeeld vrijwilligerswerk. Ook zijn er mensen die juist in de snelheid en de voortdurende verandering in een flexibele baan helemaal hun ei kwijt kunnen, en de onzekerheid en risico's op de koop toenemen.

De vraag voor de biddagviering is hoe je in een veranderende arbeidsmarkt de balans kunt krijgen of bewaren tussen zekerheid, flexibiliteit en bezieling? In een aantal interviews in een themanummer over flexibiliteit, uitgegeven door Arbeidspastoraat DISK, geven een aantal mensen een inkijkje in hun leven en vertellen ze hoe zij dat doen. Hun verhalen vormen de inspiratie voor de overweging bij de bijbelteksten, waaronder 2 Kronieken 1:7-13, waarin Salomo voor zijn koningschap geen rijkdom vraagt, maar wijsheid, en daar vervolgens rijkdom bij krijgt. Uit het Evangelie klinkt Lucas 11:1-13, waarin het Onze Vader klinkt, en tevens een verhaal dat je modern zou kunnen samenvatten met 'delen is het nieuwe hebben'; de ontdekking van veel zzp'ers en andere flexibele werknemers. Dat alles is het onderwerp van de bidstond ter gelegenheid van de Biddag voor Gewas en Arbeid.

De bidstond wordt gehouden op woensdag 13 maart om 19.30u in de Kerk aan de Haven, Grotestraat 121, Waalwijk. Meer info: www.kerkaandehaven.nl/www.kerkinwaalwijk.nl 

Flexibiliteit in arbeidsrelaties

Een arbeidsrelatie tussen een werkgever en een werknemer kan 'flexibel' zijn in termen van uren en in termen van de aard van het werk. Meer specifiek kan een arbeidsrelatie, ten eerste, flexibel zijn in termen van contractduur, zoals bij tijdelijke contracten, uitzendcontracten en de 'inkoop' van arbeid door een opdracht te verstrekken aan een zzp'er. 
Ten tweede kan een contract flexibel zijn in termen van arbeidsomvang, zoals bij overwerk, deeltijdwerk, oproepcontracten, min-max contracten en jaarurencontracten. Deeltijdcontracten verschaffen de flexibiliteit om meer uur per week te werken dan is vastgelegd, waarbij kleinere deeltijdbanen meer flexibiliteit bieden dan grotere deeltijdbanen.
Ten derde kan een arbeidsrelatie flexibel zijn in termen van de tijdstippen waarop wordt gewerkt, zoals bij variabele werktijden, ploegendienst en weekendwerk. 
Tenslotte kunnen contracten flexibel zijn in termen van functieomschrijving. Als een functie ruim is omschreven, kan een werknemer voor het verrichten van verschillende taken worden ingezet. (Bron: 'Flexibel en bezield?' OndersteBoven, Arbeidspastoraat DISK, Amsterdam 2013)

dinsdag 5 maart 2013

Een nieuwe lente, een nieuw gebed? Eerste gedachten bij biddag 2013

Op woensdag 13 maart is het Biddag voor Gewas en Arbeid. Een oude protestantse traditie van het platteland, waar aan het begin van het nieuwe seizoen, voordat de boeren het land op gingen, werd gebeden voor de oogst en het werk. En zo werd er ook in november gedankt voor de oogst en het welslagen van het werk. Maar wat moeten we ermee in 2013? Waarom zouden we bidden voor gewas en arbeid? En waarom zou je daarvoor naar de kerk gaan?

Ik denk dat de vraag begint bij het moment van de biddag. Voor onze moderne beleving komt de biddag ineens op in onze kalender op een onverwacht moment: o ja, biddag. Er is voor ons geen natuurlijke band meer tussen ons werk en de datum van Biddag, zoals die er wel was voor de boeren. Voor hen was het een startsein, voor ons een onderbreking van het werk dat toch wel doorgaat, ook al vriest het. En 'seizoenen' kennen we ook niet echt, hooguit 'boekjaren' of 'schooljaren'.

En toch, helemaal los van de natuur staan we niet. Gisteren brak na een ijskoude februari maand eindelijk de zon weer eens goed door. Als het maar even kon hebben veel mensen even de eerste warme zonnestralen meegepakt tussen het werk door of op hun vrije dag. Op Facebook wemelde het van de berichten daarover.  'Even lekker met de hond wezen wandelen in de Duinen.' 'GENIETEN!' En een enkele man vraagt zich af wanneer het weer rokjesdag is. Ook voor wie in zijn werk niet aan de seizoenen is gebonden voelt die eerste zon, met de crocussen uit de nog vrieskoude grond en de blauwe hemel boven zich, als een nieuw begin. De 'voorjaarsschoonmaak' zal ook wel uit de tijd van de Biddag stammen, en velen doen er allang niet meer aan, maar toch hebben velen het gevoel dat we wel een nieuw begin maken. De eerste terrastafeltjes staan al weer buiten, hoe voorbarig misschien ook, maar het is een teken: de lente komt!

En ook al verandert dat misschien niet wezenlijk ons werk, toch is dat ook een tijd om nieuwe plannen te maken. Vooruit te kijken. Niet alleen maar met de gordijnen dicht en de verwarming hoog de zomervakantie boeken, maar weer naar buiten gaan, alleen, samen of met kinderen en kleinkinderen. En als die belastingformulieren ook nog de deur uit zijn dan hebben we echt weer even onze handen vrij en komen we, ondanks dat alles gewoon doorging, toch uit een soort collectieve winterslaap.

Komen we dan al iets dichter bij de Biddag voor gewas en arbeid? Waar zou je voor willen bidden als het om werk gaat en plannen die je hebt? Wat doet het eerste lenteweer met jou en krijg je daar nieuwe energie van? Waar ga jij die voor gebruiken? En wat betekent God daarin voor jou? Het is tenslotte een BIDdag... Later meer. Wees vrij om te reageren! Ik zoek inspiratie voor de dienst van 13 maart. Om eerlijk te zijn: de eerste waarin ikzelf voorga. Ik zoek de band tussen ons geloof, waarin werk wel degelijk ook een plek heeft, en deze specifieke viering midden in maart om daar biddend bij stil te staan. Ora et labora was het motto in oude kloosters; bid en werk... Maar hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Bid je voor je werk? Of wat zouden we kunnen bidden? Ik ben benieuwd naar jouw ideeën!

De dienst wordt gehouden op woensdag 13 maart 2013, 19.30u in de Kerk aan de Haven, Grotestraat 121, Waalwijk.

En vergeef ons onze schulden - preek 3 maart 2013



Nu de Veertigdagentijd al bijna op de helft is, vraag ik me af wat het eigenlijk betekent dat deze voorbereidingstijd op Pasen een bezinningstijd is. Waar bezinnen we ons op? Het is een tijd waarin we stilstaan bij dingen die wij belangrijk vinden. Zaken die niet altijd voldoende ruimte krijgen als we maar doorgaan en doorgaan. Dan leven we gauw bij de waan van de dag. Principes en die dingen waar we voor staan kunnen we gemakkelijk uit het oog verliezen als het dagelijks leven ons afleidt. Dan lijkt werk belangrijker dan thuis, de drukte van alledag urgenter dan die vriend of dat familielid die het moeilijk heeft. Dan is de energie die we nodig hebben om zo snel mogelijk van A naar B te komen, en de producten die we heel lekker vinden maar van heel ver weg getransporteerd moeten worden, belangrijker dan het milieu. Dan is ons eigenbelang belangrijker dan het algemeen belang. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. Een periode van bezinning is goed om wat belangrijk is weer naar voren te halen, en om die belangrijke dingen weer op de agenda te zetten voor de toekomst. Waar ging het ons ook al weer om? Waar staan we ook al weer voor? En, wat was ook al weer de weg van God? Bezinning op wat belangrijk is kan ook een weg zijn om weer nieuwe energie te vinden, als je door de waan van de dag geleefd, uitgeput raakt en inspiratieloos. De waan van de dag is vluchtig, net zoals het genot van zoveel dingen die ons worden aangereikt. En daarom is het ook goed, als je dat past, om je een tijdje te onthouden van dingen die je afleiden. In eten, in drinken, in tv kijken, gamen, of andere dingen waar je normaal zo druk mee bent of die zo in het middelpunt van je leven staan. En dat alles om terug te keren naar de kern, en nieuwe energie op te doen voor de toekomst.

Dat is mooi; als dat de betekenis van de Veertigdagentijd als tijd van bezinnen kan zijn. Maar is er niet ook iets meer? Of: zijn er niet nog andere accenten te leggen? De teksten van vandaag leggen het accent op schuld. En schuld is iets waar we het een stuk lastiger mee hebben als dat ons aangezegd wordt. We kijken liever vooruit dan achterom. Want daar is toch niets meer aan te doen. En bovendien: we vinden het makkelijker om iets over een ander te zeggen dan onszelf recht in de spiegel aan te kijken. En een ander moet al helemaal niet aankomen met kritiek. Om elkaar te ontzien evalueren we graag niet in negatieve en positieve punten, maar in tips en tops. Een mooie positieve instelling, waar echter mogelijk de echt pijnlijke punten onbenoemd of verbloemd blijven. Want we geloven niet in schuld, en als we die wel zien, dan kijken we liever vooruit, voor de lieve vrede.

Dan zitten we vandaag wat in onze maag met de lezingen van vandaag, waarin gesproken wordt over schuld en de gevolgen daarvan. Want die zijn nogal drastisch. David verliest een kind. En de mensen die bij Jezus komen maken het nog bonter. Dat wat mensen ondergaan aan rampspoed is hun eigen schuld, blijken ze te zeggen als we goed naar Jezus luisteren. En we hebben allemaal wel een beeld van die mensen. Van grote rampen is in het verleden, maar ook nu nog, vaak gezegd dat het de schuld was van de mensen die het overkwam. En sommigen of velen van u hebben ook wel eens gehoord van een dominee die dat meisje dat verongelukte of die man die vroeg stierf eerder de hel dan de hemel in preekte. Is wat ons overkomt onze schuld? We geloven er niet in. En toch, toch zie je op kleine schaal het ons ook wel eens doen. Als iemand griep krijgt, heeft hij natuurlijk zijn jas niet dichtgedaan toen hij met die kou naar buiten ging. Maar ook erger: een hartaanval ligt een te hard werken, en kanker aan teveel roken of teveel drinken enz. enz. Ja, het klinkt hard als ik dat zo zeg, maar het zijn mijn woorden niet; ik hoor het om me heen mensen bijna tussen neus en lippen door zeggen. Wie pijn heeft, heeft vast iets verkeerds gedaan, en dan misschien niet in de zondige sfeer, maar dan toch in ieder geval zichzelf veronachtzaamd. En toch is dat ook begrijpelijk. Want kunnen we leven met het idee dat wat ons overkomt ons zomaar overkomt. En zoeken we dan niet liever een reden? Die we overigens makkelijker bij iemand anders dan bij onszelf vinden. En slaat het ons niet terneer als we geen antwoord krijgen op de vraag waarom ons iets overkomt? Waarom is die vraag zo belangrijk? Waarom zou God dat ons aandoen, of zouden wijzelf daar schuldig aan zijn?

Wat is de positie van Jezus hierin? Voor Jezus bestaat er nadrukkelijk wel zoiets als schuld. Wij doen elkaar, God en onszelf tekort. De vraag is alleen: wat doet God met die schuld? Het antwoord van Jezus is eigenlijk zoveel als dat God liever niets doet met onze schuld. Jezus zegt vlak voor het verhaal van vandaag: ‘Waarom bepalen jullie niet uit jezelf wat juist is? Als je met je tegenstander op weg bent naar een hoge autoriteit, doe dan moeite om nog onderweg tot een vergelijk met hem te komen, anders sleept hij je voor de rechter, en de rechter zal je dan uitleveren aan de gerechtsdienaar, en die zal je in de gevangenis gooien. Ik zeg je, dan kom je niet vrij voor je ook de laatste cent betaald hebt.’ Kun je in dit concrete voorbeeld de rechter de schuld geven dat je in de gevangenis komt? Me dunkt van niet. En het is net zo’n onzin, zegt Jezus vervolgens, om de slachtoffers de schuld te geven van een slachtpartij in de tempel, die de Romeinen kennelijk hebben uitgevoerd. En net zo is het onzin om te zeggen dat diegenen die onder die omgevallen toren terechtkwamen in Jeruzalem, hun verdiende loon kregen. ‘Zeker niet’, zegt Jezus. Maar, en dan wordt het moeilijker: ‘als jullie niet tot inkeer komen, zul je allemaal net zo sterven als zij.’ Wacht even. Is het dan toch zo dat als wij niet tot inkeer komen, ons verdiende loon krijgen? Dreigt Jezus namens God nu toch met rampspoed die onze eigen schuld is? Nee. Dan moet je goed lezen. God heeft niet de hand in de rampspoed. Hij wijst ons wel de weg om er mogelijk aan te ontkomen. En dat is de weg van inkeer. God kan niet verhelpen dat gedane zaken geen keer hebben en dat het recht zijn loop moet hebben. Of dat dingen nu eenmaal gebeuren die het gevolg zijn van ons schuldig handelen. Hij kan ons wel helpen een nieuw begin te maken. En elk oordeel van God is er niet op gericht de mensheid te verwerpen, maar om ons een nieuwe startpositie te geven. Wij zijn het oordeel van God als heel moeilijk gaan ervaren, als iets dat niet bij een liefdevolle God zou passen. Maar dan begrijp je het oordeel verkeerd. Een oordeel is geen straf die God ons oplegt. De consequenties moeten wijzelf dragen, maar God richt ons op de toekomst. Gods oordeel is genade, als iemand die het niet bedoeld is om gelijk te krijgen of zijn gelijk te halen, maar om jou weer op de toekomst te richten, omdat de weg die je nu gaat doodloopt. Gods oordeel is genade en schept ruimte om opnieuw te beginnen. En als drie jaar krijgt de vijgenboom in het verhaal de kans. Maar al driejaar parasiteert hij op de vruchtbare grond; wel de lusten, niet de lasten, en geen vruchten. Moeten we dan God aanspreken over Zijn oordeel om hem om te hekken; een oordeel, waarin Hij slechts wijst op de consequenties, namelijk dat het leven van de vijgenboom doodloopt?

En David, die zijn kind verliest. Welke God staat toe dat dat gebeurt, of heeft er zelfs de hand in? Ja, het staat er: ‘De Heer trof het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had met een dodelijke ziekte.’ En David bidt tot God voor de jongen, maar het helpt niet. Het kind sterft. Maar wat vertelt het verhaal eigenlijk? Het valt me op dat in die zin zowel het kind als de vrouw van Uria naamloos blijven. Van de vrouw van Uria weten we de naam: Batseba, maar het kind sterft naamloos. Voor ons voelt dat wreed, want wat is er erger dan naamloos te sterven? Mag het kind niet eens een naam hebben? Maar dat is niet wat de Bijbel bedoelt te zeggen. Juist het ontbreken van die namen laat zien dat het om degene gaat die wel een naam heeft, namelijk David. En die staat niet echt in een benijdenswaardige positie. Hij is de schuldige. En niemand anders. En dat dat kind sterft is een gevolg van zijn handelen. Kon God dat niet voorkomen? Nee. Waarom niet? Omdat daarmee de lijn van David naar Jezus doorbroken zou zijn. Want dat is een lijn die door God is voorzien, en door God is ingesteld. En Koning Davids houding moet dan zijn het initiatief dan ook aan God te laten. De toekomst die God voorspelt is een toekomst die David moet verwachten. En niet een toekomst die hij moet nemen. En dat is wat David wel doet. Hij neemt Batseba, het staat er letterlijk zo, en neemt daarmee de toekomst in handen. Hij gaat zijn eigen weg. Het is ook opvallend dat de naam van Batseba enkel genoemd wordt in het begin, als zij wordt voorgesteld aan David, maar dan ook in haar relatie tot haar vader en haar man. Daarna blijft zij anoniem de vrouw van Uria, totdat David weer met haar slaapt en Salomo verwekt. Ook dit is weer niet om te laten zien dat Batseba er niet toe doet, maar om te laten zien dat ze er buiten staat. Het gaat om David en wat híj gedaan heeft. En wat David gedaan heeft is de toekomst in eigen hand nemen. Dat de vrouw van Uria daarna ‘in verwachting’ heet te zijn is buitengewoon cynisch. Niks verwachting. David laat de toekomst niet van God afhangen, maar van hemzelf. En daar gaat het mis. En het kind is daarvan het kind van de rekening. Naamloos, en dat betekent dat we er ons ook niet teveel zorgen over moeten maken. Het kind bestaat niet. En het is David die moet leren voor zijn toekomst op God te vertrouwen.

En die omslag maakt hij. Tot verbazing van zijn dienaren staat David na de dood van het kind weer op, neemt een bad, doet andere kleren aan, richt zich in gebed tot God als dagelijkse routine en gaat eten. Daarvóór had hij zich nog alles ontzegd en tot God gebeden om de jongen. Wat hier gebeurt is in feite wat Jezus beschrijft. Het onheil dat de jongen overkomt, is niet aan hem te wijten, maar onze inkeer is nodig om ons niet hetzelfde te laten overkomen. David zei het daarvoor al: ‘Ik heb gezondigd tegen de Heer.’ Waarop Natan zei: ‘De Heer vergeeft u die zonde, u zult niet sterven.’ Waarom redt God dan toch niet dat kind? Omdat dat kind niet bestaan kan in de toekomst. Het zou alleen maar kunnen leven in een zondig verleden, waar al veel onderlinge haat en nijd in de familie van David uit voortkomt. En dus komt David tot inkeer. In zijn vasten en bidden komt hij weer tot de kern. Hij weet weer wat hem ervan afleidde de toekomst van God te verwachten. En daarom moet eerst, hoe wreed het ook klinkt en David dat ook niet wil; eerst moet dat kind niet meer bestaan, voordat hij verder kan als gezalfde Gods. En dus wordt het Goede Vrijdag in het verhaal en sterft het kind. Maar daarna staat David ook weer op, en blijft niet hangen in het verleden, maar laat de toekomst afhangen van God. Een toekomst, die uiteindelijk een kind geboren laat worden in Bethlehem en die zou lijden wat wij lijden, maar zo wel onze toekomst opende.

Laten we met elkaar de toekomst open houden door niet te blijven bij en in onze schuld, maar door te komen tot inkeer en de toekomst van God te laten komen.

dinsdag 19 februari 2013

In de stilte van je hart - preek 17 februari 2013



Geluidsfragment/podcast

Afgelopen woensdag op Aswoensdag begon de Veertigdagentijd. Een tijd van bezinning. Van nadenken over hoe het leven gaat. Over je hoop en verwachting. Over je vervlogen dromen. Over pijn en onrecht. Over nieuw perspectief voor de wereld omdat God ons niet in de steek laat. Bezinning is niets iets dat te druk moet zijn. Het is niet zozeer een bezigheid, maar het leeglaten van momenten dat we afleiding zoeken. En die afleiding zoeken we normaal misschien ook om even niet te hoeven voelen en te hoeven nadenken. Bezinning is stilstaan. Even, en soms langer dan je wilt.

We beginnen deze overweging in stilte


Ik heb één vraag aan u: hoe leeg was uw stilte?

Bij wie van u was het ook stil in zijn hoofd?
Wie van u keek om zich heen om de leegte te vullen?
Wie bedacht wat ie nog allemaal moet doen?
Wie van u vond de stilte ongemakkelijk, en waarom is dat?
Wat voor onrust spookt er door uw hoofd?
Waar confronteert de stilte mee?

In het eerste verhaal deze weken uit de boeken Samuël lezen we hoe de geest van de Heer Saul had verlaten, en hoe God in plaats daarvan aan Saul een kwade geest stuurde. De essentie hiervan is niet dat God dat zou hebben gedaan, maar dat Saul gekweld werd in zijn geest. In een enorm drama hiervoor had Saul de gunst van God verspeeld. Saul had zich mee laten voeren met zijn soldaten en niet ingegrepen toen zij misbruik maakten van de overwinning op de Amalekieten en de belangrijkste bezittingen en hun leider buit maakten. Was het wreed? Natuurlijk, oorlog is wreed. Maar daar gaat het niet om. Saul was ontrouw geweest. En ontrouw is zelden een beslissing en is zelden volledig. En toch ben je verantwoordelijk. In de gegeven omstandigheden dacht Saul het waarschijnlijk nog goed te doen ook of in ieder geval niemand kwaad te doen, behalve de vijand dan. De man had nooit om het koningschap gevraagd. Een tragische persoon. Met God dichtbij hem ging hij toch zijn eigen weg. Waardoor was hij afgeleid? Wie zal het zeggen?

En zo zit Saul gekweld in zijn paleis, of wat daarvoor doorging, want zo uitbundig was het koningschap van Israël toen nog niet; het waren ook maar herders. Gekweld zit hij daar stel ik me voor door schuldgevoel, onmacht om het verleden uit te wissen, angst voor wat gaat komen, en misschien wel het gevoel dat hij er beter niet meer kon zijn. En het is stil…. Het is stil…. Zo stil dat hij er gek van wordt. De kwelling is hem te zwaar. Wat zou hij wensen? Waarschijnlijk slechts verlost te worden van wat hem kwelt. Maar in de stilte van zijn hart is het onrustig en kookt het. En dus is er afleiding nodig. Van muziek….

In de stilte van je hart,
in de allerdiepste lagen
van de uitgestelde vragen
smeult de hoop op ‘ooit misschien’.

In de grotten van je ziel,
waar je zelf zo vaak verdwaald bent,
waar je onverwacht onthaald bent
door het duister dat er viel.

In de stilte van je hart,
in de allerdiepste plooien,
waar het zelden zal gaan dooien,
wacht er toch een ‘ooit misschien’.

In de grotten van je ziel,
waar je zelf zo vaak verward raakt
dat je kwetsbaar of soms hard maakt
waar je droom in duigen viel.

Donder. Bliksem.
Flitsen in de nacht.
Inslag met de kracht van een orkaan.

Donder. Bliksem.
Wolf als schaap vermomd.
De spanning is soms levensgroot.
Je bent geraakt. In ademnood.
Ontlading stikt in stilte die verstomt.

In de stilte van je hart
hoor je grommen, hoor je brommen,
hoor je vloeken zonder woorden,
zonder zin.

In de stilte van je hart
hoor je blazen, hoor je razen,
hoor je woede als je slechtste hartsvriendin.

In de stilte van je hart
hoor je galmen, hoor je psalmen,
hoor je zingen tegen alle stromen in…

En hij is weer rustig, Saul. Tegenover hem zit David, de man aan wie de psalmen zijn toegedicht. Gelovige liederen die de enorme worsteling in het leven kunnen verwoorden, en rust kunnen geven. David speelt en Saul krijgt rust. David is zojuist door de profeet Samuël gezalfd tot koning op aanwijzen van God. Dat weet Saul nog niet; en het wantrouwen van Saul zal alleen maar toenemen als hij in David ziet worden wat hij zelf had moeten zijn: iemand die in de geest van God leeft en leiding gaat geven aan Gods volk. Saul wordt in zijn razernij bijna een onmens. Hij zweert later in de verhalen David te doden, en doet er alles aan hem te pakken te krijgen. En toch: Saul blijft een mens. Dat het Bijbelverhaal vertelt dat een kwade geest vat kreeg op Saul vertelt mij als modern mens dat Saul meer was voor de bijbel dan alleen een kwade geest. Ook hij was een gezalfde Gods, maar vooral: een mens. Ja, David krijgt veel te stellen met deze mens, maar het is me te simpel om de strijd van David met Saul te vergelijken met die van Jezus met de duivel in het andere Bijbelverhaal. Ik denk namelijk dat in dit stadium van het verhaal van de Samuëlboeken David weliswaar veel familietrekken vertoont met zijn latere nazaat Jezus, maar dat wij veel meer lijken op Saul. En wij brengen het er niet zo goed vanaf als wij geconfronteerd worden met het kwade in ons. Daarmee zijn wij net zo min als Saul duivels. Maar het kwade kan zo vat op ons krijgen dat we er nauwelijks meer uit komen. Ontrouw aan je principes en aan mensen om je heen kan er zo makkelijk in sluipen, terwijl je op dat moment nog meent ook daar het volste recht toe te hebben. Overigens kun je ook door zo strak aan je principes vast te houden mensen en God uit het oog verliezen, waar het uiteindelijk om ging. In de angst zelf onderuit te gaan blijven we zo vasthouden aan ons eigen gelijk, waar je nauwelijks meer uit komt als je gaat beseffen dat het zo zwart wit niet is. Zijn we slecht? Nee, we zijn goed geschapen, maar we zijn wel in staat alles te doen wat slecht uitpakt voor anderen en onszelf. En ieder moet zijn eigen balans maar opmaken. Maar wees daarbij wel eerlijk; niet om jezelf onderuit te halen, noch om anderen te plezieren, maar om er zelf een beter mens van te worden: voor jezelf, voor God, en voor anderen.

Wat is onze hoop? Dat Jezus de woestijn in ging en de verzoekingen van de duivel weerstond, deed Jezus niet om ons onvermogen aan te tonen; dat weten we zelf ook wel. Daar in die woestijn zou niemand van ons het uithouden als er geen afleiding meer is van alle vragen, alle onzekerheden, alle angsten, alle schuld en wat al niet meer wat er op je af kan komen. En dan zoek je toch een uitweg, ten koste van wie of wat dan ook? Dat Jezus die woestijn doorstaan heeft is niet om te laten zien dat Hij het wel kon en wij niet. Hij heeft ons leven juist serieus genomen door al dezelfde angsten, vragen, onzekerheden en wat al niet meer te doorstaan. Hij gaat niet de makkelijke weg, die wij zo vaak nemen, maar waar alleen wijzelf beter van worden, voor de korte duur. Nee, Jezus gaat de moeilijke weg, achtervolgd door dezelfde onrust die zich van Saul meester maakt. De weg die Saul ging, zou Jezus ook kunnen gaan, en wat let Hem? Niets, behalve Hijzelf. En dus is er een uitweg voor ons allemaal. Als we met Jezus meegaan, en naar hem luisteren. Als muziek tegen onze onrust, als die muziek van die verre voorvader van Hem, die zong:

De Heer is mijn herder,
‘k Heb al wat mij lust;
Hij zal mij geleiden
naar grazige weide.
Hij voert mij als zachtkens
aan waatren der rust.

Tekst van het gesproken lied 'In de stilte van je hart' is van Gerard van Midden; muziek van Gerard van Amstel, in een vrije improvisatie door Albert Christ op de piano.

vrijdag 1 februari 2013

Surfen op de wind, gedragen door Gods Geest - avondpreek Twitterdienst 27 januari 2013






Hoe digitaal moet je zijn? We hebben er net een mooi debat over gehad. Bij sociale media gaat het erom in hoeverre je je leven wilt delen met anderen. In hoeverre wil je delen waar je bent, en met wie, wat je doet, met foto’s en al erbij? Wat deel je wel, wat deel je niet? En wat hou je voor jezelf? En zo maak je deel uit van een netwerk van allemaal volgers of vrienden, met wie je dingen uit je leven deelt?

Maar wat verwacht je van hen, van die volgers en vrienden? Met e-mail is het al zo dat we soms nauwelijks geduld hebben met degene aan wie je een e-mail hebben gestuurd: Hé, heb je m’n mail niet gezien? En op de Whatsapp kun je zien wanneer iemand aan wie je een berichtje stuurde online is geweest, maar waarom heeft die dan niet gereageerd op je bericht als hij wel online is geweest?! We verwachten vaak een directe reactie. Hoe zit dat bij de sociale media? Wat verwacht je van anderen als je iets deelt? Het is toch veel leuker als je tweet geretweet wordt, doorgestuurd en gedeeld met de volgers van iemand anders, of dat je bericht op Facebook geliked of gedeeld wordt, of: dat je iets terughoort, een reactie krijgt. Dat is natuurlijk het allermooist. Zeker als je jarig bent, of een moeilijk examen moet doen, of ziek bent. En ik zie ook mensen berichten delen als een dierbaar iemand is overleden, of als ze daaraan moeten terugdenken omdat het op die dag zoveel jaar geleden is. Dan is het mooi als mensen reageren. Dat geeft een gevoel dat je niet alleen op de wereld bent, en dat je er niet alleen voor staat. Al is het maar dat iemand zegt: ik begrijp dat dit heel moeilijk voor je is: sterkte joh. Of gewoon: succes met je examen, het gaat je lukken! Fijn toch?

Eigenlijk is de kerk ook een sociaal netwerk. Heel veel mensen kennen elkaar in de kerk en weten van elkaar hoe het gaat. Als je wat langer in een kerk rondloopt sta je versteld wie van wie allemaal op de hoogte is hoe het gaat, wie bij wie allemaal op bezoek komt. En dat is fijn. Mensen die ziek zijn tonen soms hun verbazing over de hoeveelheid kaarten die ze krijgen. En dat alleen maar omdat we met elkaar in de kerk ook een sociaal netwerk vormen. En ook daarbij wordt het belangrijk gevonden hoe mensen op elkaar reageren. Want het is belangrijk dat we als kerk aan elkaar laten zien dat je niet alleen op de wereld bent en dat je er niet alleen voor staat. Dus wat dat betreft is er eigenlijk niets nieuws onder de zon, alleen zijn sociale media digitaal, en misschien wat anoniemer en individueler.

Wat verwachten we van God? Hoe moet Hij reageren op wat wij met Hem willen delen? In het sociale netwerk van de kerk bidden we, met elkaar thuis of in de kerk. En gaan we in de kerkdienst via twitter bidden. Een andere vorm, maar hetzelfde idee: we willen met God delen wat ons bezighoudt. Maar wat verwachten we dan van God? Hoe moet Hij reageren? Verwachten we dat Hij altijd online is, om het zo maar te zeggen? En wat zou het betekenen voor ons als dat niet zo is?

In het Bijbelverhaal dat we zojuist hebben gehoord gaat het daarover. Als Jezus en de leerlingen op het meer in een bootje varen, steekt er een hevige storm op. En de golven beuken zo hard tegen de boot, dat hij vol met water loopt. De leerlingen zijn bang dat ze met boot en al zullen vergaan. Maar Jezus ligt in de boot op een kussen te slapen. De leerlingen maakten Jezus wakker en zeiden: ‘Meester, kan het u niet schelen dat we vergaan?’ Wat zal er door de leerlingen gegaan zijn? Verontwaardiging, woede, verdriet, angst, zeg het maar. Hoe kon Jezus zich nu doof houden, nee, zelfs van de wereld zijn nu zij in zo’n hevige storm terecht waren gekomen? Jezus is offline, lijkt het wel. Onbereikbaar. En ziet niet wat de leerlingen met hem willen delen.

Maar is dat wel zo? Is Jezus hier offline? Kijk, het typische in het verhaal is dat Jezus wel in de buurt is, nee sterker nog, in de boot zelf is. Maar blijkbaar maakt Hij zich niet zo druk. Hij gaat er anders mee om. Hij slaapt en als Hij wakker gemaakt wordt beveel Hij het meer om rustig te worden: ‘Zwijg, wees stil.’ Ik denk niet dat Jezus hier offline was. Ik denk dat Hij misschien wel bij wijze van spreken een vinkje heeft uitgezet zodat mensen niet meer altijd kunnen zien dat Hij online is. Want dan gaat er iets claimends van uit. Als je ziet dat een ander online is dan moet hij toch op jouw bericht reageren en liefst ook zoals jij dat wil. En dat wil Jezus niet. Jezus wil dat zijn leerlingen zelf de moed en het geloof hebben om de stormen in hun leven te doorstaan, met Zijn hulp. Hij zegt tegen hen: ‘Waarom hebben jullie zo weinig moed? Geloven jullie nog steeds niet?’

Wat doe je als je door een storm in je leven overvallen wordt? Als alles tegenzit? Op school, op je werk, in je relatie, thuis bij je ouders, maar ook bij ziekte, of als er iemand van wie je veel houdt ziek is of overlijdt. Wat verwacht je dan van God? Er is een beeld in de bijbel van een arend, een immens grote vogel. Het koor zong daarnet een lied waarin gezongen werd:
U bent mijn schuilplaats, mijn schild,
In tijden van storm en regen
Bedek me met de schaduw van Uw vleugelen.
En straks zingen ze: En U draagt ons hoog op Uw vleugels mee.
Dat zijn geen vleugels van twittermusjes, zal ik maar zeggen.
In het bijbelboek Deuteronomium staat dat God is ‘zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt.’
Ja, God wil ons beschermen, en onze schuilplaats zijn, zoals een arend over haar jongen waakt. Maar in dat beeld zijn wij wel de jongen. En die moeten ook groot worden.

Daarom is het beeld van een arend ook een beeld voor ons eigen geloof. In de profetie van Jesaja staat: ‘Ook wie jong is wordt moe en raakt uitgeput, en jonge mannen kunnen zeker bezwijken, maar zij die hopen op de Heer, vernieuwen hun kracht en slaan hun vleugels uit als adelaars; zij lopen en worden niet moe, zij rennen en raken niet uitgeput.’
Voorafgaand aan het lied van De Kracht van uw Liefde, dat Anne zo mooi zong, stond een tekst die misschien heel snel ging. Daar stond: Wist u dat een arend een storm voelt aankomen, lang voordat hij losbarst? De arend vliegt dan naar een hoge plek en wacht tot het gaat waaien. Als de storm losbreekt houdt hij zich vleugels zo dat de wind hem meevoert en hem boven de storm uittilt. Terwijl de storm woedt, zweeft de arend er hoog boven uit. De arend ontvlucht de storm niet maar gebruikt hem om hoger te komen. Hij laat zich optillen door de winden van de storm.

Dat beeld van die arend is dus ook een beeld om te geloven en moed te houden. De leerlingen in de boot raken helemaal in paniek van de storm. Maar daardoor laten ze zich ook helemaal gek maken en laten ze zich niet meevoeren op de wind. En ze hangen alles op aan Jezus, alsof Hij er wat aan kan doen. Ja, natuurlijk kan er Hij er wat aan doen, maar geloven we daar wel echt in als we zo in paniek raken als de leerlingen? Kunnen we niet zelf ook iets doen? Ja, maar wat kunnen we doen? Alle stormen, alles wat er misgaat en bedreigend voelt in ons leven oplossen? Nee, dat kunnen we niet. We kunnen wel meevaren op de wind van de storm. Geen: Help, wat moet ik ermee, ik verga! Maar meewaaien met de storm, in het vertrouwen dat je vleugels je dragen op de wind. En God helpt je wel, o ja hoor. Maar als je zo in paniek raakt als de leerlingen in de boot zie je niet meer dat God er echt wel is. Alsof je de hele tijd Hem gestresst probeert te bellen, maar steeds een ingesprektoon krijgt omdat Hij jou ook probeert te bellen… God was er allang voordat je bestond, en Hij is er. En met een beetje moed en geloof kun je dat zien. Daar worden die stormen niet minder erg van, en alles wat er fout kan gaan in je leven, maar je staat er minder alleen voor. Dan zweef je op de wind, gedragen door Gods Geest, en de kracht van Zijn Liefde.

Om allen die treuren te troosten - ochtendpreek 27 januari 2013




Een maand geleden vierden we Kerstmis, het geboortefeest van onze Heer. En deze eerste weken van het jaar horen we hoe Jezus zijn openbare optreden als volwassene aanvangt. Vorige week klonk in veel kerken het verhaal van de Bruiloft te Kana. Voor de evangelist Johannes symboliseert dat het begin van het verlossende werk van Christus. Dat Hij water in wijn verandert op de bruiloft, die symbool staat voor de verhouding tussen God en mens.

De evangelist Lukas kiest een ander begin. Hij is in het begin van zijn evangelie gefocust op Maria en haar nicht Elizabeth, de voorname rol van de moeders, en op hun twee zoons: Johannes de Doper, die de weg bereidde voor Jezus. En het eerste verslag van openbaar optreden van Jezus gaat erover dat hij onderricht gaf in de synagogen en dat hij door allen werd geprezen. En als verslaggever ter plaatse doet Lukas er verslag van wanneer Jezus Nazareth bezoekt, de stad waar Jezus was opgegroeid. Waarom Lukas Nazareth uitkiest is meer van belang voor het vervolg. Voor nu is het van belang wat Jezus zegt en wat eraan voorafging.

Het verhaal begint ermee dat Jezus, gesterkt door de Geest, terugkeert naar Galilea. Het is dezelfde Geest uit de profetie die Jezus citeert. En het is dezelfde Geest die Jezus hiervoor weg liet trekken van de Jordaan naar de woestijn. In die Jordaan was Hij net gedoopt, en was de heilige Geest in de gedaante van een duif op Hem neergedaald. Het is deze heilige Geest die de motor is achter het werk, de missie van Jezus. Hij is de inspirator; en hoor je, daar zit het woord spirit in, geest. De heilige Geest geeft Jezus spirit voor zijn missie. En wat Hij vandaag in het eerste verslag van zijn openbare optreden bij Lukas zegt is als het ware zijn mission statement.

Maar voordat Jezus zijn mission statement kan uitdragen, voordat Hij echt zijn missie kan belichamen, en het authentiek uit hemzelf komt, moet Hij eerst nog met zichzelf worstelen. En dat gebeurt hiervoor in de woestijn. Jezus moet eerst worstelen met.., ja waarmee? Met de duivel,  ja allicht. Maar wat doet die duivel? Hij spreekt Jezus aan op alles wat hem ongeloofwaardig zou maken. Dat Hij zich niet zou laten leiden door de Geest, maar door wat hem daarvan weerhoudt: alles wat hem daarvan afleidt, blokkades in Hem, omdat het niet de makkelijkste weg is om je te laten leiden door de Geest. Hij mag niet teveel met zichzelf bezig zijn om zich werkelijk te kunnen geven.

Want waaraan gaat Hij zich geven, gedreven door de Geest? Jezus vindt zijn missie verwoord in een tekst uit Jesaja:
‘De Geest van de Heer rust op mij,
want hij heeft mij gezalfd.
Om aan armen het goede nieuws te brengen
heeft hij mij gezonden,
om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden het herstel van hun zicht
om onderdrukten hun vrijheid te geven,
om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’
Zoals de Geest, de levensadem, de wind, zich niet laat grijpen, zo wil Jezus mensen bevrijden van wat hen blokkeert om vrij te zijn. En Hij noemt hele concrete voorbeelden, waar in het erom gaat dat mensen weer beeld van God kunnen zijn. En daar passen geen blokkades, en geen handicaps bij. Niet omdat mensen niet perfect zijn, want allicht, dat zijn we niet, maar daar gaat het hier niet om. Waar gaat het wel om? Jesaja zegt het in mooi vertaald Nederlands: om allen die treuren te troosten. Een zinnetje om in te lijsten en kort Jezus’ mission statement samen te vatten. Waarom is God in Jezus naar de wereld gekomen en heeft Hij zijn Geest op Hem laten rusten? Om allen die treuren te troosten.

Waar moeten wij van getroost worden? Misschien wel van ons gevoel van onveiligheid. Dat beeld doemde afgelopen week bij me op toen ik beelden uit een documentaire zag uit Amerika over martelpraktijken van de Amerikanen, en wie van hun bondgenoten nog meer, om van terrorisme verdachte mensen bekentenissen af te dwingen. Deze martelpraktijken zijn nota bene bij wet vastgelegd. Een van die praktijken is het vaak genoemde ‘waterboarden’. Daarbij wordt een natte doek over iemands gezicht heen gelegd en door water eroverheen te spoelen krijgt iemand het gevoel dat hij stikt. Maar voor uw geruststelling: het is heel beschaafd gereglementeerd: het mag maar twee minuten achter elkaar. Daarna krijgt de verdachte twee minuten om bij te komen en dan mag het weer twee minuten. Zover zijn we gekomen, dat we dit beschaving noemen.

Nu staat deze praktijk misschien ver van u af, maar de achterliggende motivatie komt waarschijnlijk wel dichterbij: wat als deze martelingen de enige manier zijn om te voorkomen dat er morgen een aanslag wordt gepleegd waarbij een groot aantal onschuldige burgers, en mogelijk wijzelf, omkomen? Een bijna voorstelbare vraag, ware het niet dat hier denk ik een ethische grens wordt overgegaan, maar ook in de redenering. Want de redering gaat ervan uit dat deze verdachte al schuldig is en houdt het niet voor mogelijk dat hij niets weet. Nog los van de vraag of als hij wel schuldig is het dan wel zou mogen.

Ik moest bij deze redenering ook denken aan het schietincident in Amerika, waarbij onder andere twintig kinderen van 6 en 7 jaar oud omkwamen op een basisschool. Een vertegenwoordiger van de wapenlobby had het verstandelijk vermogen om de volgende redenering op te hangen: als er op de school een goed iemand was geweest met een wapen, was het drama niet zo groot geworden. Tegenover een slecht iemand met een wapen moet je een goed iemand zetten. Maar bestaan er goede mensen…?

Maar als het om ons eigen veiligheidsgevoel gaat moet ik ook denken aan hoezeer wij met zijn allen toestaan dat onnoemelijk veel gegevens van ons worden opgeslagen. Zonder angst te zaaien is het een technisch feit dat ieder die hier met een mobieltje zit, dat hopelijk op stil staat, traceerbaar is. Uw pingedrag leidt tot allerlei informatie die opgeslagen wordt, zeker in combinatie met uw bonuskaart. En die sociale media, die vanavond centraal staan, zijn leuk, maar na te gaan. Nu leven we gelukkig in een vrij land, maar we hebben in onze wetgeving besloten zoveel vast te leggen ten bate van onze veiligheid, dat de basis klaarligt voor een politiestaat. Dat levert de vraag op: vertrouwen wij onszelf al die kennis toe?

Ik ga even terug naar de verzoeking in de woestijn, waar Jezus met die menselijke kant worstelt die wij allemaal bezitten. En dat is ook de angst voor onveiligheid. In de eerste verzoeking wordt Jezus uitgedaagd een steen in brood te veranderen. Hij heeft immers honger, dus waarom niet? Maar Jezus zegt: ‘Er staat geschreven: “een mens kan niet leven van brood alleen.”’ Dit staat wat mij betreft voor de maakbaarheid van onze veiligheid. Laten wij ons werkelijk verleiden tot het idee dat we alles kunnen voorkomen en dat het doel alle middelen heiligt?

Daarover gaat de tweede verzoeking: de mens kan zich alle macht verwerven, als hij zich maar in aanbidding laat neervallen voor waar wij geen beeld van zijn, de duivel. Dan zijn we dus iets wat we niet zijn, een onmens. Jezus zegt: ‘Er staat geschreven: “Aanbid de heer, uw God, vereer Hem alleen.”’ Laten wij ons verleiden ontrouw te worden aan God omdat we het zelf beter weten en daarmee onmensen te worden, die in zichzelf geloven?

Daarover gaat de derde verzoeking: de mens is geneigd zich goden toe te eigenen, en zozeer in zichzelf te geloven dat hem niets overkomt. Zelfs als ze roekeloos naar beneden springen. Een mens kan zich in al zijn bewapening en controle onaantastbaar wanen. Jezus zegt: ‘Er is gezegd: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’ Laten we ons verleiden om voor god te spelen met het idee dat ons niets kan overkomen als wij zelf het maximale doen?

Wat verliezen we daar niet mee? Inderdaad, daar verliezen we God mee. Degene die Zijn Zoon gezonden heeft ‘om allen die treuren te troosten’. En dat is dan geen machtsspelletje, geen groot machtsvertoon. In de lijn van Jesaja is het een knecht. Jezus zegt: Ik ben bereid om de taak als iemand die een knecht is te aanvaarden. Ik heb de opdracht, de missie, en ben daarvoor gezalfd, gezegend en toegerust. En Ik verplicht mij om andere mensen te bevrijden, waardoor zij weer aan de vrijheid van de hele wereld kunnen werken.

En let dus goed op: het gaat hier om vrijheid en niet om onvrijheid om een gemaakte vrijheid te waarborgen. Echte vrijheid. En die vraagt dus om overgave. Want als er één was die niet kon voorkomen dat het mis ging in zijn leven was het Jezus wel. Hij stierf voor zijn missie. Maar daarmee vervulde Hij hem ook. En juist zijn Opstanding liet zien dat Hij werkelijk vrij was. Overgave geeft vrijheid. Dat is de missie van Jezus. Een missie die Hijzelf belichaamt. En Zijn Geest zal als een Trooster voor ons zijn om allen die treuren te troosten.